Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

VOC-vrouwen in Batavia

17 december 2014 Siebrand Krul

‘Wie en weet niet, dat het mannelijke geslacht sonder vrouwen niet bestaen can?’ Deze uitspraak is van Jan Pietersz. Coen, de eerste gouverneur in Batavia. De Nederlandse vrouwen die dankzij de VOC in Indië terecht waren gekomen, hebben in de 17de en 18de eeuw een grote bijdrage aan de samenleving geleverd. Zo droegen de vrouwen eraan bij dat Europese culturele normen en waarden en omgangsvormen werden geëerbiedigd. Maar anders dan Coen bedoelde, bleven de vrouwen in Batavia niet alleen achter de geraniums zitten.

In 1605 verdreven de Nederlanders de Portugezen van het Molukse eiland Ambon en vestigden er de eerste permanente Nederlandse handelspost in Indië. Enkele jaren later, in 1619, veroverde Jan Pieterszoon Coen de Javaanse havenstad Jacatra, waar de Compagnie sinds een aantal jaren een factorij had. De bevolking werd verdreven en de stad platgebrand. Op de puinhopen van Jacatra werd Batavia gebouwd, een stad die al snel de zetel werd van het bestuur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Indië.

‘Gestoofde peertjes’
Om de veiligheid en stabiliteit van de nederzetting te vergroten, werden bestuursorganen ingesteld, zoals een stadsbestuur en een politioneel en militair apparaat. De personen die aanvankelijk met één van de VOC-schepen naar Batavia kwamen, waren voornamelijk mannen. Maar zoals Coen in een schrijven aan de Heren XVII, het bestuur van de VOC, al snel duidelijk maakte, konden samenlevingen niet groeien zonder vrouwen. Daarom was de overkomst van vrouwen uit Nederland voor deze vrijgezelle mannen hoognodig. Dat ze gewild waren, merkten de vrouwen al snel. Wanneer er een schip uit Nederland in Batavia aankwam met een groep huwbare vrouwen aan boord, verdrongen de heren zich bijna op de kade. De dames werden volgens een tijdgenoot als ‘gestoofde peertjes’ binnengehaald. Veel tijd voor de mannen om te twijfelen over de vraag welke schone het hof te maken, was er niet. De concurrentie was immers groot. Het duurde voor de meeste vrouwen dan ook niet lang voordat ze in ondertrouw gingen. De vrouwen, die minder aantrekkelijk waren voor de vrijers, werden opgevangen in een vrouwenhof in de stad. Omdat in dit pand tevens een school voor de overgekomen dames was gevestigd, werd de instelling ‘De Groote Schoole’ genoemd. Hier had de VOC een aantal gouvernantes geplaatst, die de soms erg jonge meisjes netjes en christelijk moesten opvoeden en klaarstomen voor het moment dat zich een huwbare man voor hen meldde. Naast de uit Europa afkomstige dames werden in ‘De Groote Schoole’ soms ook Aziatische vrouwen voorbereid op een christelijk huwelijk.

VOC-wb2

Illegale handeltjes
Wanneer vrouwen zich in de gelukkige positie bevonden echtgenote te worden van een belangrijke lokale bestuurder of dienaar van de Compagnie, hadden ze volop mogelijkheden om goed geld te verdienen. Ze beschikten dan doorgaans over voldoende startkapitaal en konden van de contacten van hun man gebruikmaken om de nodige goedkeuringen en vergunningen te regelen. Een prima uitgangspositie voor een bloeiend bedrijfje. Ze konden zich echter ook gemakkelijk op het illegale pad begeven, zonder dat ze daarbij het risico liepen gearresteerd en veroordeeld te worden. Want wanneer hun illegale handeltjes werden ontdekt, konden ze door hun eigen wettelijke handelingsonbekwaamheid niet aangepakt worden; hun echtgenoten waren immers verantwoordelijk. Omdat er natuurlijk geen sprake van kon zijn dat deze vooraanstaande heren voor de activiteiten van hun vrouwen veroordeeld werden, kwamen de dames er doorgaans mee weg. Vrouwen konden zich zo achter de brede rug van hun man verschuilen en doorgaan met hun illegale praktijken.

Goddeloos en ontuchtig
Veel vrouwen die uit Nederland overkwamen, leefden in de ogen van hun tijdgenoten een goddeloos en ontuchtig leven. Ze vulden hun dagen met dansen en drank en verdienden met prostitutie wat geld. Met dat laatste voorzagen velen overigens in een ruime vraag. De ongeveer tweeduizend zeebonken en soldaten die in Batavia en de Ommelanden gelegerd waren, zochten geregeld vertier in de stad; kroegbazen en prostituees boden dat in de zogeheten ‘Gribusbuurt’, waar in de Lepel- en de Zandstraat de nodige kroegen en herbergen te vinden waren. Vanzelfsprekend werd in deze onderkomens flink gedronken. Met grote regelmaat moesten de autoriteiten ordehandhavers sturen om gevechten en opstootjes de kop in te drukken. De kosten hiervoor liepen zo hoog op dat het stadsbestuur uiteindelijk een flinke belasting op bier en wijn invoerde om de ordehandhaving te financieren. Het geeft aan in wat voor ruwe omstandigheden veel vrouwen verbleven na hun overkomst uit ‘patria’.
Niet alleen uit Nederland afkomstige vrouwen boden in Batavia hun diensten aan. Ook veel inlandse vrouwen waren beschikbaar voor de matrozen die in groten getale de stad binnenstroomden. In sommige gevallen werden de Aziatische dames zelfs aangemoedigd door hun echtgenoten, die in de hoererij van hun vrouw een aardig extra zakcentje zagen. Dan ‘converseerden’ de matrozen met inlandse vrouwen ‘ende [hun mannen] bennen daer niet quat om maer laeten ’t toe’. Een amoureus samenzijn tussen een Hollandse matroos en een exotische schone gaf de zeevarende wel de mogelijkheid een fantastisch excuus te verzinnen voor het feit dat hij veel te laat naar zijn schip was teruggekeerd. Zo vertelde de onderbarbier Jan Cornelisz. in 1622, nadat hij zich vier dagen te laat bij zijn schip had gemeld, dat bij het bedrijven van de liefde met een ‘swarte vrouwe’ zij zijn ‘mannelijckhijt had bezworen’. Omdat Jan deze betovering natuurlijk ongedaan wilde laten maken, was hij naar haar op zoek gegaan. Pas na vier dagen vond hij haar terug en hielp ze hem met behulp van een hem onbekend ‘groen blat met wat root goet’ van zijn kwaal af.

‘Stinkende swartinnen’
Sommige inlandse vrouwen gingen een duurzamere relatie aan met een Europese man. Het kon voor hen financieel zeer lucratief zijn om met een VOC-dienaar in concubinaat te leven. Al vanaf de komst van de eerste Nederlanders in de Indische archipel woonden deze zogeheten ‘njai’ bij Nederlandse mannen in, deden het huishouden, maar deelden ook het bed met hen en waren vaak de moeder van hun kinderen. Coen verzette zich tegen dit soort verbintenissen en verbood ze expliciet, toen hij zijn plannen voor een kolonisatie- en huwelijkspolitiek lanceerde. Hij werd in zijn afwijzing gesteund door de chirurgijn De Graaff, die in zijn reisverslag optekende dat de ‘stinkende swartinnen doorgaans nergens anders om komen te trouwen, als om haar eygen profijt en voordeel.’ Deze vrouwen waren volgens hem zo lelijk ‘datmer de kinders mede soude te bed jagen; also dat ik geloof dat’er tussen den duyvel en haar geen of seer weynig onderscheyd en is’. De mannen aan wie ze zich verbonden hadden, zouden dan ook al snel spijt van hun keus hebben gekregen. In de ogen van veel Europeanen was het simpelweg niet gepast dat een zwarte vrouw van lage afkomst uitsluitend voor het geld met een Europese man samen was.

Ondernemende vrouwen
Veel Europese en Aziatische vrouwen gebruikten dus hun lichaam om aan de kost te komen. Er waren natuurlijk ook vrouwen die hun tijd op een eerzamere manier doorbrachten, zoals de vroedvrouw. De VOC had in de eerste helft van de 17de eeuw in Batavia een aantal vroedvrouwen in dienst. Anderen hadden een betrekking als beheerder van het plaatselijke armen- of weeshuis. Zij werkten dan, vaak aan de zijde van hun man, als ‘binnenmoeder’ en hielpen mee met de verzorging en opvoeding van de kinderen. Ook aan het hoofd van het vrouwentuchthuis stond vaak een ‘moeder’. Zij was verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van alles wat zich binnen de muren van het huis afspeelde. Vrouwen speelden zo een belangrijke vormende rol in de Bataviase maatschappij. Juist op plekken waar mensen hulp en ondersteuning nodig hadden, sprongen ze bij en zorgden er zo voor dat met name kinderen en vrouwen met een probleemrijke achtergrond weer enig perspectief in hun leven kregen.
Vrouwen kwamen daarnaast nog op allerlei andere manieren rond. Zo waren er die een kroeg of een herberg in het havenkwartier uitbaatten. Dit waren doorgaans vrouwen van zeevarenden; ze kenden de zeemansmores en wisten met ruw zeevolk om te gaan. Ook typische mannenberoepen konden in Batavia door vrouwen worden uitgeoefend. Zo bediende de vrouw van een geestelijke zelfs de drukpers van de stad. Verder werkten vrouwen als herbergierster of hadden een winkeltje of een ander handeltje. De weduwe M. Gadé, geboren Overduyn, ontving in 1661 van de Bataviase regering het alleenrecht op het verhuren van rouwmantels. In een stad met een hoog sterftecijfer was dat een lucratieve handel.

Buitensporige weelde
Met name in de eerste helft van de 18de eeuw, toen de voorspoed van de Compagnie een hoogtepunt bereikte, leefde een belangrijk deel van de betere klassen van Batavia in buitensporige weelde. Die welvaart kwam zeker niet alleen voort uit de gages die de mannen bij de VOC verdienden. De door de Compagnie zo verguisde en streng verboden, maar voor hen die zich er schuldig aan maakten zeer lucratieve, particuliere handel tierde welig. Niet alleen de compagniesdienaren maakten zich schuldig aan deze, in de woorden van de bewindhebbers, ‘enorme vuyligheden’, ook hun vrouwen deden actief mee aan allerlei vormen van sluikhandel. Het op papier harde optreden van de VOC tegen de handel buiten het monopolie van de Compagnie om had weinig zin, omdat de schepen die illegale ladingen vervoerden met rust gelaten werden als bekend was dat ze toebehoorden aan een aantal vooraanstaande figuren. Dit had uiteraard tot gevolg dat welgestelden zich steeds minder aan de regels hielden en de illegale handel dus bloeide.

75 Kisten opium
Een vrouw die zich jarenlang onbeschaamd met dit soort praktijken bezighield, was Neeltje Koek, afstammelinge van een bekende regentenfamilie. Neeltje had aan haar huwelijk met de zeer rijke Jan Radder Lambertsz een aardig fortuin overgehouden. Niettemin hield zij zich met grootschalige opiumsmokkel bezig. Hoe Neeltjes tweede man Meynardt de Roy, Gecommitteerde tot en over de zaken van de inlander, precies over haar activiteiten dacht is niet bekend. Het lijdt geen twijfel dat hij van de activiteiten van zijn vrouw heeft geweten en waarschijnlijk heeft hij ze gedoogd en misschien zelfs aangemoedigd. De zaken liepen in het begin voorspoedig voor Neeltje en de vraag naar haar product werd al snel zo groot dat ze voor haar klanten een onderkomen regelde, waar van de opium kon worden genoten. Bovendien stelde ze haar schoonzus Helena Kakelaar als partner aan. Na een aantal succesvolle jaren liep het duo echter tegen de lamp. Landdrost Godefridus Boogaart viel binnen in het onderkomen waar Neeltje en Helena hun klanten opium lieten gebruiken en waar goederen werden opgeslagen. In de winkel van Neeltje werden maar liefst 75 kisten opium aangetroffen. Waarom Godefridus op dat moment de inval deed is niet bekend, maar het lijkt erop dat Neeltje haar krediet verspeeld had. Haar hoge status en goede contacten konden haar nu niet meer redden en ze werd voor haar handelen levenslang verbannen; een straf die later werd omgezet in een boete van achtduizend rijksdaalders. De betaling van deze enorme som zorgde ervoor dat ook het laatste restje van Neeltjes kapitaal verloren ging. Ze stierf uiteindelijk een aantal jaren later, volledig berooid.
(Michel Ketelaars)

Lees de andere helft van dit mooie artikel in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder