Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Zwartrok bij de roodhuiden

21 september 2015 Siebrand Krul

Hij was zoon van een reder, hield van boompje klimmen, van schip tot schip springen (de Schelde stroomde voor het ouderlijk huis in Dendermonde) en droomde van zeereizen. Zijn vader: ‘Hij wordt zeker nog eens soldaat of wereldreiziger. In elk geval zal hij niet bij ons thuis blijven.’ Pieter-Jan De Smet (1801-1873) kon in internaten niet aarden. Het was de tijd van de Napoleontische oorlogen en Pieter-Jan ronselde, elf jaar oud, vriendjes om met stokken ‘de Russen’ (jongens uit een naburig dorp) te lijf te gaan.

Toen hij student was aan het Mechelse bisschoppelijk college, wierf een Jezuïeten-priester kandidaat-missionarissen. Pieter-Jan ging met deze Karel Nerinckx mee naar Noord-Amerika zonder zijn ouders te informeren. Hij reisde met nog zes kandidaten door vijandig protestants Holland en ging ’s nachts heimelijk aan boord van een schip, dat vanaf Texel naar Philadelphia voer. Ze reisden naar een noviciaat in Maryland en na anderhalf jaar door naar Florissant bij St. Louis, waar De Smet een Oyonezen-opperhoofd ontmoette: ‘Hij had de gestalte van een reus. (…) Zijn haar en gezicht was beschilderd met rode kleur. Zijn oren waren doorboord met grote gaten. Twee blikken pijpen in kruisvorm en gevuld met veren in allerlei kleuren hingen bengelend aan zijn hoofd. Hij droeg (…) een broek van hertenleer, en aan zijn knieën hingen staarten van wilde katten…’.

De-Smet-wb-6

Langooropperhoofd ‘Paul’

De protestanten, die ook zieltjes wonnen in Noord-Amerika, waren volgens Pieter-Jan charlatans en fanatiekelingen. Hij werd benoemd tot docent Engels van de katholieke universiteit in St. Louis. Na veertien jaar keerde hij terug naar België en verliet vanwege ziekten de Jezuïetenorde in 1835. Daarna was hij twee jaar directeur van het weeshuis in Dendermonde. Maar in 1836 stapt hij aan boord van pakketboot de Baltimore om missiewerk te gaan verrichten onder indianen. De Smet, een gedrongen, imposante man (1,67 meter lang), met afhangend, vlassig haar, helpt bij Council Bluffs een missiepost oprichten en vrede te stichten tussen Sioux en Potawatomi. Begin 1840 wordt hij met aderlatingen en bloedzuigers behandeld vanwege borstpijn. Na een boottocht op de Missouri reist hij, koortsig, in een karavaan van de American Fur Company westelijk van de Rocky Mountains. Op een tekening wordt de Grote Zwartrok (bijnaam van katholieke geestelijken vanwege hun zwarte soutane) door Plathoofdkrijgers, zittend op een doek, hun nederzetting binnengedragen. Hij doopt opperhoofd Big Face zonder schroom om tot ‘Peter’ en een Langooropperhoofd gaat voortaan als ‘Paul’ door het leven.
Zijn (reis)brieven, geschreven aan bekenden en geestelijken, worden gepubliceerd in boekvorm. Een heruitgave uit 1931 vermeldt: ’…al kent U alle geheimen en knepen uit de Indianenwereld, zooals U die gelezen hebt in “Far West”-romans, dit boek zal Uw stoutste verbeelding overtreffen.’ Onderweg maakt hij een buffeljacht mee: ‘…de zon is nog niet onder, of reeds zijn honderd drie en vijftig buffels neergelegd. Men zal moeten erkennen, dat, als dit geen wonderbare jacht is, zij veel gelijkt op de vischvangst, die het wel was.’ Hij schrijft dat Raven, ‘de leergierigste indianen’, hem duizend vragen stellen en vertelt hen over ‘reizende hutten (wagons), voortgetrokken door machines, die golven rook spuwen en de vlugste paarden achter zich laten en vuurschepen (stoombooten), die in enkele dagen heele dorpen, met wapens en bagage van het ene naar het andere land brengen’. Maar waarschuwt hen ook: ‘Raven, die zich aan allerlei zonden overgeven, moeten zich niet beklagen als de Groote Geest hen schijnt te straffen door ziekten, oorlog en hongersnood’. Als tijdens zijn verblijf twee stamleden door Zwartvoeten in een hinderlaag zijn gelokt en vermoord, wordt het krijgslied aangeheven en beloven jonge krijgers plechtig, dat zij niet zonder scalpen zullen terugkeren.

De-Smet-wb-5

Kaap, Chili, Oregon en de paus

Reizen is gevaarlijk. Soms wordt ’s avonds een vuur aangelegd, een provisorische hut gebouwd, maar doorgetrokken om vijandige indianen te misleiden. Rivieren zijn moeilijk bevaarbaar. De Omega, waarmee De Smet reist, dreigt meermalen te vergaan door puntige rotsen en boomstronken die de raderen beschadigen. Als De Smet aan wal is gegaan, komt de Omega in een draaikolk terecht: ‘De boot begon te draaien als een windvaan in den storm; de nuttelooze riemen ontvielen aan de handen der roeiers (…) de steven verdween in de diepte.…’ en nadat de boot gezonken is: ‘…worstelden mannen in vreeselijken doodsstrijd!’
De Smet reist in 1843 naar Europa om zijn brieven te publiceren, werft acht rekruten en de paus verleent hem audiëntie. De terugreis gaat rond Kaap Hoorn naar Oregon vanwege zes zusters, die er voor de missie gaan werken. Van boord gegaan in Chili, ontvangt de missionaris een collectie gesteente, die hij doorstuurt naar het Brusselse Museum. Hij is inmiddels een ervaren natuurvorser en verzendt regelmatig zeldzame dieren en plantenzaden naar familie en missie-weldoeners. Na acht maanden varen slaat de Infatigable, de verkeerde rivierarm van de Columbia opgevaren, bijna te pletter op klippen. Verder stroomopwaarts beschrijft De Smet de natuur ‘…gezegend met de rijkste verscheidenheid van kleuren en de verrukkelijkste landschappen. Bij elken stap worden de gezichten grootscher en indrukwekkender.’ Verder over land reizend krijgt hij ’s nachts bezoek van wilde honden: ‘…den volgenden morgen waren mijn schoenen gevlogen (….) en er ontbrak een pijp aan mijn buffelleeren broek!’ Hij geeft de volgende reistip: ‘Als men een dicht woud binnengaat, moet men zich zoo dun en zoo klein mogelijk maken (…) en de verschillende houdingen en bewegingen van een dronken ruiter nabootsen.’ Hij beschrijft dat een haakvormige tak zijn weg verspert: ‘….terwijl mijn paard zijn weg vervolgde. Daar hing ik in de lucht en spartelde als een visch aan den haak!’ Ook lopen met sneeuwschoenen gaat niet probleemloos: ‘Hoe dikwijls ik gestruikeld ben, weet ik niet: telkens zaten mijn sneeuwschoenen ergens in verward….’. Onderweg ontploft een doos buskruit, waardoor zijn gezicht ontveld raakt en hij moet vanwege koude afzien: ‘Al de nagels mijner voeten vielen af, en het bloed vulde mijn mocassins…’. Te gast bij indianen is een oudje ‘zoo goed een vettige, vuile hoornen lepel met haar tong schoon te maken’. Hij krijgt gebraden mos voorgeschoteld, ‘dat naar zeep smaakt en zwart is als teer’, evenals vlees ‘fijn gehakt met de tanden. Met deze bewerking zijn een half dozijn vrouwen soms uren bezig’ terwijl ‘het kauwen begeleid wordt door krakende en andere onaangename geluiden uit den neus, den mond en de keel; enkel de herinnering aan dit tooneel is in staat een reiziger ziek te maken.‘ Maar ook schrijft hij dat bij de Kalispels grijsaards, gebrekkigen en weduwen een even groot deel ontvangen als de jagers: ‘Lijkt dit niet eenigszins op dien gouden tijd, toen alles gemeenschappelijk was, toen allen slechts één hart en één ziel waren, zooals de Apostelen ons verhalen?’

Tijdens vredesoverleg in Fort Vancouver, met De Smet middenachter.

Tijdens vredesoverleg in Fort Vancouver, met De Smet middenachter.

Wak ant anka Wawokiya

Vaak hebben indianengroepen al voor zijn komst gehoord over ‘de blanke die geen gespleten tong heeft, en de beste vriend van de indianen is’. Er zijn 500 indianenvolken verspreid over Noord-Amerika. Maar in 1832 worden ze via de ‘Removal Act ‘weggezuiverd’ ten oosten van de Mississippi. In 1838 schrijft De Smet: ‘…veel van die stammen die eertijds bloeiden, zijn van de aardbodem verdwenen.’ In 1846 schrijft hij broer Frans: ‘Bij het beklimmen van iedere berg heb ik het gevoel dat mijn krachten me in de steek laten.’ Als hij bij St. Mary’s missiepost aankomt, blijkt dat de Plathoofden steeds agressiever worden tegenover andere stammen, zich beschermd voelend door De Smets opperwezen. De missionaris is uitgegroeid tot een volksheld vanwege zijn topografische kennis, brievenboeken en unieke band met indianenvolken. Maar het reizen wordt tevens kritiekpunt. Hij heeft volgens sommigen binnen Jezuïetenkringen teveel zwerflust in de aderen, wordt verordonneerd zijn indianenwerk vanuit St. Louis te continueren en de financiën van universiteit en kerkprovincie te beheren. Hij legt zich erbij neer vanwege zijn gelofte van gehoorzaamheid, maar voelt zich onheus bejegend.
In 1851 roept de Amerikaanse overheid zijn hulp in bij indianenzaken. Onderweg naar Fort Laramie breekt aan boord van een schip op de Missouri cholera uit. Achttien passagiers overlijden. Ook De Smet wordt ziek. Collega pater Hoeken neemt zelfs de biecht al af. Maar hij weet als door een godswonder te overleven, terwijl Hoeken dezelfde nacht nog bezwijkt. De Smet krijgt van Sioux de erenaam Wak ant anka Wawokiya (Helper van de Grote Geest) en gelooft dat een verdrag vrede zal brengen. Maar de overheid breekt beloften qua schadeloosstellingen. Terugkerend van zijn achtste ‘thuisreis’ lijdt het stoomschip Humboldt schipbreuk bij een rotskust, waarbij De Smet een jongetje redt. Terug in St. Louis kampen de katholieken met Europese avonturiers en atheïsten, die priesters vervolgen en kerken in brand steken. In 1858 wordt De Smet door John Floyd, minister van Oorlog, gevraagd zich officieel als legeraalmoezenier in te zetten als bemiddelaar. De New York Freeman’s Journal schrijft: ‘Deze waarlijk apostolische man heeft meer dan een kwart eeuw bij allerlei indianen verbleven, en heeft met hen al hun angsten, hun hongersnoden, hun nederlagen in de oorlogen met andere stammen, hun zwervend en ellendig leven gedeeld’. Op een foto staat hij tussen langharige opperhoofden tijdens een vredesbijeenkomst in Fort Vancouver.

De avonturen van de priester bij de roodhuiden inspireerde zelfs tot stripverhalen, hier van Jef Nys.

De avonturen van de priester bij de roodhuiden inspireerde zelfs tot stripverhalen, hier van Jef Nys.

Verlossende regen

Opnieuw onderweg naar Europa wordt hij ontvangen door president Abraham Lincoln. De missionaris bepleit bij hem de belangen van de indianen. In 1863 bezoekt hij missieposten in Montana en op zijn 64ste schrijft De Smet dat, mede vanwege reuma, zijn einde nabij is: ‘Fiat voluntas Dei!’. Desondanks zet hij zich nog jarenlang in als speciaal gezant van het ‘Indian Office’. Op bezoek bij de Arikaras smeken zij hem om regen na langdurige droogte. De Smet legt uit dat hij daar niet voor kan zorgen, maar wel met hen wil bidden en het misoffer eraan wil wijden. En zo waarlijk: de dag erna valt 24 uur lang regen. Deze hemelse gunst maakt grote indruk.
Nadat hij eerder al het bisschopsambt heeft afgewezen, wimpelt hij het op latere leeftijd opnieuw af: ‘Ik ben er oprecht van overtuigd dat ik noch de deugden noch de talenten heb die een dergelijk ambt vereist…’. In 1866 reist hij voor 57 dagen naar de Rocky Mountains door opstandig indianengebied (hij vraagt vier kloosters in St. Louis dag en nacht een kaars voor hem te branden bij een beeld van de Moeder Gods). Onderweg dient hij 420 doopsels toe, helpt een indianenmissie opzetten en belegt een vredesbijeenkomst met de generaals Sully, Parker en indianenstammen. De eerste tekenen van doofheid dringen zich op en terug in St. Louis is De Smet sterk verzwakt. In 1868 bezoekt hij bij Yellowstone de Hunkpapa en hun medicijnman Sitting Bull. Andere opperhoofden raden het af; te gevaarlijk. De Smet stuurt vooraf tabak als vredesgebaar. Korte tijd later rijden ruiters hem tegemoet: ‘De Tabak is aanvaard. Blackrobe mag alleen het kamp binnen. Elke andere blanke riskeert zijn scalp…’. Hij houdt voor het Mariavaandel een toespraak en later wordt een verdrag ondertekend aan de Missouri (met 200 opperhoofden), maar het wordt al snel wederzijds geschonden. Bijna zeventig jaar oud gaat De Smet voor het laatst op reis naar bevriende stammen, maar keert voortijdig terug naar St. Louis. In de zomer van 1871 toert hij nog acht maanden door Europa. Terug in St. Louis zijn de nier- en rugpijnen erger dan ooit: ‘Wat mijn gezondheid aangaat, de machine is geheel defect’. In een brief dankt hij familieleden die zijn genezing zijn gaan vragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Zijn linkeroog raakt verlamd en hij krijgt een zware beroerte.

Op 23 september 1878 werd het standbeeld van Pieter De Smet in Dendermonde onthuld. Hij was een plaatselijke held geworden. In Amerika is zijn monument inmiddels uit het zicht verplaatst.

Op 23 september 1878 werd het standbeeld van Pieter De Smet in Dendermonde onthuld. Hij was een plaatselijke held geworden. In Amerika is zijn monument inmiddels uit het zicht verplaatst.

Indianen dansen in Dendermonde

Pieter-Jan De Smet overleed op 23 mei 1873 en werd in St. Louis begraven. Deze doortastende man schreef vier boeken, werd geprezen als etnograaf en natuurvorser die landkaarten tekende. Hij legde bijna 400.000 kilometer af en begeleidde zo’n honderd missionarissen naar de VS. In 1878 werd voor de kerk in Dendermonde een standbeeld opgericht en in het stadhuis hangt zijn geschilderde portret. Aan de overkant van de Atlantische Oceaan herinneren Mountain De Smet (Alberta, Canada) en twee gemeenten (Zuid-Dakota, Montana) met hun naam aan hem. Een standbeeld bij de Universiteit van St. Louis, waarbij De Zwartrok indianen het kruis voorhoudt, werd onlangs verwijderd als uiting van kolonialisme, imperialisme, racisme, christelijke en blanke suprematie. Het krijgt nu een plaats in het museum van de universiteit. Op Youtube (http://www.youtube.com/watch?v=GK0QAy7UoAQ) is te zien dat Sioux Indianen in 1932 ter nagedachtenis van De Smet Dendermonde bezochten. Ze voerden met imposante verentooien een dans uit bij zijn standbeeld. Een tussentekst bij het zwart-wit filmpje meldt dat hij: ‘…in eeuwigen roem zal leven omdat hij door zijn dertig jaren zwoegen de Indianen van het Rotsgebergte van de barbaarschheid tot christelijk leven en beschaving opvoedde.’
Begin volgend jaar is in het Gentse Caermersklooster een tentoonstelling gewijd aan Pieter-Jan De Smet.
(Lex Veldhoen)

Openingsbeeld: Ter nagedachtenis bezoeken Sioux-indianen in 1932 Dendermonde, uiteraard wordt bij het standbeeld van Pieter De Smet een groepsportret gemaakt.

Het volledige artikel, met talrijke mooie illustraties, lezen? Koop nu de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder