Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Exotische freakshow

19 februari 2015 Siebrand Krul

In 1904 werden meer dan duizend inwoners van de Filipijnen overgebracht naar de Verenigde Staten, waar ze als zoo humain werden opgevoerd in de Wereldtentoonstelling van Saint-Louis. In 1898 waren de Filipijnen na een bloedig conflict in Amerikaanse handen gekomen. De oud-kolonie VS, hadden nu zelf een kolonie, maar de bevolking was er niet klaar voor. De regering stelde daarom alles in het werk om de volkeren van de Filipijnse archipel bij de massa te introduceren en tegelijk haar expansieve buitenlands beleid te propageren. De World’s Fair van Saint-Louis was hiervoor de gedroomde kans.

In Saint-Louis werd ‘the Philippine Reservation’ het succesrijkste deel van de hele Wereldexpo. De Filipino’s voerden er dansen uit en demonstreerden andere activiteiten, zoals weven en metaal bewerken. Absolute topper was de ‘Igorote Village’, waar ruim honderd Igoroten werden getoond in zelf gebouwde hutten. Ze waren vooral afkomstig uit Bontoc, een landstreek in het gebergte of cordillera in het noorden van het eiland Luzon. Eind 1903 werden met de hulp van goed opgeleide Filipijnse tolken bij vijf bergstammen inwoners verzameld met wie contracten werden afgesloten voor de duur en vergoeding van de hele reis. Vooral jonge avonturiers zagen hierbij hun kans schoon om wat geld te verdienen voor henzelf en hun familie. Het bonte gezelschap stak de Stille Zuidzee over en doorkruiste per trein het continent. Velen overleefden de vrieskou niet. De Bontoc-Igoroten hadden, in tegenstelling tot de gekerstende bewoners van het laagland of de kuststreek, nog hun ‘primitief’ karakter bewaard. Naast hun reputatie van koppensnellers, was ook het eten van hondenvlees bij speciale gelegenheden een van hun tradities. Dit uitzonderlijk gebruik werd in Saint-Louis al te sterk in de verf gezet. Meerdere keren per week was er een ‘dog feast at lunch time’. Volgens sommige bronnen zou de huidige wijk ‘Dogtown’ (in Clayton/Tamm) zelfs zijn naam ontlenen aan het expo-dorp. Het enorme succes spoorde enkele zakenlui aan om met de ‘head-hunting and dog-eating wild people’ ook nadien nog lucratief rond te trekken. Daarbij werd de hond aan het spit, als gevolg van het groeiend protest van hondenliefhebbers, meestal van het menu geschrapt.

De Bentoc-Igoroten dansen voor het Amerikaanse publiek, 1904.

De Bentoc-Igoroten dansen voor het Amerikaanse publiek, 1904.

Freak show voor Europa
Eén van hen was de Amerikaan Richard Schneidewind uit Michigan, een veteraan van de Filipijns-Amerikaanse oorlog. In de World’s Fair van Saint-Louis runde hij een tabaksconcessie en zorgde er tevens voor de bevoorrading van een andere Filipino-groep in de Visayan Village. Schneidewind had er goede relaties met de Bontoc-Igoroten opgebouwd. Samen met Edmund Felder stichtte hij in 1905 ‘The Filipino Exhibition Company’. Na jaren lang rondreizen door de States en optredens in zowat vijftig steden – steeds onder toezicht van de regering -, plande hij een tournee door Europa, waar het politiek-educatieve argument niet aan de orde was en alleen de ‘freak show’ zou overblijven. Begin 1911 recruteerde Schneidewind een nieuwe groep in de Filipijnen, maar het verzet in Bontoc was groot, zowel bij de gemeenschap zelf, bij de Anglicaanse missionarissen als bij lokale bestuurders, die zich meer en meer keerden tegen het voortdurend opvoeren van de autochtonen. Ook de invloedrijke Anglicaanse bisschop Brent sloot zich aan bij dit protest, dat echter niet werd gesteund door de gouverneur-generaal William Cameron Forbes. De jeugdige Bontocs wilden wel vertrekken; ze slaagden er in weg te lopen en met Schneidewind en zijn gezin – echtgenote Selma en twee kleine kinderen – in te schepen in de havenstad Candon, aan de westkust van Luzon, richting Marseille. Na Parijs (‘Magic City’, Pont de l’Alma, 1911) – en Londen (Earl’s Court, 1912), Amsterdam en Brussel belandde de ‘Schneidewind exhibition group’ bestaande uit zesendertig mannen, zestien vrouwen en twee kinderen op 20 april 1913 in België en tien dagen later in de Wereldtentoonstelling van Gent.
In Europa werden sinds lang etnografische spektakels gebracht, onder meer tijdens de Expositions Coloniales in Frankrijk. Ook op Wereldexpo’s was het etaleren van vreemde volkeren in een soort menselijke dierentuin als exotisch amusement sinds lang een stevige traditie. Amsterdam 1883 bracht een Surinaams dorp en een Javaanse ‘kampong met inboorlingen’, en in Brussel 1897 was het koloniale Village Congolais aangelegd. In 1887 was ook reeds een groepje Igoroten tentoongesteld in Madrid, toen de Filippijnen nog aan Spanje toebehoorden. De vrijheidsstrijder José Rizal leverde hierop felle kritiek.
Schneidewind liet verwachtingsvol zijn oog vallen op de Wereldexpo in Gent, maar daar liep het mis. Het zou het einde betekenen van zijn Europese tournee.

Mrs. Wilkins leert een Igorot-jongen de 'cakewalk' op de Wereldtetoonstelling in 1904. Reuze handig voor als hij weer terug is op de Filipijnen.

Mrs. Wilkins leert een Igorot-jongen de ‘cakewalk’ op de Wereldtetoonstelling in 1904. Reuze handig voor als hij weer terug is op de Filipijnen.

Indianenkamp in Oud-Vlaanderen
Bij hun aankomst was de expo al aan de gang en Schneidewind moest op zoek gaan naar een vrij plaatsje in het Citadelpark, waar alle attracties verzameld waren. Daar bevond zich echter het Senegalees Dorp en uit vrees voor concurrentie verzette de Franse impresario zich tegen de komst van de Filipijnen in zijn nabijheid. De Amerikaan moest genoegen nemen met een uithoek van het verderop apart georganiseerde ‘Oud-Vlaanderen’, dat bestond uit een groepering reconstructies van Vlaamse historische gebouwen, ongetwijfeld ter beschikking gesteld voor een fiks standgeld. Daar moesten de Igoroten op een grasveld zelf hun hutten bouwen, waar men ze vervolgens aan het werk kon zien in hun ‘huishoudelijke bezigheden en nijverheden, namelijk een zeer primitieve manier van weven, de houtgravuur met vuur, beeldhouwwerken, mandenmakers, plettering van rijst, vuur maken door de wrijving van twee bamboetakken, enz…’ Ze voerden ook oorlogs- en andere dansen uit, deden loopwedstrijden, speerwerpen en mastklimmen.
De Vlaamse auteur Cyriel Buysse bracht een niets verhullende en confronterende beschrijving: ‘Doch wat hij niet begreep, en wat ik ook eerst na enorme inspanning beseffen kon, dat was in ’t hartje zelf van dat zéér echt namaak-Oud-Vlaanderen, de tegenwoordigheid van een Indianenkamp! Het waren inboorlingen uit de Philippijnen. Zowat driekwart naakte bruine kerels, die een mengselprodukt leken van apen en Mongolen. Zij wierpen met speren en schoten met pijlen en gilden daarbij geweldig, zoals men van wilden verwacht. Hun vrouwen zaten op het primitieve weefgetouw en hadden niet zelden een klein kind, als een worst gebonden op de rug. Zij rookten allen flink en spuugden, klaar en verre.’

Op de Wereldtetoonstelling van 1883 in Amsterdam werd een Surinaams dorp nagebouwd.

Op de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam werd een Surinaams dorp nagebouwd.

De dood van Timicheg
De kleine gemeenschap kende tijdens de expo een geboorte – het meisje werd Flandria genoemd – en een overlijden, waarover de lokale krant op 20 augustus berichtte:
‘Het Filipijns Dorp dat zich in Oud-Vlaenderen verheft, is in rouw. Timicheg, één van de inwoners, is naar de Velden van de Grote Jager vertrokken. Hij was pas 28 jaren oud. Hij verkwijnde langzaam in ons weinig gastvrij klimaat, ver van zijn land waar de brandende zon alles zo heerlijk maakt. Hij voelde heimwee, werd moedeloos, vatte koude en stierf. De bewoners van het dorp omringden hem en woonden het vertrek bij van zijn geest. Dit overlijden gaf aanleiding tot een ganse reeks rouwbetuigingen vanwege de kannibalen. Zij riepen en tierden om de boze geesten af te schrikken die Timicheg op de eeuwige jacht zouden kunnen vergezellen en lieten bij een pachter in de omtrek een varken kopen dat ze keelden en rauw oppeuzelden. Het Algemeen Bestuur werd van het sterfgeval in kennis gebracht en deed het lijk naar het gasthuis brengen. De overledene ging met de vooruitgang mee: vooraleer te sterven drukte hij de wens uit met zijn klederen – een paar lappen en een gordel – begraven te worden. Heden woensdag om 1 uur 30 werd Timicheg begraven op het gemeentekerkhof van de Brugse poort.’

Op de tentoonstelling in Saint Louis wordt in 1904 een hond geslacht.

Op de tentoonstelling in Saint Louis wordt in 1904 een hond geslacht.

Brief aan president Wilson
Van de ticketverkoop is niets bekend, maar de inkomsten moeten een tegenvaller zijn geweest. Anders dan de Franssprekende, elegante en vriendelijke zwarten uit Senegal, vielen de vervaarlijk ogende, vrijwel naakte Igoroten niet echt in de smaak van het burgerlijk publiek en schrikten ze zelfs vele bezoekers af. Het kan de verklaring zijn waarom er geen enkele foto of afbeelding van werd teruggevonden. Toen enkelen van hen na afloop van de expo bedelend rondzwierven in de stad, ging het gerucht dat Schneidewind zijn groep in de steek had gelaten. Ze werden door de legerleiding opgevangen. Lokale krantenberichten over hun lot bereikten de Amerikaanse pers. In werkelijkheid zat de impresario in geldnood en kon hij zijn groep niet langer betalen of onderhouden. Hij beloofde hen wel betere inkomsten op de volgende Wereldtentoonstelling in San Francisco in 1915. Twee tolken, Ellis Tongai en James Amok, keerden zich nu ook tegen hem. In een lange brief aan president Woodrow Wilson, aangesproken als ‘Our Father’, klaagden ze erover niet te zijn betaald en vroegen ze hulp om terug te keren, iets wat hen werd belet, stelden ze. Voorts beweerden ze dat er al negen mensen waren gestorven onder wie vijf kinderen. Van die laatste feiten zijn echter geen sporen terug te vinden. De brief eindigde met ‘Your obedient servants, the natives of Bontoc Province – Interpreters of the troop’. Hierop gelastte de Amerikaanse regering de consul in Gent deze zaak te onderzoeken. Toen bleek dat er binnen de groep onenigheid was: een deel wou verder rondtrekken, in Europa of Amerika, anderen wilden na twee jaar snel weer naar huis. De VS-regering zag de hele groep eveneens liever terugkeren naar hun land van oorsprong.

Schneidewind temidden van zijn Bontoc-groep.

Schneidewind temidden van zijn Bontoc-groep.

Vluchten in een danstent
In afwachting van een oplossing kreeg het gezelschap tijdens de gure winterdagen een onderkomen in een oude danstent in Merelbeke, dicht bij Gent. Op 5 december 1913 maakte de impresario persoonlijk zijn opwachting in het bureau van de Gazette van Gent, om zich te verdedigen tegen de aantijgingen. Hij zei dat hij nog steeds voor de Igoroten zorgde en dat ze zich met opzet ellendig voordeden om medelijden te wekken. ‘Allen zijn thans warm gekleed en dragen schoenen’, verzekerde hij. Belangstellenden, lees milde schenkers, mochten zich wenden tot de heer Oscar Eggermont, Bergstraat in Merelbeke, waar hij ook zelf verbleef. ‘Schijnen de Filipijnen arm, in alle geval hebben zij geen zo ontstichtende tonelen uitgelokt als zekere andere buitenlanders,’ voegde hij er trots aan toe: Volgens een andere krant bedoelde hij daarmee ontegensprekelijk ‘het schandelijk gedrag van enige der Senegalezen die het met Gentse meisjes hadden aangelegd.’ Steeds volgens de Amerikaan hadden de Filipijnen ‘reeds 10.000 frank naar huis kunnen zenden. In de tentoonstelling wonnen zij nog 8.000 frank voor hun arbeid. De volgende week zullen er vijfentwintig naar hun vaderland teruggezonden worden, wat nagenoeg 8.000 frank zal kosten en zevenentwintig blijven nog te Merelbeke, in afwachting dat zij naar de tentoonstelling in Lyon vertrekken’.
Daar kwam echter niets van terecht. Uiteindelijk keerden alle Bontocs op instructie van de VS-consul in december 1913 via Marseille terug naar Manilla. Eén van hen weigerde dat; hij ging er in Gent vandoor en sprong op een trein naar Brussel. De consul onderzocht de hele zaak, maar Richard Schneidewind werd niet vervolgd. In 1914 vaardigde de VS-regering in de Filipijnen een verbod uit om nog langer inlanders als mensenzoo op te voeren. Schneidewind bracht het jaar daarop nog een keertje autochtonen uit Samoa naar de Wereldtentoonstelling in San Francisco. Nadien werd hij ‘streetcar inspector’ en rond 1928 autoverkoper in Detroit, waar hij probeerde zijn business tot de hem goed vertrouwde Filipijnen uit te breiden. Hij overleed in Detroit in 1938.

(André Capiteyn)

(Openingsfoto: De ‘inboorlingen’ voeren een spektakel op uit Coney Island, 1905)

 

Lees het voledige artikel in de jongste G-GESCHIEDENIS. Nog twee weken overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder