Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Rusteloze vechtersbaas

02 juli 2016 Siebrand Krul

Maarten van Rossum werd in 1478 geboren in Zaltbommel als tweede zoon van Johan van Rossum, uit een oud adellijk geslacht, verbonden met de hertog van Gelre. Over Maartens jeugdjaren is nagenoeg niets bekend. Als tweede zoon kon hij er niet op rekenen in de voetsporen van zijn vader te treden. Hij vond zijn heil dicht bij huis, als condottieri bij de voortdurend oorlog voerende hertog van Gelre. Maarten van Rossum is Nederlands beruchtste ridder.

Maarten van Rossum was een militaire houwdegen uit het tijdperk waarin de Bourgondiërs, en spoedig de Habsburgers, meer en meer greep op de Nederlanden kregen. Hun grote tegenstrever was Karel, hertog van Gelre, in wiens dienst Van Rossum drieste avonturen ondernam. Van Rossum maakte in 1516 deel uit van een Gelderse troepenmacht die het stadje Nieuwpoort aan de Lek aanviel en een tijdlang bezet hield en was vervolgens enkele jaren in Friesland actief. Doordat de Friezen zich eveneens tegen het Bourgondisch-Habsburgse eenheidsstreven verzetten, ontwaarde Karel van Gelre hier bondgenoten. Het voor het behoud van de Friese zelfstandigheid door de volksheld Pier Gerlof Donia (beter bekend als Grutte Pier) opgerichte huurlingenlegertje, de Arumer Zwarte Hoop, bestond niet alleen uit arme boeren, verarmde edelen en struikrovers, maar óók uit een flinke groep Gelderse vrijbuiters. Karel van Gelre trok zelf met een leger Friesland binnen en stelde in 1518 Maarten van Rossum als stadhouder aan. Maar de hertog had hem spoedig weer elders op het slagveld nodig, en met succes: in 1522 strekte de Gelderse invloed zich uit over de vier noordoostelijke Nederlandse gewesten. Van Rossum stond intussen bekend als weinig ridderlijk, bijvoorbeeld vanwege het toepassen van slinkse trucs. Zo zou hij een deel van zijn troepenmacht, verstopt onder een partij zakken met graan, Arnhem hebben binnengesmokkeld, waarna deze stad hem betrekkelijk eenvoudig in handen viel.
Lang hield de liefde tussen Gelre en Friesland niet stand. In 1524 wisselden de Friezen naar het kamp van keizer Karel V. Karel van Gelre verstevigde zijn relatie met de Franse koning Frans I, de grote tegenstrever van Karel V, en richtte zijn agressie westwaarts, op Utrecht en Holland.

 

Simon Fokke maakte rond 1750 een reeks prenten ten behoeve van de 21-delige reeks boeken van Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie. Een had betrekking op de plundering van Den Haag door Maarten van Rossum. (Rijksmuseum)

Simon Fokke maakte rond 1750 een reeks prenten ten behoeve van de 21-delige reeks boeken van Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie. Een had betrekking op de plundering van Den Haag door Maarten van Rossum. (Rijksmuseum)

Zwarte Maarten

De hertog benoemde Maarten van Rossum tot zijn veldmaarschalk, waarmee deze het opperbevel over alle Gelderse troepen kreeg. Een van zijn eerste opdrachten was om een strafexpeditie in Holland uit te voeren. Mede geprikkeld door de belofte dat het tiende gedeelte van alles wat op de vijand veroverd werd hem ten deel zou vallen, voerde Maarten van Rossum deze opdracht zeer nauwgezet uit. Een van de meest gewaagde onderdelen van zijn strijdplan was de volkomen onverwachte overval op Den Haag. Op 5 maart 1528 viel hij met zijn legermacht Den Haag aan. Na zijn intocht volgden twee dagen grondige plundering, waarbij overigens Buitenhof en Binnenhof werden gespaard.
Met deze actie, door een vooraanstaand historicus ‘een verbluffend maar volstrekt nutteloos huzarenstuk’ genoemd, vestigde Maarten van Rossum definitief zijn geuzennaam: ‘Zwarte Maarten’. Maar in zekere zin was de overval op Den Haag, waarbij en passant ook het Gooiland geplunderd werd, een stuiptrekking van de zieltogende macht van de Gelderse hertog.
Voor de doorgaans zo zuinige Hollandse regenten was de maat vol. Ze trokken de beurs en in nauwe samenwerking met de Bourgondische Habsburgers werd een leger op de been gebracht om een einde te maken aan de Gelderse bemoeienissen met Nedersticht (ongeveer de huidige provincie Utrecht) en Oversticht (grofweg de huidige provincies Overijssel en Drenthe). Tegen deze overmacht konden de Geldersen niet op. De hertog was in oktober 1528 gedwongen de Vrede van Gorkum te tekenen. Hierin werd hij erkend als hertog van Gelre, graaf van Zutphen en heer van Groningen, Drenthe en Coevorden maar zag hij af van alle andere aanspraken. Adder onder het gras: mocht Karel kinderloos overlijden, dan zou Gelre toevallen aan de landsheer Karel V.
Maarten van Rossum, een van de ondertekenaars, werd belast met de vervelende opdracht om de Franse koning uit te leggen waarom zijn bondgenoot hem in de steek liet. Maar Frankrijk en Gelre vonden elkaar weer toen duidelijk werd dat Karel van Gelre geen wettige nakomelingen zou verwekken en hij het verdrag in 1534 eenzijdig opzegde. Na de dood van de hertog, vier jaar later, gingen zijn rechten over aan Willem V, hertog van Kleef en Gulik. Ook deze knoopte nauwe banden aan met koning Frans I van Frankrijk. Maarten van Rossum, die in het voorbije decennium veelvuldig hand- en spandiensten voor zijn broodheer in de noordelijke gebieden had verricht, zwoer trouw aan de nieuwe hertog van Gelre.

 

Een met de hand ingekleurde houtsnede van een ruiterportret van Maarten van Rossum. Cornelis Anthonisz maakte deze prent rond 1540 (in ieder geval vóór 1542). Het openingsbeeld is hiervan een detail. (Rijksmuseum)

Een met de hand ingekleurde houtsnede van een ruiterportret van Maarten van Rossum. Cornelis Anthonisz maakte deze prent rond 1540 (in ieder geval vóór 1542). Het openingsbeeld is hiervan een detail. (Rijksmuseum)

Snaphaan op plundertocht

Toen Karel V in augustus 1541 druk was met een strafexpeditie tegen de piraten van Algiers, zag de Franse koning Frans I zijn kans schoon en sloot een pact met de Deense koning Christiaan III en de hertog van Gelre. In opdracht van de Franse koning wierf Van Rossum troepen om de noordelijke gebiedsdelen van het rijk van Karel V te terroriseren. De huurlingen stonden in de rij omdat zij wisten dat hun tijdelijke broodheer met brandschattingen en plundertochten goed voor hen zorgde. Bij het begin van het campagneseizoen beschikte hij over achttien stukken geschut en een troepenmacht van 2.000 ruiters en 14.000 voetsoldaten. Om zijn ware bedoelingen te maskeren, verkondigde hij dat hij deze hulptroepen geworven had om Karel V te ondersteunen bij zijn kruistocht tegen de Turken. Daarvoor was hun wapenkleding van een groot kruis voorzien.
Maar spionnen hadden de ware bedoelingen van de Geldersen – minachtend ‘snaphanen’ genoemd – al lang en breed achterhaald. In grote haast werden verdedigingen op orde gebracht. Zo mobiliseerde Den Bosch de hele bevolking om de gracht rond de stadsmuren uit de diepen en werden snel in Utrecht twee flinke vuurmonden besteld. Zelfs de schepenen gingen rond om schroot in te zamelen dat dienst moest doen als munitie: ‘coeperen gebroeken potte, kethelen ende ander stoff ofte inde plaetse van dien eenen penninck’.

 

Maarten van Rossum, houtsnede van Cornelis Anthonisz. Deze prent, voorzien van tekst over zijn kwalijke praktijken, verscheen naar aanleiding van de aanslag op Antwerpen in 1542. Herman Pleij beschreef deze prent als volgt: ‘een gedrongen, vierkante man zonder nek, met brandende ogen en borstelige wenkbrauwen. Tegen dat hoekige lijf houdt hij een wijde mantel geklemd, waardoor niemand kan zien wat hij allemaal te verbergen heeft. Zo zien verraderlijke usurpatoren eruit.’ (Rijksmuseum)

Maarten van Rossum, houtsnede van Cornelis Anthonisz. Deze prent, voorzien van tekst over zijn kwalijke praktijken, verscheen naar aanleiding van de aanslag op Antwerpen in 1542. Herman Pleij beschreef deze prent als volgt: ‘een gedrongen, vierkante man zonder nek, met brandende ogen en borstelige wenkbrauwen. Tegen dat hoekige lijf houdt hij een wijde mantel geklemd, waardoor niemand kan zien wat hij allemaal te verbergen heeft. Zo zien verraderlijke usurpatoren eruit.’ (Rijksmuseum)

Gelderse Attila

Vijf dagen nadat Maarten van Rossum op 20 juli de Maas bij Ravenstein was overgestoken, hield hij halt voor de poorten van Den Bosch. In brutale overmoed eiste hij de stad op, maar bij wijze van antwoord schoten de Bossenaren zijn heraut neer voor de Vughterpoort. De Gelderse legeroverste gunde zich niet de tijd voor een tijdrovende belegering en trok verder. Hij had een belangrijker missie: de rijke havenstad Antwerpen. Op weg daar naartoe liet hij op het Brabantse platteland een spoor van rokende puinhopen achter. Geen wonder dat hij hier ‘de Gelderse Attila’ genoemd werd.
Maar ook in Antwerpen werd zijn komst verwacht en tot anderhalve kilometer rond de stad werden de landerijen onder water gezet. De stad werd afgegrendeld. Het gerucht werd verspreid dat Maarten van Rossum twee maanden eerder in cognito tijdens de paardenmarkt de Scheldestad had bezocht om binnen de stadsmuren verblijvende handlangers te werven. De angst voor deze ‘vijfde colonne’ was zo groot dat enkele verdachten op het schavot terechtgesteld werden en ongeveer duizend personen met Gelderse antecedenten zonder pardon de stad werden uitgezet. De angst zat er dus goed in.
De schrik werd nog groter toen het bericht de stad bereikte dat bij Brasschaat het legertje onder leiding van René van Châlons, de Prins van Oranje, in de pan was gehakt. Deze was vanuit Breda naar Antwerpen onderweg in een poging om Maarten van Rossum de pas af te snijden. De Gelderse legeraanvoerder had deze manoeuvre tijdig door. Omdat hij een confrontatie in het open en vlakke veld niet aandurfde, paste hij een tactische noviteit toe. Hij liet tijdens de nachtelijke uren zijn soldaten op hun buik, als slangen, door het struikgewas naar een geheel andere plek schuiven. Dit ‘tijgeren’ werd als bijzonder oneervol struikrovergedrag beschouwd. Maar het effect was er niet minder om: de Prins van Oranje en de zijnen werden volkomen verrast en slechts een klein deel wist het vege lijf te redden.

 

Kasteel Cannenburch, in 1543 aangekocht door Maarten van Rossum.

Kasteel Cannenburch, in 1543 aangekocht door Maarten van Rossum.

Dat ‘het eerste gewin, maar kattengespin’ is, bleek snel. Van Rossum beschikte over te weinig kanonnen om Antwerpen met succes te kunnen belegeren. Toen hem duidelijk was geworden dat hij niet op hulp van binnenuit hoefde te rekenen, trok hij weer verder. Dit keer was Leuven zijn volgende halteplaats. Ook voordat deze stad zich had overgegeven, vervolgde hij zijn plundertocht. De daaropvolgende maanden was hij, nadat hij zich had aangesloten bij de Franse troepen, vooral in de provincie Luxemburg actief.
In het voorjaar van 1543 was Van Rossum weer terug in Gelre om andermaal voor zijn broodheer, de hertog, dood en verderf te zaaien. Hij belegerde (zonder succes) Heinsberg, brandschatte Culemborg, Vianen en Heusden en veroverde en plunderde Amersfoort. Daarna was de Meierij van Den Bosch opnieuw aan de beurt. Voor keizer Karel V was de maat vol. Met een grote troepenmacht trok hij noordwaarts, bezette een groot deel van het hertogdom Gelre en dwong hertog Willem tot overgave. In het kort daarna, mede door Maarten van Rossum, ondertekende Verdrag van Venlo viel voor het hertogdom Gelre het doek definitief. Dit laatste zelfstandige der Nederlandse gewesten moest Karel V als landsheer erkennen, waarmee feitelijk de eenwording van de Nederlandse gewesten was voltooid.
(Cor van der Heijden)

Lees de andere helft van dit artikel, en meer bijdragen over het riddertijdperk, in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder