Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

‘Tael is gansch het Volk’

21 september 2015 Siebrand Krul

Lang was de opvatting gangbaar dat de taal van Vlaanderen in 1815 een kreupel Nederlands was, niet meer dan een verzameling dialecten onder de koepel van het overheersende Frans. Volgens recent onderzoek heeft het algemeen Nederlands als schrijftaal hier onder het Verenigd Koninkrijk verrassend snel zijn plaats weten te herwinnen, en beheerste ook de verfranste bovenlaag doorgaans die taal goed.

Het schrikbeeld van ‘het Hollands als paard van Troje voor het binnensmokkelen van de ketterij in het Zuiden’ is een puur verzinsel van de latere Belgische geschiedschrijving. Op godsdienstig vlak was het niet zozeer de vrees voor een protestantse dominantie vanuit het Noorden, danwel de liberale grondwet die een eind maakte aan het monopolie van de katholieke clerus in het Zuiden, die aanleiding gaf tot bittere weerstand.
De Tael is gansch het Volk, zo noemde de Vlaamse taalstrijder Prudens Van Duyse (1804-1859) het genootschap dat hij in 1836 oprichtte. Het klonk ambitieus voor een man die, in het opnieuw Franstalige België van na 1830, als stadsarchivaris van Gent de briefwisseling met zijn bestuur in het Frans diende te voeren.

Ontwerp voor een Museum voor Schone Kunsten en Literatuur, op de plaats waar nu het Gentse Justitiepaleis staat, door Tieleman-François Suys, 1820.

Ontwerp voor een Museum voor Schone Kunsten en Literatuur, op de plaats waar nu het Gentse Justitiepaleis staat, door Tieleman-François Suys, 1820.

Dialect

De leus van Van Duyse had twintig jaar vroeger al best uit de mond van koning Willem I kunnen komen. Het was immers diens vaste wil, van de Nederlanden een hecht geheel te maken door één taal voor alle inwoners, en dat was natuurlijk het Nederlands, onder het motto: ‘één natie, één taal’. Daarnaast moesten één godsdienst, één geschiedenis en één cultuur alle facetten van het maatschappelijke leven beheersen.
Hoe consequent hij dat ook meende, in het Zuiden moest hij hetzelfde ervaren als later de Gentse archivaris: het Frans bleef alleszins salonfähig bij de elite. Toen in 1820 Willems persoonlijke architect, de Oostendenaar Tieleman-François Suys (1783-1861) – de man die onder meer schitterende kerken en regeringsgebouwen realiseerde in Amsterdam en Utrecht -, in 1820 de opdracht kreeg een museum te bouwen in Gent, plaatste hij onder het fronton in opzichtige letters: ‘LA VILLE DE GAND AUX ARTS’. De tweeslachtigheid in het taalgebruik tijdens het Verenigd Koninkrijk (en aan het hof van de koning zelf) was nooit ver weg. En voor de rest sprak de bevolking in haar dagelijkse omgangstaal dialect – de meesten van haar noordelijke taalgenoten overigens ook.

De Plantentuin van de Gentse universiteit, bij de Baudelo-abdij, kwam in 1818 in het bezit van de universiteit. Hij gold als een van de mooiste van Europa. Aquarel door Charles van Hulthem. (Archief UGent)

De Plantentuin van de Gentse universiteit, bij de Baudelo-abdij, kwam in 1818 in het bezit van de universiteit. Hij gold als een van de mooiste van Europa. Aquarel door Charles van Hulthem. (Archief UGent)

Vlekkeloos Nederlands

En toch is er baanbrekend werk verricht voor de herleving van het Nederlands en de culturele verheffing van het Zuiden. Minister Cornelis van Maanen (1769-1846), die meestal in Brussel resideerde, was de onvermoeibare pleitbezorger. Op zijn initiatief werd vanaf 1 januari 1823 het Nederlands de enige officiële taal voor gerechts- en bestuurszaken in de provincies West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg, later ook in de arrondissementen Brussel en Leuven.
Hoewel er tegenkanting was van advocaten, magistraten en notarissen – die hun opleiding immers in het Frans genoten hadden -, blijkt uit recent onderzoek dat in processtukken en notariële akten de volkstaal snel aan belang won, en vooral: dat die akten doorgaans in vlekkeloos Nederlands neergeschreven zijn. In Brugge zijn zowel de notulen van de zeer elitaire schuttersgilde Sint-Sebastiaan, als de vergaderverslagen van de onderstandskassen voor ambachtsmeesters en -knechten in een keurige taal opgesteld. Onderzoek door Eline Vanhecke (2007) van de verslagen van schepencolleges, gemeenteraden en burgerlijke stand van 133 Vlaamse steden en gemeenten bracht aan het licht dat de verplichting van vernederlandsing vanaf 1823 probleemloos en met een grote schrijftalige uniformiteit werd toegepast. In alle steden en veel Vlaamse dorpen werden de aloude rederijkerskamers aangevuld met ‘verlichte’ letterkundige genootschappen en culturele sociëteiten, die in hun geschriften en bijeenkomsten het Nederlands gebruikten als voertaal.
De opvatting dat het Nederlands in Vlaanderen en Brabant, met hun talloze dialecten, na de jarenlange afzondering slechts een kromgegroeid bastaardbroertje was van het Hollands was, is van toepassing op de dagelijkse spreektaal, zeker niet op de schrijf- en vergadertaal. Zo was het smeekschrift dat de Gentse begijnen in 1825 gingen aanbieden aan koning Willem I, qua taal en spelling, in onberispelijk Nederlands gesteld. Uit de bewaarde bescheiden van het Gentse stadsbestuur uit die periode blijkt dat het taalgebruik van de notulisten nauwelijks verschilde van dat in de gemeenteakten van Den Haag. En zo zijn er nog veel andere voorbeelden aan te halen. Kortom, de taalpolitiek van het Verenigd Koninkrijk is in Vlaanderen veel gemakkelijker en ruimer aanvaard dan het Franstalige België van na 1830 heeft willen doen geloven. De ‘absolute chaos’ in de schrijftaal die Tony Suffeleers in zijn studie over Brugge (1979) nog meende te ontwaren, behoort thans tot het rijk van de verzinselen.

Willem I gooit de jezuïten uit het land, 1829. De koning zit op een baal gemerkt met de datum van het besluit, 2 oktober 1829. Hij werpt jezuïeten naar de overkant van een water op de 'Quai des Jesuites'. Een Hollander ziet goedkeurend toe. Spotprent op de opheffing van het Collegium Philosophicum te Leuven in 1829, mogelijk ook verwijzend naar de verdrijving van de jezuïeten over de Belgische grenzen, eind 1828, die ze zonder verlof hadden overschreden, na uit Frankrijk geweken te zijn. (Rijksmuseum)

Willem I gooit de jezuïeten uit het land, 1829. De koning zit op een baal gemerkt met de datum van het besluit, 2 oktober 1829. Hij werpt jezuïeten naar de overkant van een water op de ‘Quai des Jesuites’. Een Hollander ziet goedkeurend toe. Spotprent op de opheffing van het Collegium Philosophicum te Leuven in 1829, mogelijk ook verwijzend naar de verdrijving van de jezuïeten over de Belgische grenzen, eind 1828, die ze zonder verlof hadden overschreden, na uit Frankrijk geweken te zijn. (Rijksmuseum)

Gemeenteschooltjes

Naast bestuur en gerecht was de kwaliteit van het lager onderwijs voorwerp van minister Van Maanens aanhoudende zorg. In alle steden en in de meeste dorpen van Vlaanderen bestonden er al schooltjes, gehouden door geestelijken of schoolmeesters, maar vaak bleef het tot dan bij wat godsdienstles, leren lezen en schrijven. De regering vond de organisatie van een degelijk basisonderwijs een taak van de overheid, mede om het te onttrekken aan de invloed van de katholieke clerus. Toch bleef in de erkende gemeentescholen het katholieke godsdienstonderricht prominent aanwezig. Een zeldzame uitzondering was de protestantse dorpsschool uit 1820 van Korsele (Sint-Maria-Horebeke). Erkentelijkheid jegens de toenmalige vorst blijkt uit een gedenksteen in de muur van het kerkhof.
De ondermaatse handboeken werden snel vervangen door nieuwe, dikwijls opgesteld door (katholieke!) schrijvers uit het Zuiden. Er werden zo’n 1.100 nieuwe schoolgebouwen geopend, hoofdzakelijk gemeenteschooltjes. Maar de resultaten bleven doorgaans bescheiden, vooral omdat er geen goed opgeleide onderwijzers waren. De opening van de Rijkskweekschool (normaalschool) in Lier in 1817 moest daarin voorzien, maar met niet meer dan dertig afgestudeerden per jaar was dat ruim ontoereikend. Bijgevolg ontstonden er met steun van de overheid privé-initiatieven, zoals bijvoorbeeld in het landelijke Wakken, waar Pieter-Joseph D’Hont (1793-1829) in 1823 het Onderwyzersgenootschap oprichtte. In 1826 ging D’Hont naar de gloednieuwe gemeenteschool van Aarsele. Willem I toonde zijn bijzondere waardering door op 1 juni 1829 in hoogsteigen persoon een bezoek te brengen aan die school.

Prinsbisschop François-Antoine de Méan van Luik, in 1817 aartsbisschop van Mechelen. Hij stelde zich tegen de grondwet van het Verenigd Koninkrijk veel gematigder op dan zijn Gentse collega.

Prinsbisschop François-Antoine de Méan van Luik, in 1817 aartsbisschop van Mechelen. Hij stelde zich tegen de grondwet van het Verenigd Koninkrijk veel gematigder op dan zijn Gentse collega.

Nederlandsche Taal- en Letterkunde

Op het gebied van het middelbaar onderwijs werden er naast de twee nog bestaande keizerlijke lycea van Brussel en Luik, koninklijke colleges opgericht in Brugge, Gent, Antwerpen en Maastricht, met uitsluitend het Nederlands als voertaal. In tien jaar tijd steeg het aantal leerlingen in de Latijnse Scholen met een derde.
In het Zuiden werden evenveel universiteiten opgericht als in het Noorden, namelijk te Leuven, Luik en Gent. Wetenschappelijk waren ze erg belangrijk, maar voor de taalpolitiek minder relevant, omdat de voertaal het Latijn was. Toch heeft de Gentse universiteit betekenis gehad voor de emancipatie van het Nederlands. In de faculteit Letteren aldaar doceerde de katholieke priester Johannes Maria Schrant (1783-1866) uit Amsterdam. Hij wierp zich op als een vurige verdediger van de Nederlandse taal en van de eenheid tussen Noord en Zuid. Onder zijn impuls ontstond in 1821 de Gendsche Maatschappij van Nederlandsche Taal- en Letterkunde, en verder werkte hij mee aan de organisatie van het Nederlandstalige basisonderwijs. Ook moet Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) worden genoemd, de latere liberale staatsman en vader van de Nederlandse grondwet van 1849. Zijn lessen geschiedenis in Gent gaf hij soms in het Nederlands, om aan te tonen dat ook die taal perfect bruikbaar was voor de beoefening van de wetenschap.

Hautain Franstalig

De doortastendheid van minister Van Maanen heeft hier in een korte tijdspanne mogelijk gemaakt, waarvoor nadien meer dan honderd jaar Vlaamse Beweging nodig zou zijn. Eigenlijk zijn de aanhangers van het Nederlands in Vlaanderen die zich voor het karretje lieten spannen van de Belgische Omwenteling (met haar eis van taalvrijheid) nadien gezien lelijk om de tuin geleid.
Maar het is waar: net zoals het Noorden zichzelf als cultureel superieur beschouwde, bleef er in steden als Antwerpen, Brugge, Gent of Kortrijk een elite bestaan die, hoewel ze Nederlands kon spreken en schrijven, hautain naar de taal van Molière bleef opkijken (en tot vandaag nog vaak doet). Raar, maar waar: zelfs een Thorbecke blijkt in zulk verfranst milieu het eigenlijk best naar zijn zin te hebben gehad in Gent … Ook Jan Frans Willems (1793-1845) en Prudens Van Duyse (1804-1859) werden als stadsarchivarissen van respectievelijk Antwerpen en Gent ambtshalve ermee geconfronteerd, maar ze hebben, samen met de ‘taalminnaren’, na 1830 de draad weer kunnen opnemen en zo het Nederlands aan Vlaanderen teruggegeven.

Koppige bisschop

Koning Willem had in de grondwet de volkomen geloofsvrijheid, de gelijke bescherming van alle godsdiensten en de benoembaarheid van alle burgers tot openbare ambten laten inschrijven. Hij was zich bewust van de gevoeligheden in het katholieke Zuiden. Bij zijn eerste bezoek aan Gent op 5 september 1815 zei hij aan bisschop Maurice de Broglie (1766-1821), een prins van Fransen bloede: ‘My is bekend de aanklevinge van dit land aen de roomsch-katholyke religie; ik verzekere ulieden myne bescherminge’. Waarop de Gentse bisschop er niet voor terugschrok de koning terecht te wijzen. Hij verbood clerus en gelovigen de eed te doen op de grondwet.
Het feit dat het hele onderwijs onder staatscontrole kwam, de bisschoppelijke colleges werden opgeheven, de priesters uit het rijksonderwijsnet werden verwijderd en er een verbod was opgelegd aan de grootseminaries om kandidaten te aanvaarden die niet afgestudeerd waren aan het door de staat opgerichte Filosofisch College in Leuven, deed de spanning in katholiek Vlaanderen hoog oplopen. Dat priesters op eenvoudig verzoek hun geestelijke staat konden verlaten, was voor de bisschoppen een gruwel. Om te trouwen met een protestant(se) was er een dispensatie nodig uit Rome. Veel plattelandspastoors weigerden in de paasbiecht van 1816 de absolutie aan wie de grondwet onderschreef.

Portret van Maurice de Broglie, bisschop van Gent. (Sint-Baafskathedraal)

Portret van Maurice de Broglie, bisschop van Gent. (Sint-Baafskathedraal)

De Broglie zag een herhaling in het verschiet van wat hem al onder Napoleon was overkomen: de verbanning. Na zijn vlucht naar Frankrijk in februari 1817 werd hij effectief bij verstek verbannen verklaard. De Gentse bisschopszetel bleef vacant tot zijn dood in 1821, waarna de jarenlange polemiek tot bedaren kwam. In de andere zuidelijke bisdommen verliep alles veel gezapiger. Zo bereikte in de Kempen het aantal seminaristen een nooit gezien hoogtepunt, zodat men hier terecht kon spreken van een echt ‘katholiek bastion’.

Vrijheid als doodsteek

Begroetten de katholieken van het Noorden de door de grondwet gegarandeerde godsdienstvrijheid als een zegen, dan beschouwden hun geloofsgenoten in het Zuiden haar als de doodsteek van de bestaande orde. De samenhang daar was immers gebaseerd op de almacht van de clerus in alle domeinen van het maatschappelijk leven. Voor het eerst in de geschiedenis ontstonden er machtige ideologisch gekleurde, strijdbare persorganen, enerzijds veel katholieke – Franstalige en Nederlandstalige, zoals Le Catholique des Pays-Bas in Gent en De Standaerd van Vlaenderen in Brugge -, en enkele liberale, anderzijds de door de staat gesteunde – uitsluitend Nederlandstalige – koningsgezinde kranten. De uitgave van de oppositiekranten werd door de overheid spoedig aan banden gelegd
In de petitiebeweging tegen het bewind van koning Willem I die in 1829 op gang kwam en in de daaropvolgende opstand speelden – in een merkwaardig ‘monsterverbond’ tussen katholieken en liberalen – de godsdienstige en politieke bezwaren en de eis van persvrijheid alleszins een veel grotere rol dan de taaldwang. De overwegend Franstalige revolutieleiders eisten weliswaar taalvrijheid, maar wisten later in het nieuwe België niet hoe snel ze het Nederlands moesten achterstellen bij het Frans.
(Johan Decavele)

Openingsbeeld: Inhuldiging van de Gentse Universiteit in 1817 door kroonprins Frederik Hendrik in de Troonzaal van het Stadhuis. De prins zit rechts van de lege troon, waarboven een groot portret van Willem I is opgehangen. Meester Ocker Repelaer van Driel, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, houdt de feestrede. Links hangt de driekleur van het Verenigd Koninkrijk, rechts de Oranjevlag. Door Matthias Van Bree. (Rijksmuseum Amsterdam)

Het volledige artikel, met talrijke mooie illustraties, lezen? Koop nu de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder