Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Scheiden doet lijden, al eeuwenlang

06 november 2014 Siebrand Krul

Weinig mensen realiseren zich dat scheiden nog maar kort geleden veel moeilijker was dan nu. Eeuwenlang stond de huwelijkswetgeving onder de allesoverheersende invloed van de kerk: een huwelijk kon alleen door de dood ontbonden worden. Toch vond men in de Bijbel twee gronden die in sommige gevallen echtscheiding rechtvaardigden: overspel en kwaadwillige verlating. Pas in 1971 zorgde een liberale wetswijziging in Nederland ervoor dat voor echtscheiding nog maar één echtscheidingsgrond vereist was: duurzame ontwrichting van het huwelijk. In België duurde het zelfs tot 2007 voordat er een moderne echtscheidingswetgeving tot stand kwam.

Er wordt vaker lichtvaardig gehuwd dan lichtvaardig gescheiden, aldus de Nederlandse scheidingsautoriteit professor Peter Hoefnagels in zijn boek Gelukkig getrouwd, gelukkig gescheiden. Ongetwijfeld zal deze stelling waar zijn, maar daaraan moet dan wel direct worden toegevoegd dat de overheid elke vorm van echtscheiding eeuwenlang uiterst moeilijk heeft gemaakt. Een lichtvaardige scheiding was niet eens mogelijk.
Nog in de jaren zestig van de vorige eeuw had Nederland echtscheidingswetgeving die dateerde uit 1838. Het zal niet verbazen dat juist in de roerige jaren zestig hier steeds meer verzet tegen kwam. Wetgeving en samenleving sloten niet meer op elkaar aan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit brieven van honderden slachtoffers van de verouderde echtscheidingswetgeving die zich bevinden in het Nationaal Archief, en wel het archief van het Ministerie van Justitie. Dat een echtscheiding vrijwel altijd voor veel verdriet, boosheid en ruzie zorgt, hoeft geen betoog. Maar dan was het plezierig geweest, wanneer in elk geval de wettelijke regels deze emoties niet nog eens zouden vergroten. Dat was echter niet het geval.

Commissies en compromissen
‘Wij geloven […] dat de saecularisatie, de romantisering van het huwelijk, de vrouwenemancipatie, de verandering der gezinsfunctie en de gezinsindividualisatie invloeden zijn, die durend de echtscheiding in modern Nederland in de hand hebben gewerkt,’ aldus de socioloog Gerrit Kooy in 1959. Men zou het een samenvatting kunnen noemen van de geschiedenis van de echtscheiding tot die tijd.
In de jaren zestig veranderde er veel. Maar het huwelijk hield vooralsnog stand. Wie naar de cijfers kijkt, ziet zeker een stijging van het aantal echtscheidingen, maar tegelijk steeg ook het aantal huwelijken. In 1960 werd 5.672 keer een echtscheiding uitgesproken, in 1969 was dit getal 9.080. Ongeveer duizend echtparen vroegen scheiding van tafel en bed aan. Maar het aantal huwelijken steeg zeker zo sterk: in 1960 waren er 89.100 huwelijkssluitingen, in 1970 maar liefst 123.600! Trouwen hoorde er dus nog gewoon bij. Commissies van verschillende overtuiging bogen zich in de jaren vijftig, maar vooral in de jaren zestig naar goed Nederlands gebruik over de regelgeving voor de echtscheiding.

Prinses Irene van Lippe-Biesterfeld en Carel Hugo van Bourbon-Parma: hun huwelijk was een enorme schok in Nederland omdat het ongekend was dat een koningskind een katholiek huwelijk aan ging. De scheiding zorgde voor aanmerkelijk minder rumoer.

Prinses Irene van Lippe-Biesterfeld en Carel Hugo van Bourbon-Parma: hun huwelijk was een enorme schok in Nederland omdat het ongekend was dat een koningskind een katholiek huwelijk aan ging. De scheiding zorgde voor aanmerkelijk minder rumoer.

Duurzaam ontwricht
Minister van Justitie Ivo Samkalden kwam in 1966 met een voorstel voor een wetsherziening van de echtscheidingsbepalingen. De val van het kabinet-Cals in de ‘Nacht van Schmelzer’ zorgde voor vertraging, maar de plannen werden weer opgepakt door Samkaldens opvolger Carel Polak, de nieuwe minister van Justitie in het centrumrechtse kabinet-De Jong (1967-1971). Het duurde nog tot 17 maart 1971 voordat het wetsvoorstel in het parlement besproken werd. Tot laat in de avond debatteerde de Tweede Kamer, waar minister Polak zich met verve verdedigde. Polak kon veel weerstand wegnemen door compromissen te sluiten. Op 6 mei 1971 verscheen de nieuwe wet (of eigenlijk de gewijzigde artikelen in het Burgerlijk Wetboek en een paar andere wetten) in het Staatsblad, nummers 290 en 291. Per 1 oktober 1971 zou hij van kracht worden. Eenvoudig gezegd maakte de wetswijziging echtscheiding mogelijk na gemeenschappelijk verzoek van beide echtgenoten of op vordering van één van hen. In het eerste geval moesten beiden van oordeel zijn dat hun huwelijk duurzaam ontwricht was. In het laatste geval moest ook sprake zijn van duurzame ontwrichting van het huwelijk, maar een dergelijke vordering kon worden afgewezen wanneer de eiser de oorzaak van de ontwrichting was. De beoordeling daarvan bleef toevertrouwd aan de rechter die daarbij rekening hield met objectieve maatstaven.
Daarmee werd deze wet één van de belangrijke wapenfeiten van minister Polak, naast de vrije verkoop van voorbehoedmiddelen en de afschaffing van discriminerende wetgeving op grond van homoseksualiteit. Het zijn tegelijk tekenen van de groeiende secularisering in Nederland. Eén consequentie van zijn wet bleek Polak te hebben onderschat. Hij verwachtte niet dat de liberale wet tot veel meer echtscheidingen zou leiden. Maar het tegendeel was het geval: in 1972 vroegen bijna 15.000 stellen echtscheiding aan, in 1980 al bijna 26.000. Sinds de jaren negentig ligt het gemiddelde op 30.000 tot 35.000 paren per jaar.

Opschorting van de plicht tot samenwoning
De nieuwe wet maakte een einde aan de echtscheidingswetgeving uit 1838 in het Burgerlijk Wetboek. In artikel 264 stonden vier gronden waarop het huwelijk ontbonden kon worden:
-overspel;
-kwaadwillige verlating;
-veroordeling wegens een misdrijf of een vrijheidsstraf van vier jaar of langer;
-zware verwondingen of dusdanige mishandeling, door de ene echtgenoot jegens de andere gepleegd, waardoor levensgevaar ontstond of waardoor gevaarlijke verwondingen zijn toegebracht.
Het was ook mogelijk te scheiden van tafel en bed. Het huwelijk werd dan niet formeel ontbonden, maar de plicht tot samenwoning werd opgeschort. Artikel 288 bepaalde dat de scheiding van tafel en bed uitgesproken kon worden op dezelfde gronden als echtscheiding. Maar ook lichtere gronden konden al voldoende zijn. De wet noemde buitensporigheden, mishandeling en grove belediging door de ene echtgenoot jegens de andere begaan. Bovendien was een gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten voldoende, zonder dat zij de verplichting hadden tot opgave van enige oorzaak. Na een periode van vijf jaar kon de scheiding van tafel en bed omgezet worden in een echtscheiding. Deze kon echter alleen uitgesproken worden wanneer beide echtgenoten hiermee instemden.

Sacrament van het huwelijk
Eeuwenlang was het huwelijk een zuiver kerkelijke aangelegenheid geweest. Volgens de katholieke leer is het huwelijk een sacrament, een gewijde handeling waardoor God tot de mens komt. Bruid en bruidegom dienden elkaar dit sacrament toe, een priester was volgens canoniek of kerkelijk recht niet meer dan de getuige van deze plechtigheid. Wat door God verbonden wordt en genade geeft, is onverbreekbaar. Dat betekende dus dat het huwelijk – als sacrament – niet ontbonden kon worden.
Het canonieke recht verplichtte echtgenoten samen te wonen. In de praktijk was dat niet altijd mogelijk. Daarom werd er een middel gevonden om uit elkaar te gaan waarbij het huwelijk in stand bleef. Deze oplossing was de scheiding van tafel en bed, die men ook wel le divorce des catholiques noemde. Gelukkig kon daarvoor teruggegrepen worden op de leer van Christus: ‘ik zeg u dat al wie zich van zijn vrouw laat scheiden, behalve op grond van hoererij, en een ander trouwt, overspel pleegt’ (Mattheus 5:32 en 19:6 en 9). Overspel ontsloeg de andere partij van de verplichting tot samenwoning. Slechts boetedoening kon de samenleving herstellen.
Het moge duidelijk zijn dat het er in werkelijkheid iets bandelozer aan toe ging dan de kerk wilde doen geloven. In 1502 moesten de Amsterdammers erop worden gewezen dat (in modern Nederlands) ‘God betert, vele diverse mannen en vrouwen, die in de echt verbonden zijn, van elkaar scheiden zonder rechterlijke uitspraak zoals dat hoort.’

Separatie en divortie
Tijdens de Opstand in de tweede helft van de 16de eeuw kregen de opvattingen over het huwelijk een gereformeerde kleur. De gewijzigde omstandigheden hadden tot gevolg dat de overheid de wetgeving en rechtspraak in huwelijkszaken tot haar taak ging rekenen. In alle gewesten werden overspel en verlating in de wetten genoemd als de twee gronden voor echtscheiding. Zowel scheiding van tafel en bed (separatie genoemd) als echtscheiding (divortie) waren mogelijk in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daarmee onderscheidde ons land zich van vele andere landen, waar echtscheiding vrijwel onmogelijk was.
De eenvoudigste en snelste wijze was de zogenoemde willige separatie, de scheiding van tafel en bed waartoe de beide echtgenoten in overleg besloten. Vaak met hulp van familie of vrienden werden er afspraken gemaakt over de scheiding van de boedel, zorg voor de kinderen en verdeling van schulden. Het echtpaar moest dan naar de notaris om de gemaakte afspraken in een akte te laten vastleggen. Bekrachtiging van de separatie gebeurde door de rechter, die de ‘acte van separatie’ voor zich kreeg en het echtpaar veroordeelde tot nakoming van wat er in de akte stond. Deze snelle wijze van scheiding van tafel en bed vond regelmatig plaats in de grotere steden. Een nieuw huwelijk was natuurlijk niet mogelijk, want er had geen echtscheiding plaats gehad.
Niet altijd ging de separatie even vlot. Joost Hendrik Vos had zich aanvankelijk heftig verweerd tegen de eis van zijn vrouw Catharina van den Berg. Hij wilde geen scheiding en eiste dat zij met hun kind weer onder zijn ‘maritale magt en gehoorsaamheid’ zou komen. Zijn verzet had een reden, want Catharina was bij hun huwelijk een rijke weduwe. Een scheiding zou dus uitermate ongunstig voor hem zijn. Uiteindelijk – waarschijnlijk met hulp van anderen – slaagden zij er in 1768 in bij de notaris in Amsterdam tot een ‘acte van separatie’ te komen. Joost behield een buitenplaats met boerderij, landerijen en vis- en tuingereedschap, kennelijk genoeg om goed van te kunnen leven.

1796: eerste echtscheiding
Aangezien Nederland sinds 1798 een eenheidsstaat was dankzij de inmenging van de Fransen – dus niet meer een republiek van soevereine gewesten, zoals voordien – was het streven erop gericht ook eenheid van wetgeving tot stand te brengen. Na de revolutie van 1789 waren kerk en staat in Frankrijk definitief gescheiden. Het ideaal van persoonlijke vrijheid nam de plaats in van het ook in Frankrijk geldende Bijbelse gebod dat de mens niet scheide wat God verbonden heeft. Vanaf 1792 was een echtscheiding met wederzijds goedvinden en een minimum aan formaliteiten mogelijk geworden.
In Nederland merkten de inwoners dat ook. Het zuiden van het land was al vanaf november 1794 door de Fransen bezet en kwam daardoor in aanraking met de Franse wetgeving. Juist in die tijd hadden Wilhelmus Meers en Agatha Lenaerts zich gewend tot de kerkelijke autoriteiten van Maastricht ‘om hun van bed en tafel te scheyden’. Meers was meubelmaker in Maastricht en in 1775 getrouwd met de drie jaar oudere Agatha. Het stel kreeg zes kinderen, maar gelukkig was het huwelijk niet. Zij voerden in 1794 aan ‘dat tusschen hun zedert eenigen tijd zoo daenige oneenigheden, twist en tweedragt ontstaan is, dat het onmogelyk was tesaemen meer te kunnen leven’. De kerkelijke rechtbank gaf toestemming tot de separatie, ‘tot dat de gemoederen door inspiratie van den H. Geest wederom sullen vereenigt syn’.
Agatha was kennelijk alert op nieuwe ontwikkelingen en ontdekte de eenvoudige mogelijkheid tot echtscheiding na de komst van de Fransen. Zij richtte in 1796 dan ook een verzoek aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in Maastricht tot echtscheiding. Haar man, van wie ze dus gescheiden van tafel en bed leefde, kwam niet opdagen, toen de ambtenaar hem ten gemeentehuize opriep. Daarop sprak de ambtenaar de echtscheiding uit. Het was de eerste echtscheiding in Nederland sinds de nieuwe wetten waren ingevoerd.
Betekende dit een doorbraak? Zou een huwelijk voortaan als een gewone overeenkomst worden gezien, die dus ook beëindigd kon worden? Helaas. Het Burgerlijk Wetboek van 1838 durfde geen vernieuwingen aan en de invloed van de kerk was nog te groot.
(Paul Brood/Nationaal Archief)

Lees het volledige artikel in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder