Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Alleskunner, niemandsvriend

06 augustus 2015 Siebrand Krul

Michelangelo, de rusteloos scheppende renaissancemens bij uitstek, werd door zijn tijdgenoten verafgood en behoort tot de allergrootsten in de kunstgeschiedenis. Het verschil tussen mythe en mens was echter groot. Op zijn 15de vervaardigde Michelangelo (1475-1564) zijn eerste plastiek, de zogeheten 'Madonna della Scala' (Madonna aan de trap), twee jaar later volgde het beroemde reliëf van de 'Battaglia dei Centauri' (Strijd van de centauren) en op zijn 23ste bereikte hij al één van de onbetwiste hoogtepunten in zijn oeuvre, de piëta (bewening door Maria) voor de Sint Pieter in Rome.

Het jonge genie overtrof alles en iedereen in zijn tomeloze energie. Voortdurend borrelden ontwerpen voor grootste beeldhouwwerken en reusachtige wand- en plafondschilderingen, zoals die in de Sixtijnse Kapel, in hem op. Aan deze onvergelijkelijke werken gingen steeds uitgebreide voorstudies vooraf en Michelangelo maakte ontelbare tekeningen – om zijn ideeën te verduidelijken of zijn gezellen het werk te vergemakkelijken. Maar met een flink aantal ervan hielp hij ook een vriend in nood.
Aan die grootmoedigheid dankt de collectie van het Louvre in Parijs haar bestaan: in 1532 schonk Michelangelo twee kisten met tekeningen aan zijn jonge leerling Antonio Mini, zodat die zijn schulden kon afbetalen. Mini nam de prenten mee naar Frankrijk en een kleine dertig ervan kwamen in de 17de eeuw in handen van de verzamelaar Eberhard Jabach, bankier en directeur van de Franse Oost-Indische Compagnie. Die schonk de prenten uiteindelijk aan het Louvre, waar ze nog altijd in het Cabinet des Dessins bewaard worden.

Armoedige komaf

Michelangelo was echter lang niet iedereen zo vriendelijk gezind. Wantrouwen vormde zelfs de rode draad in zijn kunstenaarsbestaan, dat de trekken van een eenzame strijd tegen een onverschillige wereld vertoonde. Grote kunst scheppen volstond niet – de wereld moest haar ook erkennen. Daarvoor creëerde Michelangelo bewust een beeld van zichzelf als kunstenaar en als bijna tachtigjarige achtte hij het nodig zijn biograaf, de schilder Ascanio Condivi, op zijn voorname afkomst te wijzen om daarmee een deel van de familie-eer te herstellen.
Nu vormen de Buonarroti’s inderdaad een van de oudste en meest vooraanstaande adelsgeslachten van Noord-Italië, maar Michelangelo zelf groeide op in armoedige omstandigheden. Hij kwam op 6 maart 1475 in het dorpje Caprese bij Arezzo ter wereld als tweede zoon van Lodovico di Buonarotti de’ Simoni en diens echtgenote Francesca.
In Michelangelo’s streven om schilder te worden zag vader Lodovico de ondergang van de familie bezegeld en dat maakte de weg naar de kunst tot een stenige. Ondanks alle afkeuring zat de jongen elk vrij ogenblik te tekenen en zocht hij contact met schilders. Hij leerde Francesco Granacci kennen, die in de leer was bij de frescoschilder Domenico Ghirlandaio, lieveling van de Florentijnse elite, en die hem stimuleerde.

Idolen uit Oudheid

En dus nam een familiedrama zijn loop, waarover bij Condivi staat te lezen: ‘Dat werd hem [Michelangelo] door zijn vader en broers, die de kunst haatten, kwalijk genomen en met menig aframmeling bestraft. Dezen hadden niet het geringste benul van de voornaamheid, laat staan de verhevenheid van de kunst. Het feit dat hij onder hun dak wenste te verkeren, leek hun niets minder dan een schande toe.’
Michelangelo ging eerst in Florence bij de gebroeders Ghirlandaio in de leer, maar na een jaar kwam er een plotseling einde aan zijn leertijd. Michelangelo zelf verklaarde dat uit de afgunst van zijn meester, maar wat er werkelijk gebeurde, valt niet meer te achterhalen. Hierna nam Lorenzo de’ Medici, de mecenas die het toentertijd in Florence voor het zeggen had, de jonge, onstuimige kunstenaar onder zijn hoede.
Hoe Michelangelo met hem in contact kwam, is niet overgeleverd. In elk geval wist hij een beurs in de wacht te slepen. En weer is zijn vader ertegen, terwijl zijn zoon toch tot het centrum van de macht is doorgedrongen. Pas als de Medici Lodovico het ambt van tolgaarder aanbieden, mag Michelangelo zijn intrek nemen in het paleis van Lorenzo en aan het werk in diens beeldentuin. Hier vindt de jonge kunstenaar zijn idolen, de beeldhouwers uit de Klassieke Oudheid. Hij doet aan zelfstudie met hamer en beitel en brengt zijn avonden door in het hospitaal van Santo Spirito, waar hij heimelijk lijken ontleedt en bestudeert.

Lanterfanters en knoeiers

Hierna verblijft Michelangelo in Rome en maakt hij het beeld van de wijngod Bacchus voor kardinaal Raffaele Sansoni Riario (nu te zien in het Museo Nazionale del Bargello). Riario is er weg van en door zijn aanbevelingen stromen de opdrachten binnen. De Franse kardinaal Jean de Bilhère-Lagraulas vraagt het jonge talent om een piëta, een afbeelding van Maria met de dode Christus in haar armen, en heeft daar maar liefst 450 dukaten voor over – een veelvoud van wat de gemiddelde kunstenaar indertijd voor een beeld kreeg.
Om de figuur precies naar zijn voorstellingen te kunnen maken brengt Michelangelo de winter van 1497/98 door in Carrara. Daar ziet hij toe op de marmerwinning, in de vaste overtuiging dat het leeuwendeel van de mensheid bestaat uit lanterfanters en knoeiers.
Van zijn vakbroeders neemt hij al helemaal niets aan. Bij een vechtpartij loopt hij een gebroken neus op. Voortaan acht Michelangelo zijn mededingers tot elke schanddaad in staat en verdeelt hij de wereld in de kampen ‘voor mij’ en ’tegen mij’.
Slechts een handjevol kunstenaars schenkt hij zijn vertrouwen. Een daarvan is de schilder Sebastiano del Piombo, die Michelangelo in 1520 per brief verslag doet van zijn onderhoud met paus Leo X: ‘De paus zegt … Michelangelo is verschrikkelijk (“terribile”), hij is onmogelijk in de omgang.’ Daarmee doelt de geestelijke op de grove taal van de kunstenaar, diens ongenaakbaarheid – en het aandringen op stipte betaling. Michelangelo staat dan allang bekend als ‘verheven eenzaat’.

David in Florence

Het beeld van David op het plein voor het Florentijnse stadhuis en de plafondschilderingen in de Sixtijnse Kapel in Rome hebben Michelangelo een sterrenstatus bezorgd: de aanzienlijken dingen om de gunst van het grote genie, dat zelf de prijzen voor zijn werken bepaalt. Hij bedingt astronomische gages en pittige voorschotten. Michelangelo steekt het geld in diverse vastgoedobjecten in de omgeving van Florence. Inmiddels vragen zijn vader en broers hem voortdurend om geld – en doen ook nog hun beklag als de betalingen van het enige succesvolle lid van de familie eens op zich laten wachten.
Michelangelo’s werken worden tegenwoordig tot het hoogste gerekend dat de kunst heeft voortgebracht. Nooit eerder werd marmer zo volleerd en tegelijk zo expressief behandeld. Zijn tijdgenoten vinden er geen woorden voor. Ze noemen Michelangelo ‘de goddelijke’.
Overigens was Michelangelo ook in de taal een meester, iemand die alle stijlregisters open wist te trekken: de grove praat van boeren en woekeraars beheerste de beeldhouwer, schilder en architect even virtuoos als het verfijnde idioom van de kunstkenner en de hoveling. Dat blijkt uit de meer dan duizend bewaard gebleven brieven van zijn hand. Op latere leeftijd begint hij ook nog eens met het schrijven van gedichten. Zij draaien om artistieke en esthetische, maar ook om theologische en wijsgerige kwesties. Dat de kunstenaar dit talige meesterschap als autodidact bereikt, vergroot de bewondering van zijn tijdgenoten en draagt verder bij aan de ‘Michelangelo-mythe’.

Negatief over vrouwen

Als de beroemde schrijver van kunstenaarsbiografieën Giorgio Vasari in 1550 ook Michelangelo’s doopceel licht, is deze beducht de sturing over zijn eigen levensverhaal te verliezen. Hij belast daarom zijn trouwe leerling Ascanio Condivi met het schrijven van een alternatieve biografie. In dit levensverhaal van 1553 leren we de kunstenaar kennen zoals hij zichzelf zag: nobel, goedgelovig, onzelfzuchtig, moedig en – ascetisch. Michelangelo voelde zich weliswaar zijn hele leven lang tot mooie, jonge mannen aangetrokken, maar vermoedelijk heeft hij met geen van hen ooit de liefde bedreven. Wel zijn er erotische getinte avances, bijvoorbeeld in de brief die hij als 58-jarige, gevierde kunstenaar op 1 januari 1533 aan de mooie, jonge Romein Tommaso Cavalieri richt: ‘U lijkt mij niet, zoals u schrijft, pas kortelings geboren, maar integendeel al wel duizend keer op aarde geweest te zijn. Ik daarentegen zou mijzelf voor niet dan wel dood geboren houden, ja zelfs voor bij hemel en aarde in ongenade gevallen, zo ik niet uit uw schrijven vermocht op te maken dat u tenminste enkele van mijn werken waardeert.’
Daar staat een uiterst negatieve kijk op vrouwen tegenover, zoals wel blijkt uit een briefpassage als: ‘Schrijf me als je me een goede, propere meid aan kunt bevelen, wat wel eens lastig zou kunnen worden, aangezien het stuk voor stuk hoeren en varkens zijn.’ Alle getrouwde vrouwen hield hij voor overspelig, twistziek en heerszuchtig. Uitzonderingen maakte hij slechts voor de Moeder Gods en de dichteres Vittoria Colonna. Met laatstgenoemde deelde Michelangelo een aantal geloofsovertuigingen en de mening dat de kerk in zedelijk opzicht hervormd diende te worden.
Als Michelangelo op 18 februari 1564 overlijdt, vindt men onder zijn bed een grote kist boordevol dukaten, tweeduizend keer meer waard dan het jaarinkomen van een goedverdienende ambachtsman. Michelangelo was miljonair. Het leeuwendeel van zijn schetsen heeft hij verbrand. Het nageslacht mag slechts aan de hand van zijn voltooide werken over hem oordelen.
(Ute Strimmer)
(Illustratie: de schepping van Adam, van Michelangelo, plafond Sixtijnse kapel)

Lees nog veel meer boeiende historische artikelen in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder