Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De overval op Nederland

11 maart 2015 Siebrand Krul

Op 1 september 1939 vielen Duitse troepen Polen binnen. Twee dagen later verklaarden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk Nazi-Duitsland de oorlog. De Tweede Wereldoorlog was een feit en met grote bezorgdheid volgden de Nederlandse en Belgische regeringen de ontwikkelingen. De strijd in Polen was nog maar nauwelijks gestreden of Adolf Hitler richtte zijn blik naar het westen. Reeds op 9 oktober 1939 gaf hij zijn militairen opdracht een offensief voor te bereiden.

 

Zij hadden twee belangrijke lessen uit de uitzichtloze loopgravenstrijd van 1914-1918 getrokken. Bij gebrek aan strategische grondstoffen kon Duitsland zich geen langdurige oorlog veroorloven. Daarnaast moest – ondanks het Ribbentrop-Molotovpact van 23 augustus 1939 – altijd rekening gehouden worden met een twee frontenoorlog en dat betekende dat de Fransen en hun Britse bondgenoten op het continent in een beweeglijk gevoerde oorlog snel vernietigd zouden moeten worden. Toch reageerden de toonaangevende militaire planners weinig enthousiast op Hitlers opdracht. Zij vonden dat de Duitse krijgsmacht meer voorbereidingstijd nodig had. Op 19 oktober produceerde de Chef van de Duitse Generale Staf, General Halder, de Aufmarschanweisung ‘Gelb’. Fall Gelb was de Duitse codenaam voor de aanval in het westen. Het was een provisorisch, halfslachtig operatieplan waarvan de algemene aanvalsrichting overeenkwam met het in 1914 mislukte Schlieffenplan en mogelijk mede de bedoeling had Hitler ervan te overtuigen dat een westelijk offensief geen kans van slagen had. Het zwaartepunt in dit plan lag bij de Heeresgruppe B, de meest noordelijke van de drie Heeresgruppen waaruit het Duitse leger in het westen bestond. De sterke Franse Maginotlinie langs de grens dwong het zwaartepunt van het Duitse offensief naar Vlaanderen. Halder ging er hierbij vanuit, en dat was nieuw, dat Duitse eenheden delen van Nederland ten zuiden van de grote rivieren als opmarsgebied zouden gebruiken. Ook de Vesting Holland, het hart van de Nederlandse defensie, zou moeten worden veroverd.

 

Bij de inval in Nederland gebruikte het Duitse leger een aantal pantsertreinen om snel in de diepte te kunnen doorstoten. (Foto Bundesarchiv Koblenz)

Bij de inval in Nederland gebruikte het Duitse leger een aantal pantsertreinen om snel in de diepte te kunnen doorstoten. (Foto Bundesarchiv Koblenz)

Duitse plannen waaieren uit
In de tweede versie van het aanvalsplan dat op 29 oktober werd vastgesteld, kwam Nederland niet meer voor. Het zwaartepunt van het Duitse offensief bleef bij de Heeresgruppe B onder Generaloberst Fedor von Bock berusten, maar diens eenheden moesten nu niet alleen ten noorden , maar ook ten zuiden van Luik door de Belgische verdedigingslinies heenbreken. Hitler wilde al op 5 november ten strijde trekken, maar slecht weer belette dat. De Luftwaffe gebruikte het uitstel voor kritiek op de beslissing Nederland ongemoeid te laten. Britse luchtstrijdkrachten zouden de kans krijgen vanaf Nederlandse vliegbases het Ruhrgebied te bestoken. Hitler liet zich overtuigen en op 15 november gaf het Oberkommando der Wehrmacht de zogenoemde Holland Weisung uit ; Fedor von Bock moest Nederland tot de Grebbelinie bezetten en samen met de Kriegsmarine de Waddeneilanden veroveren. Deze keerde zich tegen dit plan, omdat de rechterflank van zijn leger ongedekt zou moeten oprukken. Hij bepleitte daarop een aanval op geheel Nederland en won het pleit. In de derde Aufmarschanweisung van 30 januari zou de Heeresgruppe B over een breed front naar de Kanaalkust moeten oprukken, België en Nederland veroveren en zoveel mogelijk Franse en Britse troepen in het Vlaams-Franse grensgebied uitschakelen.

 

Kaart van de uitgangsposities op 10 mei 1940. (Cartografie Louis Kaulartz, Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Kaart van de uitgangsposities op 10 mei 1940. (Cartografie Louis Kaulartz, Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Het ontbreken van een duidelijk zwaartepunt in ‘Fall Gelb’ hadden intussen fundamentele kritiek uitgelokt van luitenant-generaal Erich von Manstein, de chef-staf van de Heeresgruppe A. Hij vreesde dat zo geen beslissende klap zou kunnen worden uitgedeeld. Von Manstein en generaal Heinz Guderian, de grondlegger van het Duitse tankwapen, kwamen met een alternatief aanvalsplan, dat als Sichelschnittplan de geschiedenis is ingegaan. Met tanks en gemotoriseerde eenheden voorop zou de centrale legergroep, de Heeresgruppe A in drie dagen, via Luxemburg en de Ardennen, de Maas moeten oversteken bij Sedan en vervolgens uitbreken. De noordelijke Heeresgruppe B zou zoveel mogelijk geallieerde eenheden naar het noorden moeten lokken; deze zouden vervolgens tussen Heeresgruppe A (de ‘hamer’) en B (het ‘aambeeld’) moeten worden uitgeschakeld. Veel generaals hadden twijfels bij deze aanpak. Een Kriegsspiel op 7 februari overtuigde Halder evenwel van de haalbaarheid. In de vierde Aufmarschanweisung die op 24 februari verscheen, was de teerling geworpen. De Heeresgruppe B moest Nederland veroveren; een taak die werd toebedeeld aan de 18. Armee onder bevel van generaal Georg von Küchler. Tegelijkertijd moest zijn leger zoveel mogelijk geallieerde troepen naar België en Nederland zien te lokken. Om de geallieerden in de waan te brengen dat het Duitse zwaartepunt net als in 1914 in een opmars over Luik naar Vlaanderen lag, kreeg Fedor von Bock de eerste drie dagen maximale Luftwaffe-ondersteuning en kon hij ook pas gevormde luchtlandingseenheden inzetten. Hun optreden bij het fort Eben Emael en in de vesting Holland zou de blik van het Franse opperbevel naar het noorden richten en zo afleiden van het zwaartepunt in de Ardennen.

 

Duitse infanterie passeert Nederlandse gesneuvelden in de straten van Rhenen. Rechts een wrang bord. (Beeldbank WO2/NIOD)

Duitse infanterie passeert Nederlandse gesneuvelden in de straten van Rhenen. Rechts een wrang bord. (Beeldbank WO2/NIOD)

Door de Peel-Raamstelling
De 18. Armee zou met de 1. Kavalleriedivision, het X. Armeekorps en het XXVI. Armeekorps Nederland aanvallen. De opdracht was het land zo snel mogelijk te bezetten om daardoor eenheden vrij te maken voor de strijd in het zwaartepunt. In het aanvalsplan speelde de met paarden en fietsen uitgeruste cavaleriedivisie een ondergeschikte rol. Die divisie moest de noordelijke provincies bezetten en vervolgens over het IJsselmeer de vesting Holland in de omgeving van Enkhuizen binnendringen. Het X. Armeekorps mocht zich in een grotere belangstelling van Von Küchler verheugen. Dit legerkorps, versterkt met twee SS-regimenten, moest ten noorden van de grote rivieren de IJssellinie doorbreken en de Nieuwe Hollandse Waterlinie voor de vesting Holland aanvallen. Met een krachtig verdedigde Grebbelinie hield Von Küchler geen rekening. Het zwaartepunt lag echter bij het XXVI. Armeekorps. Dat had tot taak Noord-Brabant te veroveren en zo de fysieke samenhang tussen de vesting Holland en de Belgisch-Franse verdediging bij Antwerpen en langs het Albertkanaal te verbreken. Concreet zouden twee infanteriedivisies de Peel-Raamstelling moeten doorbreken, om zo de weg vrij te maken voor de 9. Panzerdivision en de SS-Verfügungsdivision. De tankdivisie zou vervolgens vanuit het zuiden de Vesting Holland moeten binnendringen. Aldus zou de Nederlandse hoofdverdedigingslinie langs twee assen onder druk worden gezet. De SS-divisie en andere eenheden zouden tegelijkertijd front naar het zuiden maken om eventuele geallieerde tegenaanvallen vanuit Antwerpen of Zeeland af te slaan.
Ter ondersteuning kreeg Von Küchler het Luftlandekorps van luitenant-generaal Kurt Student onder bevel. Met dit nieuwe korps was ‘geleurd’ en uiteindelijk was besloten tot inzet in Nederland. De parachutisten van de 7. Fliegerdivision zouden vooral bij de Moerdijkbruggen, Dordrecht en Rotterdam worden ingezet en aldus de weg voor de 9. Panzerdivision vrijmaken. De 22. Luftlandedivision zou bij verrassing de vliegvelden rond Den Haag moeten veroveren en vervolgens koningin Wilhelmina, de regering en de Nederlandse opperbevelhebber gevangen moeten nemen; de hoop was dat Nederland dan het Deense voorbeeld uit april zou volgen en onmiddellijk zou capituleren.
Eind februari beproefde Von Küchler in een Kriegsspiel zijn aanvalsplan. De conclusie van zijn hogere commandant, Fedor von Bock, was positief. Hij ging ervanuit dat op de derde aanvalsdag het XXVI. Armeekorps de parachutisten bij de Moerdijkbruggen zou hebben bereikt, waardoor Franse of Britse troepen de kans was ontnomen de Vesting Holland te versterken. Adolf Hitler zelf vertolkte aan de vooravond van Fall Gelb kernachtig de bij de Duitse militaire leiding bestaande inschatting van de Nederlandse landsverdediging: ‘Die Widerstandkraft Hollands sei nur sehr gering einzuschätzen’.

 

Nederlandse infanterie in de Grebbelinie, achter de inundatie. (Foto coll. Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Nederlandse infanterie in de Grebbelinie, achter de inundatie. (Foto coll. Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Concentratie Blaauw – het Nederlandse verdedigingsplan
Sinds de Belgische afscheiding had Nederland een politiek gevolgd van afzijdigheid in vredestijd en van gewapende neutraliteit in oorlogstijd. Dit spoorde met het eigenbelang. Het koloniale rijk bestond bij de gratie van Engelse welwillendheid, terwijl de veiligheid van het Europese moederland gebaat was bij een goede relatie met Duitsland. Dat Nederland de macabere dans van de Eerste Wereldoorlog was ontsprongen, bevestigde in de ogen van velen de juistheid van de neutrale koers. De Nederlandse militaire leiding die nauwgezet de ontwikkelingen in de omringende landen volgde, was minder optimistisch. De bouw van de Maginotlinie en van Belgische grensversterkingen, alsmede de opkomst van het luchtwapen, overtuigde haar dat bij een volgende oorlog het Nederlandse grondgebied hoogstwaarschijnlijk niet zou worden ontzien. Zij gebruikte vanaf 1928 kleuren om verschillende scenario’s aan te duiden; zo was concentratie Blauw het verdedigingsplan ingeval van een Duitse aanval. Generaal H.G. Winkelman, op 6 februari 1940 aangetreden als Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, besefte dat het leger van 275.000 militairen te klein was om het gehele grondgebied te verdedigen. Hij legde het zwaartepunt bij de Vesting Holland. Daarnaast geloofde hij niet dat zijn militairen tot offensieve mobiele operaties in staat waren. Hij besloot daarom tot het vertragend en verdedigende gevecht vanuit voorbereide stellingen. De Grebbelinie werd de hoofdverdedigingslijn in het midden van het land. Ten zuiden van de grote rivieren koos hij, nadat uit informeel overleg bleek dat de Belgische en Nederlandse verdedigingslinies niet op elkaar aan te sluiten waren, voor een ‘stratégie d’isolement’, zoals de Belgische generaal R. van Overstraeten opmerkte. Het IIIde Legerkorps en de Lichte Divisie waren opgesteld achter de Peel-Raamstelling, om zo de schijn van hardnekkige verdediging te wekken. Op de avond volgend op de eerste oorlogsdag waren beide eenheden al gedwongen zich terug te trekken op de Vesting Holland. Dit betekende dat generaal Winkelman voor de samenhang met het geallieerde front in België al zijn hoop vestigde op Franse troepen die zich (in opdracht van de Franse opperbevelhebber Gamelin) onmiddellijk na het uitbreken van vijandelijkheden in Noord-Brabant zouden moeten ontplooien. De Duitse luchtlandingsoperaties tegen Kopenhagen en Oslo in april leidden tot een versterking van de vliegvelden binnen de Vesting Holland. Op 9 mei, om 21.00 uur, verzond het Algemeen Hoofdkwartier het volgende telexbericht: ‘Van de grens komen zeer verontrustende berichten binnen. Weest dus zeer op Uw hoede’.

(Piet Kamphuis, directeur Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Openingsbeeld: De Grebbeberg was de ‘grendel van de Vesting Holland’. In de nacht van 10-11 mei barstte het Duitse artillerievuur op de stellingen los. De vuurdoop van de verdedigers. ’s Ochtends vroeg kwam de stormloop van SS-eenheden, die met hun fanatisme en discipline indruk maakten op de Nederlanders. Na twee dagen viel de Grebbeberg. Toen werden de slachtoffers geïdentificeerd. (Beeldbank WO2-NIOD)

Lees de andere helft van dit boeiende artikel, en bekijk veel illustraties, in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder