Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Lucratieve heiligendevotie

15 juli 2015 Siebrand Krul

Op 7 oktober 1142 bracht Hartbert, bisschop van Utrecht, een bezoek aan de abdij van Egmond, het grootste en meest prestigieuze klooster in de Noordelijke Nederlanden, om de nieuwe abdijkerk in te wijden. Tijdens zijn preek sprak de bisschop zijn verwondering uit over de enorme schat aan relieken van apostelen, martelaren en andere heiligen die in deze uithoek van het Duitse Rijk werden bewaard en vereerd.

Allereerst natuurlijk de stoffelijke resten van de heilige Adelbert die, samen met Willibrord en elf andere monniken, in 690 vanuit Engeland de Noordzee was overgestoken om de Friezen te bekeren. Na een arbeidzaam en devoot leven stierf Adelbert bij het gehucht Egmond. Boven zijn graf werd een klein, houten kerkje gebouwd, dat weldra een plaats van verering werd voor de plaatselijke bevolking. Zo’n twee eeuwen later kreeg een vrome vrouw, die het graf verzorgde, een droom waarin Adelbert zelf haar vroeg hem op te graven en te verplaatsen naar een hoger gelegen plaats. Zij vertelde haar droom aan Dirk I, graaf van Holland, die onmiddellijk gehoor gaf aan de wens van de heilige. Zijn zoon Dirk II (?-988), gehuwd met een dochter van Arnulf, graaf van Vlaanderen, liet het eenvoudige kerkje boven het nieuwe graf vervangen door een stenen kerk en ernaast een klooster bouwen. Nobel, zeker, maar ook opportunistisch. Met de heilige Adelbert en zijn klooster kon Dirk zich nu enigszins meten aan zijn Vlaamse schoonvader, die beschermheer was van liefst zes kloosters, waaronder de abdijen van Sint Pieter en Sint-Bavo in Gent, vermaard vanwege hun relieken.

 

De abdij van Egmond, geschilderd door Nicolaas Jacobsz van Heck. (Rijksmuseum Amsterdam)

De abdij van Egmond, geschilderd door Nicolaas Jacobsz van Heck. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Voor staatseenheid en kerstening

Wat echter nog ontbrak aan Egmond waren relieken. Dirks zoon Egbert (gestorven in 994) schoot zijn vader te hulp. In 977 was Egbert door keizer Otto II gewijd tot aartsbisschop van Trier als beloning voor zijn diensten als kanselier aan het keizerlijk hof. Hij zorgde ervoor dat een kostbare schrijn vol relieken in Egmond werd bezorgd. In de kist zaten onder andere stukjes van de kerstkribbe, de tafel van het Laatste Avondmaal, het Heilig Kruis, de doornenkroon, de lans en de spons, stukken steen van het Heilig Graf en de heuvel Golgotha, de sandalen waarin Christus had gelopen en het mes dat bij het Laatste Avondmaal was gebruikt om het brood te snijden. Hoe Egbert aan deze relieken is gekomen, weten wij niet, maar naar alle waarschijnlijkheid heeft hij, in overleg met Otto, het nodige gehaald uit de rijk gevulde schatkamers van de Domkerk in Aken. Daarmee was echter de honger van de abdij naar relieken niet gestild. In de jaren die volgden zouden de monniken een indrukwekkende hoeveelheid relieken verzamelen, met als kroonjuweel de stoffelijke resten van de martelares Agatha.
Deze verzamelwoede van de monniken van Egmond was op zich niets bijzonder. De verering van relieken in West-Europa had tijdens de Karolingische periode immers een grote vlucht genomen, vooral dankzij Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome. Zij beschouwden deze vorm van devotie als een bijzonder effectief middel om het nog prille christelijk geloof in hun rijk te versterken en de eenheid van hun rijk te bevorderen. Om die reden had Karel in 813 bepaald dat altaren waarin geen relieken zaten, niet langer gebruikt mochten worden voor de eucharistieviering. En om diezelfde reden had hij het gebruik bevorderd om bij het afleggen van een eed de hand op een reliek te leggen.

 

Het Egmonder Evangeliarum. Kloosterstichters Dirk en Hildegard met codex aan het altaar van de kloosterkerk. (Kon. Bibliotheek)

Het Egmonder Evangeliarum. Kloosterstichters Dirk en Hildegard met codex aan het altaar van de kloosterkerk. (Kon. Bibliotheek)

 

Grof geld voor complete lichamen

De vraag naar relieken nam dientengevolge sterk toe. Het meest gewild waren relieken uit Rome, die onuitputtelijke schatkamer van overblijfselen van de martelaren uit de eerste drie eeuwen van het christendom. De pausen gaven gaarne gehoor aan deze vraag omdat zij daarmee bij de Franken, met wie zij in de 8ste eeuw een alliantie hadden gevormd, het belang en de waardigheid van Rome als hét centrum van het christendom konden benadrukken. Aanvankelijk beperkten zij zich tot het schenken van objecten waarmee de martelaren en heiligen in aanraking waren geweest, zoals kledingstukken, beddengoed, meubelstukken, et cetera, omdat zij huiverig waren hun gebeente in stukken te verdelen. Vanaf de 8ste eeuw echter zwichtten zij voor de aanhoudende vraag naar ‘echte’ relieken. Vanaf dat moment kwam een ongekende stroom op gang richting het westen van heilige haren, tanden, vingers, armen, benen, schedels en soms hele lichamen. Omdat kloosters en kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers bereid waren grof geld te betalen voor deze menselijke heilige resten verschenen beroepshandelaren op de reliekenmarkt. De meest beruchte was wel ene Deusdona, een Romeinse geestelijke die in de jaren twintig en dertig van de 9de eeuw de deels verlaten catacomben buiten Rome afstruinde en daar naar eigen zeggen de stoffelijke resten vond van talrijke martelaren. Verschillende malen stak hij de Alpen over met een stoet ezels bepakt met zakken vol beenderen en voorwerpen die hij uit de catacomben had gehaald.
Of hij ooit de Lage Landen heeft aangedaan, is niet bekend, maar dat ook hier de jacht op het vergaren van relieken was geopend bewijst niet alleen de abdij van Egmond maar ook de bisschopsstad Utrecht, gesticht door de monnik Willibrord die, zoals gezegd, in 690 vanuit Engeland de Noordzee was overgestoken om in de Lage Landen het evangelie te verkondigen.
Alvorens zijn missiewerk te beginnen bezocht Willibrord in 690 de paus in Rome om hem te vragen hoe hij te werk moest gaan. Deze gaf hem enkele relieken mee, waaronder wat lapjes stof van kleren die Jezus en Maria zouden hebben gedragen. De paus verzekerde Willibrord dat deze relieken hem niet alleen zouden beschermen tegen kwaadwillende heidenen, maar ook grote wonderen konden verrichten die de Friezen versteld zouden doen staan.

 

Bonifatius, paus Gregorius de Grote, Adalbert en Bavo. Schilderij uit circa 1529 van Jan Joosten van Hillegom. (Frans Halsmuseum Haarlem)

Bonifatius, paus Gregorius de Grote, Adalbert en Bavo. Schilderij uit circa 1529 van Jan Joosten van Hillegom. (Frans Halsmuseum Haarlem)

 

Wat een bof! Een martelaar van eigen bodem

Gerustgesteld aanvaardde Willibrord de terugreis. In Utrecht stichtte hij een klooster om van daaruit het Friese gebied binnen te trekken. Tegelijkertijd liet hij hier twee kerkjes bouwen, de Sint Salvatorkerk en de Sint Maartenskerk, de latere Domkerk. Ook de monnik Bonifatius, die in 718 Engeland had verlaten om Willibrord te helpen, bracht een bezoek aan Rome om daar relieken te halen. In 754 werden hij en zijn metgezellen bij Dokkum vermoord door een groep roofzuchtige Friezen. De buit viel echter tegen, omdat in de meeste kisten die zij hadden meegenomen geen gouden of zilveren munten of voorwerpen zaten, maar alleen wat stukjes bot en allerlei waardeloze spullen.
Voor Utrecht daarentegen bracht de moordpartij alleen maar voordelen. Tot nu toe hadden de Salvator- en Maartenskerk het moeten doen met ‘importheiligen’, maar nu kregen zij ineens de beschikking over de stoffelijke resten van martelaren van eigen bodem. In plechtige processie werden de lichamen van Dokkum naar Utrecht vervoerd en daar bijgezet. De vreugde was evenwel van korte duur. Nadat eerst een afvaardiging uit Mainz zich had gemeld om de stoffelijke resten van ‘hun bisschop ‘ – in 745 was Bonifatius door de paus benoemd tot aartsbisschop van Mainz – op te eisen, kreeg Utrecht kort daarop bezoek van monniken van het klooster Fulda. Ook zij beschouwden zich de rechtmatige eigenaren van Bonifatius’ gebeente, omdat hij in 744 Fulda had gesticht. Utrecht gaf na lang aandringen en met de nodige tegenzin de beenderen uiteindelijk over aan Fulda, maar zorgde er wel voor dat men wat achter hield. Vandaar dat Utrecht in het begin van de 12de eeuw nog een rib van Bonifatius kon schenken aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge, samen met de onderkaak van Eoban en een gewricht van Adalardus, beide metgezellen van Bonifatius en met hem in Dokkum vermoord.
(Ben Speet)

(Openingsbeeld: Reliekenschrijn met schedelfragment van de Hl. Maarten. Nederlands, circa 1950. (Museum Catharijneconvent, foto Ruben de Heer)

Lees de andere helft van dit boeiende artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder