Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Voor God en Vaderland

02 maart 2016 Siebrand Krul

Een spionerende pater tijdens zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog die tussendoor in China de strijd aanbindt met roversbendes: het zou een ideaal uitgangspunt kunnen zijn voor een spannende oorlogsroman. Het leven van Joseph Raskin omvat echter meer dan dat: het is een waar gebeurd verhaal van een man die vastberaden in God geloofde en onverschrokken tegen de vijand ten strijde trok. Je zou voor minder een standbeeld verdienen.

De in Stevoort (nabij Hasselt) geboren Joseph Marie Raskin (1892-1943) ging op zijn zeventiende theologie studeren bij de congregatie van de missionarissen van Scheut, met de bedoeling om later priester en Chinapater te worden. Toen hij op 31 juli 1914 onder de wapens werd geroepen reageerde Raskin uitbundig: ‘Hoera! Vooruit, en snel, voor God en Vaderland!’.
Raskin kwam terecht in het krijgshospitaal van Beverlo (nabij Leopoldsburg in Belgisch Limburg) waar hij als brancardier werd aangesteld. Op een dag in september, toen hij op weg was naar een familiebezoek, werd hij door een Duitse patrouille staande gehouden. Blijkbaar wekte Raskins houding achterdocht bij de Duitsers want hij werd aangehouden en kwam in Sint-Truiden in een cel terecht. Na een urenlange ondervraging luidde het verdict dat hij erschossen moest worden. Het doodsvonnis zou worden uitgevoerd in de Chartreuse, het Luikse fort dat inmiddels tot gevangenis was omgebouwd. Raskin werd in een legervoertuig naar de plaats van executie gevoerd. Onderweg slaagde hij er in om zijn dossier naar buiten te werpen. Gevolg: de ter dood veroordeelde bleek bij aankomst in het fort niet over een dossier te beschikken waardoor zijn executie uitgesteld werd. In afwachting belandde Raskin als hulpje in de gevangeniskeuken. Bij de eerste gelegenheid die zich voordeed ontsnapte hij door zich in een kar van een boterhandelaar onder het hooi te verstoppen. Met valse papieren bereikte hij via Nederland de Engelse hoofdstad. Begin 1915 was Raskin waar hij wilde zijn: achter de IJzer, opnieuw als brancardier in dienst bij het Belgische leger.

 

De Chartreuse, het Luikse fort dat in WO I diende als gevangenis waar Raskin zou geëxecuteerd worden.

De Chartreuse, het Luikse fort dat in WO I diende als gevangenis waar Raskin zou geëxecuteerd worden.

De aarde vliegt van de kogels
Het was in die tijd een ongeschreven legerwet dat de hoogste rangen het verst verwijderd bleven van het vijandelijk vuur. Als brancardier bevond Raskin zich meermaals daar waar de strijd het hevigst was en de meeste gewonden vielen. Hij noteert: ‘’n Dodelijk gekwetste wordt in de eerste lijn gesignaleerd. Vliegen, Verdonck en ik zullen hem gaan halen. Ik draag de berrie. Tot vijfmaal toe moeten we ons plat op onze buik laten vallen. Vanuit een mitrailleursnest bestrijkt de vijand de hele lichtplek waar wij ons middenin bevinden. Op mijn beide handen vliegt de aarde van de kogels die naast mij in de grond terecht komen. Onze gekwetste heeft een stuk obus in de rug. Wij hebben hem uit die hel tot in de hulppost kunnen dragen’. Voor hun durf en doorzettingsvermogen kregen de drie mannen later het ‘Oorlogskruis-met-palm’ opgespeld.
Op 30 april 1915 bevindt hij zich, tezamen met twee andere soldaten, in een uitkijkpost.

 

Raskin leert Chinees. (©Raskin)

Raskin leert Chinees. (©Raskin)

In zijn dagboek lezen we: ‘Rond de vieren lossen de twee anderen mij af en slaap ik door tot 9 uur. Ik maak dan 3 tekenschetsen van de vijandelijke stellingen. Daartoe moet ik tot in een vooruitgeschoven abri kruipen, als opeens een dertigtal kogels rond mijn oren suizen. Mijn 2 maten beantwoorden het vuur en ik verduidelijk mijn tekeningen in volle gerustheid.’ Zijn koelbloedig observatievermogen trekt de aandacht van de legerleiding die hem voorstelt om de Duitse voorposten, vaak verlaten boerderijen en kastelen, in kaart te brengen. Gewapend met pen, papier en een sterk visueel geheugen verkent hij het frontgebied. Hij maakt schetsen die hij nadien verder uitwerkt en waaraan hij begeleidende notities toevoegt. Later zou zijn toenmalige luitenant hierover schrijven: ‘Wat me nog het levendigst voorstaat is een van de eerste schetsen die Joseph maakte van de vijandelijke stellingen. Ik kende die sector op mijn duimpje, maar Joseph had zo natuurgetrouw getekend en zoveel details en belangrijke elementen – welke ikzelf nooit had opgemerkt – weten op te brengen dat ik werkelijk verbluft stond en er aanstonds mee naar onze kapitein vloog. Deze zond het met spoedbestelling naar de majoor, de kolonel, enzovoort, en nog dezelfde dag schoot onze artillerie de schijnbaar verlaten schuilhokken plat, tot groot vermaak van de piotten.’

 

Te paard in de bergen van Binnen-Mongolië. (©Raskin)

Te paard in de bergen van Binnen-Mongolië. (©Raskin)

‘Janvermille!’
Vanaf dat moment schiet de reputatie van brancardier-verkenner Raskin als een pijl de hoogte in. Hij wordt toegevoegd aan de ‘Etat-Major’ van de Derde Divisie. De volgende maanden kruipt Raskin opnieuw door het niemandsland om vijandelijke stellingen te observeren. Meermaals belandt hij in hallucinante situaties. In zijn notities lezen we daarover: ‘Plots komt er echter een dikke mist op. Ik maak van de nood een deugd en spring in een schuitje om een verder gelegen eiland te gaan bespieden. Maar zo plots de mist gevallen is, zo plots klaart hij weer op. De Duitsers bemerken mij en schieten twee kogels af. Ik laat me rats vallen als dodelijk geraakt en kruip, slechts een uur later, met gescheurde broek en heel behoedzaam, langs de dijk terug omhoog.’ In mei 1915 zit hij, in het door de Duitse voorposten gecontroleerde gebied, drie dagen lang zonder eten en drinken opgesloten in een verlaten meelfabriek. ‘Janvermille! Janvermille! Ik geraakte er niet meer uit. Uitgehongerd en ten einde krachten, heb ik alles op alles gezet. Driemaal een krachtige, vlugge en onvoorziene sprong en ik was terug op eigen grond, door onze eerste loopgracht beschut.’ Paniek, angst, twijfel: het zijn woorden die in Raskins vocabularium niet terug te vinden zijn. Zijn eeuwig optimisme, zijn gedrevenheid en vooral zijn onwankelbaar geloof in God zijn de fundamenten van zijn niet aflatende ijver om het vaderland te dienen.

Amateurdokter en krijgsheer
Na het einde van WO I hervatte Joseph Raskin zijn theologiestudies. Op 2 februari 1920 werd hij tot priester gewijd en kon hij zijn grote droom waarmaken: missionaris worden in China. Eind 1920 reisde hij af naar Binnen-Mongolië. In het bergachtige gebied bevonden zich verschillende armtierige dorpjes waar de Scheutisten al sinds 1865 missieposten hadden gevestigd. Raskin leerde de taal spreken en schrijven en werd als leraar aangesteld. Helemaal eigen aan zijn temperament vatte hij zijn missietaak ruim op. Naast missionaris, dorpspriester en leraar, ontpopte de gewezen brancardier uit de Eerste Wereldoorlog er zich ook als amateur-dokter. Zijn ‘kennis’ om zieken te behandelen deed mensen uit de omstreken toestromen. Priester Raskin was op de duur meer bezig met spreekuur geven dan dat hij in de biechtstoel zat om voor het zielenheil van de dorpelingen te zorgen.

De burgeroorlog tussen de nationalisten van Chiang Kai-Shek en de communisten van Mao Zedong die vanaf 1927 losbrak, zorgde voor veel onrust in China. Tot overmaat van ramp vielen ook de Japanners het land binnen. Deserterende soldaten, bandieten en vrijbuiters verenigden zich in bendes. Regelmatig vielen ze dorpen gewapenderhand aan. Het was dan ook niet meer dan normaal dat de inwoners zichzelf bewapenden om aan deze bendes weerstand te bieden. Hoe ze op een effectieve manier met die wapens moesten omgaan was echter een andere zaak. Daarvoor was het meegenomen dat er zich een oud-strijder als Joseph Raskin onder hen bevond. Zijn tactiek was eenvoudig: rovers moesten zo erg afgeschrikt worden dat ze een omweg maakten en het dorp met rust lieten. Tussen mis, les, biecht en dokterspraktijk ontwierp hij een ‘plan de defense’. Raskin installeerde wachtposten op de uithoeken en zette verkenners in om bendes die hun richting uitkwamen tijdig te signaleren. Een ander initiatief van hem betrof het ‘sein-plan’. Op twee zorgvuldig uitgekozen hoogten plaatste hij mannen met lichtbakens die voorzien waren van luiken om kort en lang te kunnen seinen, zodat men in het dorp tijdig tot actie kon overgaan. Soms gebeurde het dat de dorpsoversten, met Raskin als raadsman, tot onderhandelen verplicht werden. Maar evenzeer maakt Raskin in zijn dagboek melding van een schietgevecht dat tot anderhalf uur duurde. De aanvallers sloegen uiteindelijk op de vlucht toen bleek dat hun munitie opgebruikt raakte.
In 1933 werd missionaris Raskin, zeer tot zijn spijt, door zijn congregatie naar België teruggeroepen. Hij zou nimmer nog naar China terugkeren.

 

Wijnendale 27 mei 1940: Joseph Raskin (l.) in gesprek met Leopold III. De dag nadien zou de koning tot de capitulatie van België. (©Raskin)

Wijnendale 27 mei 1940: Joseph Raskin (l.) in gesprek met Leopold III. De dag nadien zou de koning tot de capitulatie van België. (©Raskin)

 

Dramatiek rond Leopold III
Terug in België kreeg hij een kamer in het moederhuis van Scheut aan de buitenrand van Brussel. Joseph Raskin werd propagandist voor de congregatie en trok het land rond om lezingen te geven. Het werd zijn taak om geld in te zamelen voor de missiewerken en om jonge mensen warm te maken voor de christelijke stiel.
Door de tweede Duitse inval in België (10 mei 1940) belandde Raskin opnieuw in het Belgische leger, ditmaal als aalmoezenier. Hij was zijdelings getuige van één der meest dramatische gebeurtenissen in de Belgische geschiedenis. In de vroege morgen van 25 mei 1940 kwam het op het kasteel van Wijnendale (nabij Torhout) tot een breuk tussen koning Leopold III en zijn regering. Terwijl de ministers nog dezelfde morgen naar Londen vluchtten, bleef de koning in Wijnendale achter. De volgende dag werd aalmoezenier Raskin, die in een nabijgelegen hospitaal actief was, door de koninklijke entourage naar het kasteel ontboden. Hij nam er de biecht af en droeg in de kapel de mis op in aanwezigheid van de koninklijke familie. Twee dagen later besloot Leopold III tot de capitulatie van het Belgische leger.

 

Een bericht van 5.000 woorden en veertien bijhorende schetsen werd op filterdunne blaadjes genoteerd. Heel fijntjes opgerold pasten die perfect in een minuscuul duivenkokertje. (©Raskin)

Een bericht van 5.000 woorden en veertien bijhorende schetsen werd op filterdunne blaadjes genoteerd. Heel fijntjes opgerold pasten die perfect in een minuscuul duivenkokertje. (©Raskin)

Op 6 juli 1941 dwarrelde in de buurt van Lichtervelde een rieten mandje aan een parachute naar beneden. Er in bevonden zich een postduif en een bericht van de Britse Inlichtingendienst met de vraag naar informatie over Duitse legerbases in West-Vlaanderen. Het mandje kwam in de handen van de broers Debaillie, goede vrienden van Joseph Raskin. Samen met de pater besloten ze om een verzetsgroep op die richten die ze ‘Leopold Vindictive 200’ noemden. De mannen gingen onmiddellijk aan de slag. Enkele dagen later al doopte Raskin zijn fijnste pennetje in Chinese inkt en noteerde in miniatuurschrift op filterdunne blaadjes (die tezamen een lengte van drie meter bereikten) informatie over troepenbewegingen, munitieopslagplaatsen en Duitse hoofdkwartieren in de omgeving van het kustgebied. Op het einde van hun bericht gaven ze aanwijzingen waar en wanneer de volgende postduiven konden gedropt worden. Op zondag 13 juli 1941 werd de duif losgelaten. De volgende dag meldde BBC-Radio: ‘Leopold Vindictive 200, de sleutel past op het slot en de vogel zit in de leeuwenkooi’. Korte tijd nadien vernamen ze dat een Duitse kampplaats in de buurt van Wijnendale succesvol was gebombardeerd door Engelse vliegtuigen. Hoogstwaarschijnlijk waren de aanwijzingen die ze enkele dagen tevoren met de postduif hadden verstuurd daarbij goed van pas gekomen.

Kleine strijd tegen de grote bezetter
De volgende uitdaging die ze zichzelf oplegden was om de Belgische kustlijn van De Panne tot Knokke, 67 km lang, in kaart te brengen met vermelding van gecamoufleerde bunkers, wapendepots, uitkijkposten enz. Op zijn kamertje in Scheut ordende Raskin zorgvuldig al de verzamelde informatie. Het resultaat moet verbluffend professioneel geweest zijn. Toen hij de getekende kaart van de Belgische kustlijn aan een vriend toonde, dacht die dat het de originele Duitse plannen waren die hij onder ogen kreeg. ‘Alle versterkingen en hindernissen, alle bunkers en loopgraven, de nivellering van het terrein stonden erop, getekend op schaal in de kleuren van de militaire code.’ Hij zette alles op microfilm waarna het kostbare materiaal een tijdelijk onderkomen vond in de holte van het Mariabeeld dat zijn werktafel sierde.

 

De gebroeders Debaillie (met hun twee zussen en derde broer) waren zich van geen kwaad bewust. Fier poseren ze hier kort voor het moment dat de postduif richting Engeland wordt losgelaten. Op het bord staan aankomst- en vertrekdatum van de duif genoteerd. In handen van de Duitsers zou deze foto zonder meer hun doodsvonnis hebben betekend. (©Raskin)

De gebroeders Debaillie (met hun twee zussen en derde broer) waren zich van geen kwaad bewust. Fier poseren ze hier kort voor het moment dat de postduif richting Engeland wordt losgelaten. Op het bord staan aankomst- en vertrekdatum van de duif genoteerd. In handen van de Duitsers zou deze foto zonder meer hun doodsvonnis hebben betekend. (©Raskin)

Ondertussen werd Raskin ook binnen andere verzetsbewegingen actief. Hij bezorgde Joodse families een veilig onderkomen en was betrokken bij het afluisteren en vertalen van Duitse radioberichten. In verzetskringen kwam zijn naam almaar meer over de lippen. Hijzelf was zich ongetwijfeld bewust van het gevaar dat dit inhield. Maar zoals Joseph Raskin zich tijdens WO I en zijn missionaristijd nooit door gevaar had laten tegenhouden, zo ging hij ook nu onverdroten verder met zijn eigen ‘kleine strijd’ tegen de Duitse bezetter.

 

April 1942: Joseph Raskin enkele dagen voor zijn arrestatie. (©Raskin)

April 1942: Joseph Raskin enkele dagen voor zijn arrestatie. (©Raskin)

Op vrijdag 1 mei 1942 werd pater Raskin aan de deur van het huis in Scheut door de Gestapo gearresteerd en naar de gevangenis van Sint-Gillis overgebracht. ‘Rond 1/2 10 plots door Duitsche Politie gevangen genomen. Ave Maria.’ Veel meer staat er niet te lezen in zijn notitieboekje dat na de oorlog uit Duitsland werd terugbezorgd.
Joseph Raskin zou tussen mei 1942 en augustus 1943 in Duitsland verschillende keren van gevangenis veranderen (Brauweiler, Bochum, Wuppertal, Esterwegen). Op 31 augustus 1943 stond hij voor het ‘Opperste Volksgericht’ terecht. De slotzin van zijn verdediging luidde: ‘Im Gewissen und vor Gott habe ich meine Pflicht getan’. Een dag later werd hij zevenmaal veroordeeld wegens ‘fanatiek vijandige houding tegenover Duitsland’. Te Dortmund op 18 oktober 1943, op weg naar de guillotine, reciteerde hij luidop het Magnificat. Precies om 18.43 uur viel de bijl.
(Raymond Van Haelst)
Dit artikel verscheen eerder -in een langere versie- in ‘Wereld in oorlog’.

(Openingsbeeld: Brancardiers aan de IJzer.)

De bewaard gebleven schetsen die Joseph Raskin aan het IJzerfront maakte worden tot 3 mei 2016 tentoongesteld in het stedelijk museum van Aarschot en van 7 mei tot 19 juni 2016 in ‘Het Stadsmus’ te Hasselt onder de titel: ‘Vijandige Vergezichten’. Fotograaf Patrick Lagrou ging op zoek naar de precieze plaatsen waar Raskin destijds zijn schetsen maakte. Lagrous foto’s tonen de ‘vijandige vergezichten’ van toen als stille en vredige landschappen vandaag.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder