Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Perfectionistische woelwater

01 september 2016 Siebrand Krul

Zijn leven wordt gekenmerkt door onrust en een streven naar perfectie; steeds maar weer op reis, bestemmingen wijzigen en langdurig uitstel van publicaties, omdat teksten in zijn ogen nog niet goed genoeg waren. Desondanks bracht Gerret Pieter Rouffaer wel iets tot stand. Moeilijk voor te stellen wat zo’n markante man in een leven allemaal meemaakte.

Gerret Pieter Rouffaer werd in 1860 in Kampen geboren als zoon van Johanna Suzanna Bondam en Benjamin Rouffaer, kapitein bij de koopvaardij. Er is niet zo veel bekend over Gerrets jeugd. Na de HBS (beste leerling van zijn klas) ging hij in 1877 aan de Polytechnische Hogeschool in Delft studeren.
Hij erfde na het overlijden van zijn moeder een fors vermogen. Omdat hij de studie mijnbouwkunde niet praktisch genoeg vond, brak hij hem teleurgesteld af en verdiepte zich in de literatuur, met name Multatuli. Rouffaer trok in bij zijn zuster Caroline en haar gezin in een bijgebouw van landgoed Rustoord in Diepenveen en ging gedichten schrijven. Vervolgens maakte hij jarenlang kunstreizen door Europa. Hij bezocht Rome, Sicilië, Corsica en trok tien maanden door Frankrijk. Vanwege zijn bewondering voor Multatuli stuurde hij de schrijver in 1883, 63 jaar en in geldnood verkerend, een brief: ‘Hooggeachte Heer! (…) Ik kan nu of liever over een maand of drie, als ik meerderjarig word, beschikken over een kapitaal van 30.000 a 32.000 gulden. Welnu, het derde deel bied ik bij deze U volgaarne aan.’ Multatuli ging er niet op in.

 

Gerret Rouffaer met zijn zus Caroline in 1869. (Universiteitsbibliotheek Leiden)

Gerret Rouffaer met zijn zus Caroline in 1869. (Universiteitsbibliotheek Leiden)

‘Sigaretrookende vrouwmenschen’

Rouffaer reisde door naar het Spaanse Cartagena, dat hij in De Gids typeerde als een witte stad met platte daken, nieuwe forten op ruige steenrotsen en: ‘…sigaretrookende vrouwmenschen op de kaden, hun diensten aanbiedend voor sjouwerwerk of wachtend op vischschuitjes…’. Hij noemde ‘Spanje een erg droog, vervloekt lelijk’ land, en noteerde er per trein doorreizend: ‘…. een woestenij van verdord, uitgevreten leem, uitgewasschen in de allergrilligste vormen door stortregens na brandende droogte (…) met het gele esparto-gras (…) hard en taai als staaldraad.’ Rouffaer loofde het boogwerk van de Moorse architectuur, maar betitelde wandversieringen met tierlantijntjes als ‘kutwerk’. Binnen zes weken kon hij teksten lezen:’ ’t Spaansch gaat als een tiet’.

 

De resident in Rembang, Charles te Mechelen, tijdens een neushoornjacht op Java. (Universiteitsbibliotheek Leiden)

De resident in Rembang, Charles te Mechelen, tijdens een neushoornjacht op Java. (Universiteitsbibliotheek Leiden)

Latente homoseksuele voorkeur?

Vervolgens bezocht hij Tanger en leerde in Lissabon Portugees. In 1884, inmiddels 24 jaar oud, keerde hij terug naar Diepenveen. In tijdschrift Oud Holland ging hij artikelen schrijven over plaatselijke schilders, waarbij hij een verhulde belangstelling toonde voor het mannelijke lichaam. (Dit is een van de weinige blijken van zijn homoseksuele gerichtheid. Typerend voor zijn tijd is, dat hij niets laat doorschemeren over (mogelijke) relaties met mannen).
Tussendoor reisde hij naar Frankrijk en Londen om er de grote meesters te bekijken. Zijn geliefde zuster Caroline overleed na een lang ziekbed in 1885: ‘Zacht en kalm stierf ze in mijn armen’. In het Biografisch Woordenboek van Nederland schreef F.G.P. Jaquet in 1979 dat Rouffaer ‘vermoedelijk om afleiding te zoeken’ besloot naar Nederlandsch-Indië te gaan. Hij vertrok in 1885 met een clipper die tijdens die reis bijna met man en muis verging: ‘Twee goddelooze stortzeeën veegden bij een hevige storm het heele achterdek schoon (…) Eén dode, één met een gebroken been, en wel vijf anderen min of meer zwaar gekwetst.’
Rouffaer verblijft vijf jaar in de kolonie. Aanvankelijk neemt hij zijn intrek in het chique Hotel des Indes in Batavia, noteert krantennamen, gevel- en grafopschriften, inventariseert standbeelden en inheemse vruchten, koopt een sarong, een zijden Chinees reisjasje en witte handschoenen. Tevens gaat hij op zoek naar cultuurschatten en verzamelt zeldzame geschriften en foto’s. De resident van Kedoe verleent hem toestemming een Boroboedoer-tempelgevel uit te graven, waarbij hij drie grote bas-reliëfs blootlegt. Euforisch is hij over het Overzeese cultuurgoed: ‘Laat ons dankbaar zijn dat deze scheppingen van schoonheid ons te beurt vielen in ons overzeesch bezit; innig dankbaar. Het is zoo verheffend te weten dat niet alleen in ons moederland, maar ook daarginds, ruimte gegeven is aan hetgeen aan het leven wijding schenkt.’

 

Het geboortehuis van Rouffaer in Kampen. (Foto: Lex Veldhoen)

Het geboortehuis van Rouffaer in Kampen. (Foto: Lex Veldhoen)

Adept van Multatuli

Rouffaer constateert dat inlanders geen schoeisel mogen dragen, verdiept zich in het Nederlandse leger ter plekke, bezoekt een krankzinnigengesticht, een opiumkit in Buitenzorg en via een bevriende mijningenieur raakt hij geïnteresseerd in landkaarten. Ter nagedachtenis aan Caroline begint hij een gedicht met tienduizend strofen te schrijven: ‘Tijdzang aan Amsterdam’ maar komt niet verder dan de ‘Voorzang’. Tevens onderzoekt hij ‘de toestand’ die de basis vormde voor ‘Max Havelaar’ (over een koffiehandelaar met scherpe kritiek op het corrupte koloniale systeem), praat erover met betrokkenen in Lebak en vraagt zich af of het wel verantwoord is dat een Nederlands parlement zich bemoeit met Indische zaken.
In de onlangs verschenen, prettig leesbare biografie ‘Rouffaer, de laatste Indische ontdekkingsreiziger’ schrijft Frank Okker: ‘Rouffaer stelt vast dat Multatuli fouten heeft gemaakt, omdat hij over onvoldoende inzicht beschikte in het adatrecht en in de bijzondere agrarische toestanden die er in zijn afdeling Lebak en de residentie Bantam bestonden.’ Maar volgens Rouffaer werd Multatuli ook gewaardeerd ‘vanwege zijn opvallende talent om onvoorbereid allerlei geestige gedichten voor te dragen’ en wilde de excentrieke schrijver op audiëntie bij de gouverneur-generaal verschijnen in slaapbroek en kabaai, omdat hij geen galakostuum kon betalen. Toen een officier hem vanwege een mislukte biljartstoot uitlachte, ranselde hij hem af met een keu. Hoewel een duel met pistolen tussen hen goed afliep, sloeg Multatuli hem bij een sabelgevecht alsnog een vinger af.
Rouffaer wil zijn onderzoek naar de betekenis van Multatuli in boekvorm aan de auteur zelf overhandigen. Maar deze overlijdt voortijdig, in 1887, en Rouffaer schrijft zijn weduwe: ‘..Mevrouw! Wil het rouwbeklag aannemen van iemand die veel geleerd en genoten heeft van Uw afgestorvene.….’. In het verlengde van zijn studie naar Multatuli verdiept Rouffaer zich in agrarische aspecten en grondbezit op Java. Deze studie zal tot zijn belangrijkste publicaties gaan behoren.

 

Landgoed Rustoord in Diepenveen. (Stadsarchief Deventer)

Landgoed Rustoord in Diepenveen. (Stadsarchief Deventer)

Ziek, maar hyperactief

Onderweg leert hij de resident in Rembang, Charles te Mechelen, kennen, bij wie hij een half jaar verblijft om Javaans te leren. Hij is een kleurrijke figuur, in Delft opgeleid tot ambtenaar bij het Binnenlands bestuur, geroemd jager op groot wild en genadeloos jager op opiumsmokkelaars, die tot drie maanden gevangenschap wordt veroordeeld vanwege zijn onorthodoxe methoden.
Rouffaer heeft in deze reisperiode malaria opgelopen, waardoor hij in 1890 terugkeert naar Nederland. Hij laat doorschemeren dat zijn gezondheid tevens lijdt onder een ‘onvoorzichtigheid’, waarmee hij doelt op een opgelopen geslachtsziekte. Hij gaat aanvankelijk naar Rustoord en koopt bij de Haagse kunstenaarsvereniging Pulchri een schilderij van Mauve: ‘Het in zee brengen van een visserspink’, dat hij later het Rijksmuseum schenkt. Hij probeert zijn conditie te verbeteren met lange schaatstochten en schrijft hoe hij kijkend naar kruiend ijs in de IJssel ‘zoo’n gezegende kou heeft opgedaan als met geen twee dozijn zakdoeken was te bezweren… ‘. Hij stuurt ingezonden brieven over allerlei onderwerpen aan kranten en weekbladen. Maar de reislust slaat, ondanks ziekte, opnieuw toe. Hij verblijft bijna een jaar kurend in Sankt Moritz met uitzicht op het Rijndal, reist door naar Spanje en na vier jaar, in 1897, keert hij terug in Nederland, niet zonder ‘Spaansche Indrukken’ te schrijven.

 

Basreliëf in de muur aan de zuidzijde van de Boroboedoer, zoals door Rouffaer blootgelegd. Foto van Isidore van Kinsbergen, 1873. (Rijksmuseum)

Basreliëf in de muur aan de zuidzijde van de Boroboedoer, zoals door Rouffaer blootgelegd. Foto van Isidore van Kinsbergen, 1873. (Rijksmuseum)

Tomeloos enthousiasme

In de bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden ordent hij vervolgens de kaartenverzameling en wordt tegen een bescheiden salaris aangesteld als adjunct-secretaris. Hij begint een boekencatalogus samen te stellen, maar er ontstaan spanningen, mede omdat Rouffaer eigenzinnig omstreden boek- en fotoaankopen doet. Hij schrijft vele artikelen, zoals over de Indische (batik)kunst, etnografie en een kritisch rapport over de economische toestand van de inlandse bevolking op Java en Madoera. Soms schiet hij in artikelen door, wat volgens Okker komt doordat hij ‘… met tomeloos enthousiasme een groot aantal onderwerpen gelijktijdig en nogal eens overhaast aanpakt. Bovendien is hij als autodidact (te) vaak geneigd een twijfelachtige stelling of vondst met veel aplomb naar voren te brengen’. Volgens Okker komt zijn veelzijdige gedrevenheid voort uit een verlangen naar erkenning, die aanvankelijk uitblijft, mede omdat hij in twee grote projecten, Multatuli’s biografie en het dichtwerk voor Caroline, is blijven steken.
Rouffaer blijft kwakkelen met zijn gezondheid, werkt lange dagen en eet volgens collega’s alleen nog een soort stijfselpap: ‘Sinds 1890 weet ik feitelijk niet meer wat zich flink voelen is’ schrijft hij. Na zes jaar uitstel, vanwege steeds nieuwe bijstellingen, maakt hij in 1908 wel een gedegen werk af: ‘Catalogus van de Koloniale Bibliotheek van het Kon. Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië’. Tevens schrijft hij lemma’s voor de Encyclopedie van Nederlandsch-Indië, onder andere over sarongs en de Vorstenlanden. De laatste maar liefst 150 pagina’s lang. In De Gids schrijft hij: ‘Neem de Vorstenlanden, het hart van Java: welk werk is daarover geschreven, dat maar aan de bescheidenste eischen van overzichtelijkheid voldoet? (…) Soembawa – terra incognita; Flores – hier en daar aan de kusten verkend, en slechts op zijn allersmalst doorgetrokken (…) Let wel, dat wij op al deze eilanden drie volle eeuwen ‘zitten’!’

 

Portret van de schrijver Multatuli, César Mitkiewicz, 1864.

Portret van de schrijver Multatuli, César Mitkiewicz, 1864.

Liever reizen dan professor zijn

In 1906 wordt hij secretaris van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap en op 48-jarige leeftijd slaat hij het aanbod af hoogleraar aardrijkskunde in Utrecht te worden. Als secretaris van een oudheidkundige commissie helpt hij wel de restauratie van de Boroboedoer voor te bereiden en is medeoprichter van De Linschoten Vereeniging (die nog altijd actief is en bij Walburg Pers publiceert). Hij reist opnieuw naar Indië, deze keer gesubsidieerd door het Aardrijkskundig Genootschap en de overheid om volkenkundige gegevens op Java te verzamelen, met als bagage onder andere een fiets. Bij gouverneur-generaal J.B. van Heutz bepleit hij nieuwe expedities naar Nieuw-Guinea. Zelf maakt hij fietstochten door Batavia en bezoekt in Soerabaja de pasar malam. Ondanks last van zijn ingewanden bereist hij diverse Indische eilanden; Solor, Sumba, Celebes en bijvoorbeeld Flores, waar hij met een geoloog te paard door een onstuimig gebied trekt op zoek naar archeologische vondsten, zoals een koepelgraf en een offerpaal. Okker: ‘Soms zinkt hij met paard en al tot zijn knieën weg in de modder, een andere keer wordt hij getrapt door een jaloerse hengst en maakt hij op een steil gedeelte een ernstige val….’ Tijdens zijn verblijf op Timor noemen expeditieleden in Nieuw-Guinea een rivier naar hem. Na een uitnodiging door de Portugese gouverneur wordt Rouffaer op een rondreis door Oost-Timor overal met open armen ontvangen, terwijl hij onderweg na metingen landkaarten verbetert, mensen en etnografische voorwerpen fotografeert en een plantage bezoekt, rondgeleid door ‘een mooie jongen met gitzwart kort iets krullerig haar…’.
In 1911 reist hij naar Singapore, Hongkong en op de Filipijnen bezoekt hij een uitgebarsten vulkaan, evenals kloosters van dominicanen en augustijnen, waar hij waardevolle oude boeken koopt en opstuurt naar zijn oude werkgever, het KITLV. Naast reuma, koortsen en hartzwakte stelt een plaatselijke dokter vast dat hij ‘bijna omvalt zodra hij met dichte ogen zijn voeten aaneensluit’. Bovendien wordt ruggenmergtering geconstateerd als gevolg van een verwaarloosde syfilis, waardoor hij verdere reisplannen langs eilanden in de regio moet opgeven.

Einde in psychiatrische inrichting

Als ook een rustkuur niet helpt, komt hij na twee-en-half jaar (najaar 1911) uitgeput in Marseille aan en keert, opgehaald door een KITLV-bestuurslid, terug in Nederland, waarna hij wordt opgenomen in het Haagse Roode Kruisziekenhuis. In zijn afwezigheid wordt Rouffaer, mede vanwege zijn bijdrage aan het verrijken van de collectie, tot erelid benoemd van het KITLV in Leiden.
In de Parkstraat en later op de Frankenslag in Den Haag, waar hij woont, zorgt een zeventienjarig meisje voor hem. In 1913 wordt hij voorzitter van De Linschoten Vereeniging, schrijft een tweedelig werk over de batikkunst en levert een groot aantal bijdragen aan de Encyclopedie van Nederlands-Indië. Na een slecht verlopen gesprek bij de uitgever maakt hij een val op een marmeren trap, waarna hij zijn medewerking opzegt. Omstreeks 1920 schenkt hij zijn kunstcollectie grotendeels aan Nederlandse musea. Een jaar later kan hij vanwege zijn zwakke gestel zijn benoeming tot eredoctor in de letteren en wijsbegeerte aan de Leidse Universiteit niet bijwonen en krijgt zijn bul thuis uitgereikt. Als hij in 1926 wordt opgenomen in de psychiatrische inrichting Oud-Rozenburg bij Den Haag maakt hij op bezoekers steeds vaker een verwarde indruk. Uiteindelijk overlijdt hij in 1928 en wordt in Diepenveen naast zijn geliefde zuster Caroline begraven.

Kenner van Insulinde

Terugblikkend stelt Okker dat Rouffaer een ware polyglot was: ‘Die opmerkelijke veelzijdigheid kende ook een schaduwzijde’, namelijk: versnippering en onafgemaakte studies. Zijn biograaf Jaquet: ‘Rouffaer, die behalve de HBS nimmer een opleiding voltooide, noemde zichzelf bij voorkeur “vrij werker”, een betiteling die hij volledig waarmaakte (…) Rouffaer publiceerde onder meer op het gebied van de schilderkunst, kunstnijverheid, archeologie, geschiedenis, volkenkunde, aardrijkskunde en cartografie.’ Hij memoreert zijn tomeloze energie, documentatiedrift en stelt dat zijn studies nog steeds van grote waarde zijn: ‘Rouffaer heeft als een van de weinigen in zijn tijd geprobeerd Indonesië van binnenuit te bestuderen en niet alleen maar “vanaf het dek van een koopvaardijschip”.’
Okker ziet als zijn grootste verdienste de voortdurende uitbreiding van de bibliotheek van het KITLV: ‘…een verzameling van meer dan vijfhonderdduizend boeken, tweehonderdduizend foto’s, prentenbriefkaarten en negatieven, vijftienduizend landkaarten, vijfduizend prenten en tekeningen en ruim vierhonderd strekkende meter handschriften en archieven….’.
Deze collectie is tegenwoordig in het bezit van de Leidse universiteit.
(Lex Veldhoen)

(Openingsbeeld: Rouffaer te paard, Flores, 1910. (Universiteitsbibliotheek Leiden))

Lees het volledige artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder