Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De doodendraad

21 april 2015 Siebrand Krul

Eind november 1914 was het voor de Duitsers duidelijk dat het bezette hinterland in België en Noord-Frankrijk beter ingericht en afgeschermd moest worden. De Belgisch-Nederlandse grens bleek immers zo lek als een vergiet. Vluchtelingen, smokkelaars, spionnen, soldaten en vrijwilligers liepen vrijwel ongehinderd heen en weer over de grens. Over honderden kilometers werd een versprerring aangelegd met een voor de meeste mensen volslagen onbekende vijand: electriciteit. Dat is honderd jaar geleden.

In december werd het gebied opgedeeld in specifieke bezettingszones waarmee een eind kwam aan het vrije verkeer van burgers tussen en in deze zones, behalve wanneer men beschikte over een Duitse pas daarvoor. Het Duitse generaalgouvernement stelde meteen ook een Grenzgebiet vast, met een breedte van drie kilometer. Inwoners van deze strook mochten zonder specifieke toelating hun woonplaats niet verlaten. De feitelijke grenszone zelf, de Grenzstreife, was 200 meter breed.
De grensovergangen tussen België en het neutrale Nederland werden bewaakt door Landstormers, oudere Duitse soldaten, en de grens zelf werd door ruiterpatrouilles gecontroleerd. Sommige achtergebleven Belgische, Britse en Franse soldaten verstopten zich en probeerden via Nederland terug bij hun eenheden te geraken. Duizenden Belgische en Noord-Franse mannen waagden deze route om weer aan hun eigen kant van de frontlijn te komen. Na de patriottische Kerstbrief van kardinaal Mercier staken in januari 1915 bijna 6.500 Belgische mannen de grens over om het Belgisch leger te vervoegen. In Nederland verklaarden zij dat ze naar Engeland gingen om ‘werk’ te zoeken, de enige officiële verklaring die de Nederlandse overheid nodig had.

 

Luchtballon klaar om opgelaten te worden om het niemandsland te controleren. (Coll. HK Baarle-Hertog)

Luchtballon klaar om opgelaten te worden om het niemandsland te controleren. (Coll. HK Baarle-Hertog)

Passierschein
De Duitse bezetter probeerde met talrijke verordeningen en boetes de vlucht van weerbare mannen tegen te gaan en vanaf 26 januari 1915 kregen mannen tussen de zestien en vijfenveertig jaar geen Passierschein, reispas, meer. Voor het beter afdichten van de grens spendeerden de Duitsers liever niet meer troepen, maar werd een technische oplossing gezocht. Begin 1915 was langs de Frans-Zwitserse grens, in Duits bezet gebied, geëxperimenteerd en op voorspraak van Abwehrofficier Schütte ontstond zo het plan voor een elektrische draadversperring langs de Belgisch-Nederlandse grens. De legerleiding was enthousiast en op 6 juni 1915 stuurde de Duitse ambassadeur in Den Haag een nota naar het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken met de mededeling dat het Duitse leger langs de Belgisch-Nederlandse grens een draadversperring zou aanleggen, een Elektrische Grenzabsperrungszaun.

 

De draadversperring sneed ongenadig door straten en wegels. Hier in het gehucht Muggenhoek van Prosperpolder. (Coll. F. Duinkerke)

De draadversperring sneed ongenadig door straten en wegels. Hier in het gehucht Muggenhoek van Prosperpolder. (Coll. F. Duinkerke)

Electrocutie
Tussen het Zwin (Knokke/Retranchement) en het Drielandenpunt (Gemmenich/Vaals) bouwden de Duitsers vooral tussen april en augustus 1915 een draadversperring langs de Belgische kant van de grens. Het terrein werd vrijgemaakt, om de drie of vier meter werden drie rijen palen van dennenhout in de grond geslagen, isolatoren op de middelste rij palen geplaatst en ten slotte draad gespannen. Op de twee meter hoge middelste palen werden om de vijftien à twintig centimeter vijf tot tien stroomdraden gespannen. Op sommige plaatsen werden die stroomdraden ook verticaal met elkaar verbonden, wat de passage er niet op vereenvoudigde. Op de twee buitenste rijen palen werd prikkeldraad gespannen om het naderen tot de elektrische draad af te remmen. Een grensafscheiding met prikkeldraad vonden de mensen niet erg, men kon daar toch door of over? In de (grens)dorpen wisten de mensen niets over elektriciteit, men gebruikte nog kaarsen of petroleumlampen als verlichting. De Duitsers plaatsten langsheen de afsluiting bordjes met de tweetalige waarschuwing ‘hoogspanning – doodsgevaar’. Pastoors en onderwijzers wezen op het gevaar van de elektrische draad en ook de kranten berichtten uitvoerig over de dodelijke grensafsluiting. Velen dachten evenwel dat het een Duits verhaaltje was om schrik aan te jagen, ook toen die postkaarten met geëlektrocuteerde slachtoffers verspreidden. Her en der viel er al een slachtoffer op de eerste dag dat de elektrische draad operationeel was. Op 13 juli 1915 was dat het geval in Prosperpolder en werd een Antwerpenaar geëlektrocuteerd die via deze Oost-Vlaamse grenspolder België wou verlaten. Op 30 juli 1915 was de draadversperring bij Hoogstraten klaar en reeds diezelfde nacht bleef een Fransman uit Valenciennes aan de draad in Wortel hangen.

 

Poort - met elektrische draad boven het hek - bij Minderhout. (Coll. HK Baarle-Hertog)

Poort – met elektrische draad boven het hek – bij Minderhout. (Coll. HK Baarle-Hertog)

Stroomvoorziening
De stroomsterkte op de draden bedroeg normaal 2.000 volt. Bij onderhoudswerken, maar ook bij onweer of overstromingen, werd de stroom afgeschakeld. Soms zat er maar 500 volt op de draden en soms stond maar één draad onder spanning. Weliswaar alternerend, zodat het onvoorspelbaar bleef. Uiteraard waren er ook gewone ongelukken. Op 8 september 1916 kwam in Bergeijk de vierjarige kleuter Peter Wuijts, zijn ouders woonden op amper dertig meter van de draadversperring, al spelend bij grenspaal 187 tegen de draad terecht.

 

Geposeerde foto met een 'dodelijk slachtoffer'.

Geposeerde foto met een ‘dodelijk (Duits) slachtoffer’. (Coll. HK Baarle-Hertog)

Om de 1,5 tot 2,5 kilometer stond tussen de Schelde en het Drielandenpunt een schakelhok. Naast de technische apparatuur om de draad onder stroom te houden, waren dit ook wachtlokalen voor de Duitse grenswachters. Wanneer de stroom op de draad onderbroken werd, ging er in de schakelhuisjes een alarm af. Met de telefoon konden de wachters daar versterking oproepen. Langsheen de draad patrouilleerden Duitse schildwachten van schakelhuisje naar schakelhuisje en er lagen, zeker in de kustzone, ook mijnen. Op sommige wachttorens stonden zoeklichten. Overdag werden, zeker in de Kempen, luchtballonnen opgelaten om verplaatsingen in het ‘niemandsland’ tussen de draadversperring en de feitelijke grens in de gaten te houden.

Niemandsland
Tussen Knokke en het Drielandenpunt is de Belgisch-Nederlandse grens bijna 450 kilometer lang. Om die, soms wonderlijk kronkelende, afstand in te korten, kwamen stukken bewoond land achter de draadversperring te liggen. Duitse bezettingstroepen patrouilleerden in dit ‘niemandsland’ om zowel de bewoners te controleren als om smokkelaars op te sporen. Langs Nederlandse kant werd de grens waar geen Duitse draadversperring stond door het Nederlandse leger afgesloten met prikkeldraad, met daarachter Nederlandse militairen die er niet voor terugschrokken om te schieten. De drie ‘bulten’ in het noorden van de Antwerpse Kempen (Essen, Nieuwmoer en Wildert; Meer; Meerle, Meersel-Dreef en een deel van Minderhout; Poppel, Weelde en Ravels) werden de grootste stukken ‘niemandsland’ en kwamen tussen de Nederlandse en de Duitse draadversperring te liggen.
In het enclavegebied van Baarle-Nassau/Hertog werd de 54 kilometer lange rijksgrens teruggebracht tot 15,5 kilometer. Bij het uitzetten van de draad werd maar één foutje gemaakt door de toegangsweg tot de enclave De Blokken af te sluiten. Daardoor stond er over een lengte van tien meter Nederlands grondgebied een Duitse dwanggrens. De in Den Haag verblijvende Antwerpse eigenaar, bankier John Leysen, protesteerde bij de Nederlandse overheid. Het grensincident werd opgelost door de draadversperring om de bewuste enclave te leiden. Dat kostte de Duitsers een kilometer draden en palen.
In totaal werd een 350 kilometer lange draadversperring aangelegd.
(Harry van Royen)

(Openingsbeeld: Nederlandse soldaten werden nogal eens slachtoffer van de geëlectrificeerde grensafscheiding. De familie moest maar zien hoe ze de lichamen thuis kregen, op eigen kosten.)

Lees het volledige artikel, en tal van andere historische verhalen, in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder