Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Snuiven, pruimen en roken

30 november 2015 Siebrand Krul

Nog niet zo lang geleden toonde reclame dat het gebruik van tabak stoer en avontuurlijk was, dat ze zelfs sociale contacten stimuleerde. In de 21ste eeuw wordt niet langer betwist dat mensen die tabak roken of pruimen fatale gezondheidsrisico’s lopen: sigarettenpakjes zijn voorzien van gruwelteksten. In een eeuw tijd is roken van een algemeen aanvaard gebruik gedegradeerd tot een ziekelijke, ongezonde en asociale verslaving.

De tabaksplant werd ontdekt door de Spaanse conquistadores bij hun exploratie van Latijns-Amerika. Columbus schreef op 15 oktober 1492 in zijn dagboek dat hij enkele dagen daarvoor gedroogde bladeren – tabak – ten geschenke had gekregen. Bij zijn tweede Amerikareis nam monnik Ramon Pane de moeite om het ritueel gebruik van het roken en kauwen van gedroogde tabaksbladeren te beschrijven. Die lokale gewoonte werd snel door de Europeanen overgenomen. De commerciële teelt startte in 1531 op het eiland Santo Domingo. Net zoals met aardappel- en tomatenplanten werd de tabaksplant in Europa als sierplant verspreid vanaf 1520. Het gebruik van tabak in Europa kwam er dankzij de Franse ambassadeur in Portugal, Jean Nicot de Villemain, die in 1561 fijngestampte tabaksbladeren aan koningin Catherina de Medici bezorgde. Het snuiven van tabak verlichtte de migraine waarvan de Franse koningin geregeld last had. Snuiftabak werd door het koninklijk gebruik een adellijke mode. Tabak of ‘cruydttaback’ zoals Dodoens beschreef, begon aan een langzame opmars als medicijn. Aangezien tabak oorspronkelijk door ongelovigen werd gebruikt en bijzondere opwekkende bijwerkingen had, klasseerde de kerk het gebruik van tabak in 1590 als satanisch en dus verboden op straffe van excommunicatie. Het pauselijk edict van Urbanus VII werd pas in 1725 opgeheven onder paus Benedictus XIII, die zelf een fervent tabaksgebruiker was. Ook protestantse regenten verweerden zich tegen de opkomst en het gebruik van tabak, tevergeefs.

Tabaksteelt en nijverheid nabij Amersfoort.

Tabaksteelt en nijverheid nabij Amersfoort.

Amerikaanse tabak

De strijd tussen Engeland en Spanje tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd ook met tabak uitgevochten. In 1614 ordonneerde koning Filips III dat de import van tabak voor heel Europa via de Spaanse haven van Sevilla moest gebeuren. De Franse en Britse vorsten reageerden geprikkeld en stimuleerden de teelt van tabak in hun Amerikaanse kolonies. Zo ontwikkelde de tabaksplant zich uitstekend in Virginia en overspoelde in de 17de eeuw West-Europa. Pijprokers, waaronder vrouwen en kinderen, schakelden massaal over van inheemse kruidenmengsels naar de veel straffere tabak. De handelaars in het Schotse Glasgow profiteerden maximaal van de goede verbindingen met de Britse kolonies in Noord-Amerika en met een uitgebreid Europees netwerk waarlangs tabak verder werd verhandeld. Via Nederlandse havens werd Amerikaanse tabak naar andere landen, zoals Frankrijk, gebracht wat fraude, smokkel en zelfs militair geweld veroorzaakte.

Nabij Poperinge, in het oorlogsgebied, proberen vrouwen wat bij te verdienen tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Nabij Poperinge, in het oorlogsgebied, proberen vrouwen wat bij te verdienen tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Tabaksmuseum Wervik)

Massaal aan de pijp

Koning James I van Engeland, alhoewel rabiaat tegen roken gekant, zag ook de fiscale mogelijkheden en liet vanaf 1604 belastingen heffen op de tabakshandel. De Franse kardinaal Richelieu liet vanaf 1629 een tabakstaks innen in de aanloop naar weer een nieuwe oorlog. Maar vooral zijn opvolger Colbert haalde de Franse koning Lodewijk XIV over om van de winstgevende tabakshandel in 1674 een staatsregie te maken. Vanaf 1681 bepaalde de Franse staat via de Compagnie des Indes de productie en de verkoopsprijs van tabak.

Tabak-wb-4
In het kielzog van de Franse Revolutie besliste de Assemblée Nationale in 1791 dat elke burger het recht had om tabak te kweken, te verwerken en te verkopen. De continentale blokkade en het Continentaal Stelsel zorgden ervoor dat keizer Napoleon het staatsmonopolie op tabaksteelt opnieuw instelde. Verspreid over het keizerrijk werd tabak verwerkt in keizerlijke tabaksfabrieken, zoals in Amsterdam. Het Continentaal Stelsel remde de invoer en de verspreiding van de sigaar af. De nederlaag van Napoleon zag in 1814 ook de afschaffing van het overheidsmonopolie op tabak in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Een extra stimulans voor de Europese tabaksteelt kwam door het wegvallen van de import van Amerikaanse tabak tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865). Na 1875 overspoelde goedkope Noord-Amerikaanse en Cubaanse tabak Europa opnieuw. De tabaksteelt kromp, maar hield toch stand. Tegelijkertijd was ook de Belgische overheid wakker geworden om de fiscaliteit aan te passen. Het verbouwen en verwerken van tabak werd vanaf 1879 aan een bijkomende accijnsheffing onderworpen. Die belasting werd in 1896 van de planter overgeheveld naar de koper. Nederland voerde pas in 1922 een tabaksaccijns in.

Snuiftabak met pepermuntsmaak. Reclame van Deynze VDC.

Snuiftabak met pepermuntsmaak. Reclame van Deynze VDC.

Belgische tabak

Reeds in de 18de eeuw was tabak een nijverheidsgewas in bepaalde gebieden in Vlaanderen. In 1757 kregen Louis Fockedey en Joseph Chanteau een octrooi om tabak in Poperinge te verwerken. Eind 18de eeuw had Charles van Duyfhuys daar de grootste tabaksfabriek, die met vijf arbeiders 12.000 pond tabak verwerkte. Het maken van sigaren met de hand was hun belangrijkste activiteit. Ook in de grensgemeenten Roesbrugge, Waasten en Wervik werden sigaren gedraaid. De Franse markt met zijn duurdere belastingregeling op tabaksproducten vroeg om buitenlandse bevoorrading via een alternatief smokkelcircuit. Blauwers, smokkelaars die tabak van Vlaanderen naar Frankrijk brachten, hadden er een goede verdienste aan.
In Vlaanderen werd verder tabak geteeld in de regio Geraardsbergen. In Wallonië was dat vooral in de valleien van de Haine in Henegouwen en de Semois (Namen en Luxemburg). De Belgische productie bedroeg in 1902 een 8.000 ton. De Waalse tabak werd vooral verwerkt tot pijptabak, de Wervikse was het best geschikt voor pruimtabak. Daarvoor worden alleen de tabaksbladeren geoogst. Ze werden eerst gedroogd in open lucht en nadien in een eest of droogoven, waardoor de tabak nog donkerder en zwaarder wordt, ideaal om te verwerken tot pruimtabak. Het tekort aan lokale tabak voor pruimtabak werd opgevuld met tabak uit de Amerikaanse staten Kentucky en Virginia. Deze kauwtabak kreeg bij de bewerking – het sausen – aroma’s van tamarinde en vooral van pruimen toegevoegd.

Tabak-wb-6

Thuisarbeid

In 1902 werd zo’n 9.000 ton tabak in België geïmporteerd, voornamelijk via de haven van Antwerpen. De Tabaksnatie loste er als gespecialiseerde natie (goederenbehandelaar in de haven) tabak afkomstig uit de Filippijnen, Nederlands-Indië, Noord-, Centraal- en Zuid-Amerika, Algerije, Turkije, Griekenland, Hongarije én Nederland. Die tabak ging naar 1.350 geregistreerde tabakverwerkende bedrijfjes die een 10.500 arbeidskrachten tewerkstelden, voor het grootste deel vrouwen. Het strippen van tabak werd, in Vlaanderen en in Nederland, ook aan goedkopere thuisarbeidsters uitbesteed. De Nederlandse tabak werd verwerkt in goedkope sigaren. De tabak van andere landen werd gebruikt voor sigaren van betere kwaliteit. Sigaren werden geproduceerd in ateliers in Luik, Antwerpen, Brussel, Gent, Leuven, Brugge, Turnhout, Sint-Niklaas, Geraardsbergen en Bree.
Een 200.000 kilogram sigaren werd geëxporteerd naar de buurlanden, Zweden, Zwitserland, Australië, Brazilië en Algerije. De import van sigaren in België kwam vooral uit de Verenigde Staten, Cuba, Duitsland en Nederland. Sommige sigarenfabrikanten speelden in op de verschillende accijnsvoeten en de meest gesmaakte lokale sigarenvariant en openden ateliers in zowel België als in Nederland. De Sint-Niklase fabrikant Mignot & De Block had om deze redenen sinds 1858 een atelier in Eindhoven.

Rokende jongen, uit het verhaal van Beatrijs Jungman. Rokende kinderen waren lange tijd geen ongewoon verschijnsel.

Rokende jongen, uit het verhaal van Beatrijs Jungman. Rokende kinderen waren lange tijd geen ongewoon verschijnsel.

Pijp en sigaar

De Nederlandse tabaksteelt begon in het Utrechtse Amersfoort. De bierindustrie was in een recessie, overschakelen op tabaksteelt leek een mooi alternatief. Eind 17de eeuw waren er reeds 200 telers actief, met de families Cohen en Italiaander als toonaangevende telers en handelaars. De Amersfoortse tabak bleek, dankzij de warme zuidhellingen van de Utrechtse Heuvelrug, van goede kwaliteit voor pijprokers en tabakpruimers, maar bovenal voor snuiftabak. In de 18de eeuw werd ook tabak geteeld in Gelderland en Overijssel. In de 19de eeuw verschoof de verwerking van inheemse en geïmporteerde tabak naar Noord-Brabant. De combinatie van lage lonen en verbeterde transportmogelijkheden via kanalen en vooral de spoorwegen maakte het, zoals in Vlaanderen, interessant om er arbeidsintensieve tabaksfabriekjes op te starten. Een van de eerste sigarenfabrieken in Nederland was die van de Duitser Lehmkuhl in Kampen in 1826. Naast Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Valkenswaard, Culemborg en Veenendaal werd vooral Eindhoven een belangrijke productieplaats, eerst voor snuiftabak, nadien voor sigaren. Een van de spelers was de ‘Tabaksunie’. Frederik Philips, die op basis van Amerikaanse patenten machines had laten maken om mechanisch sigaren te produceren, begon ook tabak te telen. Met de winsten van de tabaksteelt en sigarenproductie investeerde de familie in de opstart van de lampenfabriek van Gerard Philips in 1891.
De Nederlandse sigaren werden niet met inheemse tabak gedraaid, wel met Latijns-Amerikaanse en Indonesische. De tabaksplantages op Sumatra, Java en Borneo produceerden lichtere tabaksvariëteiten die zorgden voor ‘een toonladder van nuances’ in de sigaar. In 1939 telde Nederland 2.173 tabakverwerkende bedrijven (sigaren, sigaretten en kerftabak (pijp-, pruim- en roltabak of shag), waar 31.711 arbeidskrachten werk vonden. De Tweede Wereldoorlog en nadien de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië zorgden voor een terugval. In 1959 kreeg de Nederlandse tabaksteelt de doodsteek door een schimmelziekte.

Kinderen die rookten trokken ook voor 1914 de aandacht van postkaartproducenten, zoals hier te Hamme, België.

Kinderen die rookten
trokken ook voor 1914
de aandacht van postkaartproducenten,
zoals hier te Hamme, België.

Een sigaret voor elk

Sigaretten kwamen voor de wereldoorlogen voornamelijk uit Frankrijk en in mindere mate uit Duitsland, Engeland, Turkije, Roemenië en Egypte. De in België geproduceerde sigaretten werden voornamelijk gemaakt met tabak uit Algerije en Hongarije. Voor betere kwaliteit werd tabak gebruikt uit Turkije, Griekenland en de Amerikaanse staat Virginia. De sigaret begon pas na 1850 aan zijn opmars. De Franse keizer Napoleon III verkoos sigaretten boven sigaren en maakte zo reclame voor deze nieuwigheid. De doorbraak van de sigaret kwam er dankzij de Eerste Wereldoorlog. Vooral in het Britse leger won de sigaret aan populariteit door zijn gebruiksgemak in vergelijking met de aloude pijp. Plannen om tabak te rantsoeneren werden snel opgeborgen omdat het nadelig zou zijn voor het moreel van de troepen en van de arbeiders in de oorlogsindustrie. Roken in het openbaar werd in die oorlogsjaren ook voor vrouwen sociaal aanvaardbaar; snuif maakte plaats voor een sigaret.
(Harry van Royen)

Lees de rest van dit boeiende artikel in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder