Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Amerikaanse paranoïa?

05 november 2014 Siebrand Krul

In de Verenigde Staten leek de Eerste Wereldoorlog heel ver weg, maar voor veel inwoners was het ’t land van interneringen, deportaties en confiscaties. In juli 1918 schreef Erich Posselt een gedicht dat hijzelf onder de maat vond, zo schreef hij later. Het was zeker niet bestemd voor publicatie. Maar het bracht hem wel gedurende zeventien maanden in een interneringskamp. Een vergeten geschiedenis vol dramatiek.

Het dichtsel liep aldus: Six little aviators – Went flying out one day; – They wished to go to Coblenz, – And never came away. In het verhaaltje beleven zes Amerikaanse vliegeniers onderweg door Duitsland allerlei avonturen en maken de wonderlijkste tegenslagen mee: jicht, Beiers bier en de bekende generaal Erich Ludendorff. Posselt was een jonge redacteur en vertaler die in 1914 uit Oostenrijk-Hongarije naar Amerika was geëmigreerd. Zoals miljoenen andere Duitssprekende emigranten trok ook Posselt gedurende de Eerste Wereldoorlog de aandacht van extreem nationalistische Amerikanen. De regering registreerde zo’n half miljoen ‘vijand-gelieerde vreemdelingen’, bespioneerde hen en sloot zo’n 6.000 –voornamelijk mannen- in kampen op. Nog merkwaardiger is dat de regering een schier eindeloze reeks confiscaties deed, oplopend tot het onwaarschijnlijke bedrag van meer dan een half miljard dollar: zo’n beetje de omvang van complete staatbegroting van de VS voor de oorlog. Posselt eindigt zijn gedicht aldus: Two little aviators – Got cold feet on the run; – One lost all the breath he had, – Then there was only one. – One little aviator – Soon to an end was brought; – He grieved so for the other five, – He too at last was caught.

In Hot Springs, North Carolina, poseren geïnterneerden. Om de tijd te doden en zich enigszins thuis te voelen bouwden de gevangenen een Duits dorpsstraatje na. Ze gebruiken blikken tabaksdozen om, aan het eind van het pad, een kerkje te bouwen. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

In Hot Springs, North Carolina, poseren geïnterneerden. Om de tijd te doden en zich enigszins thuis te voelen bouwden de gevangenen een Duits dorpsstraatje na. Ze gebruiken blikken tabaksdozen om, aan het eind van het pad, een kerkje te bouwen. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Het Ministerie van Justitie vond het gedicht bij een huiszoeking en was gealarmeerd. ‘Het is verre van grappig’, aldus een intern rapport  van het Bureau of Investigation, een voorloper van de FBI. ‘Er zijn nu zoveel goede Amerikaanse jongemannen die hun leven offeren bij de divisie luchtmacht dat grappen daarover, zeker van quasi-buitenlanders van Duitstalige komaf, ongepast zijn. Het gedicht is een belediging en niet te verdedigen.’ Federale agenten waren al langer op zoek naar gronden om Posselt te arresteren: ze hadden zijn huis het afgelopen jaar al meer dan tienmaal onderzocht. Nu was er bewijs voor vaderlandvijandig gedrag en werd Posselt naar Fort Oglethorpe in Georgia gestuurd, één van de vier oorlogsinterneringskampen. Maar tot een aanklacht kon het niet komen, want van een wettelijk bewezen misdrijf was geen sprake. Het rapport zegt met zoveel woorden dat Posselt niet is aangehouden wegens een specifiek misdrijf, maar wegens kennis van misdadige zaken. Eigenlijk gaat het meer om angst voor wat komen gaat, want Posselt wordt een briljant schrijver genoemd, in staat om voor veel kwaad te zorgen. Eigenaardig in het licht van zijn eigen misprijzen over de kwaliteit van het gevonden gedicht.

Interieur van een barak uit het kamp van Hot Springs. Hier verbleven ook gevangen genomen zeelui van schepen van de Asmogendheden. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Interieur van een barak uit het kamp van Hot Springs. Hier verbleven ook gevangen genomen zeelui van schepen van de Asmogendheden. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

In 1917 keurde het Congres twee wetten goed, de Espionage Act en de Trading with the Enemy Act. Beide bedoeld voor binnenlands gebruik, om tegenwerking van oorlogen elders met wettige middelen uit de weg te ruimen. Beide wetten zijn nog altijd van kracht. Zo is de Espionage Act bijvoorbeeld recentelijk ingezet tegen Edward Snowden, de NSA-onthuller. In het geval Posselt werd hij op grond van de nieuwe wet voor de zekerheid opgesloten voor de rest van de oorlog. In de meeste verslagen van wat in die tijd gebeurde is geen sprake van een onmenselijk regime. Er zijn wel strakke schema’s en militaire tucht, maar geen uitputting of ondervoeding. Vele jaren na de oorlog schreef Posselt over zijn kampervaringen in de American Mercury. Het ergste wat hij had meegemaakt betrof een serie’tje zelfmoorden, opsluitingen in isolatie en het uitbreken van ziekten, aan het eind van de oorlog.  Posselt vertelt ook van de wonderlijke verzamelingen mensen in de kampen, waaronder opvallend veel intellectuelen. Zij mochten lessen organiseren over biologie, wiskunde, literatuur en zelfs vreemde talen. Musici die uit Europa waren gehaald om tekorten bij Amerikaanse orkesten op te vullen, gaven regelmatig optredens in de kampen om het moraal op te beuren. In een ander kamp bouwden gevangenen een mini-Duits dorp.

Het Hot Springs interneringskamp, het Duitse straatje in wintertooi. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Het Hot Springs interneringskamp, het Duitse straatje in wintertooi. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Hoe goed de condities ook waren, feit blijft dat er maar heel weinig voor nodig was om opgesloten te worden. Historicus Adam Hodges ontdekte bijvoorbeeld dat lokale politiemensen gauw naar federale gebruiken grepen om her en der arrestaties te plegen van personen die ze niet aanstonden. Iedereen met een zweempje politiek radicalisme liep risico om op wazige gronden achter de tralies te belanden. Op federaal en hoog niveau speelt het geval van de dirigent van het Boston Symphony Orchestra, Karl Muck. Kranten schreven dat Muck een vaderlandslievende Duitser was, maar in werkelijkheid was hij een Zwitser. Op zeker moment werd hij ervan beschuldigd te hebben geweigerd de Star-Spangled Banner te spelen tijdens een concert. Onderzoek wees al snel uit dat de aantijging vals was, maar de dirigent verdween linea recta naar Fort Oglethorpe, samen met 29 leden van zijn orkest.

De Verenigde Staten waren met het interneren van burgers op vaak onwettige gronden zeker niet uniek. In Engeland ging het er bijvoorbeeld een stuk wreder aan toe. In 1915 zaten daar liefst 30.000 burgers opgesloten. Ook in Duitsland werden duizenden Britten en Amerikanen geïnterneerd. Zulke gevangenen konden dan niet meer spioneren of weglopen om met de vijand te vechten, maar alleen al het feit dat in Europa ook duizenden vrouwen en kinderen werden opgesloten, bewijst dat willekeur soms hoogtij vierde. En, niet onbelangrijk: de publieke opinie eiste domweg zulke actie.
Wat de Amerikaanse zaak er zeker beroerder op maakt, zijn de talloze inbeslagnemingen op basis van de Trading with the Enemy Act. President Wilson benoemde een ‘Alien Property Custodian’ in de persoon van A. Mitchel Palmer met als taak goederen te confisceren die een goed verloop van de oorlog in de weg zouden kunnen staan. Dit betrof dan alle bezittingen van geïnterneerde immigranten, ongeacht de houdbaarheid van de aanklacht. ‘Alle door de staat geïnterneerde immigranten worden beschouwd als vijanden.’, schreef Palmer, ‘en hun bezit wordt dienovereenkomstig behandeld.’

Een barak in Zwitserse stijl gebouwd door gevangenen. Hot Springs, North Carolina. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Een barak in Zwitserse stijl gebouwd door gevangenen. Hot Springs, North Carolina. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

De redenering was dat het wegnemen van bezit de immigrant belette om op enigerlei wijze de vijand te helpen. Tijdens Palmers bewind dijde zijn dienst uit tot honderden medewerkers en ontwikkelde een hoog niveau van industriële sabotage en spionage. Vooral Duitse chemische bedrijven in de Verenigde Staten waren doelwit van de dienst. Niet alleen werden zij in staat geacht grondstoffen voor de legerinspanning te leveren, in theorie konden ze tevens explosieven aanmaken.
Agenten hadden opvallende brede bevoegdheden. In de Munsey’s Magazine beschreef Palmer nadien zijn bewaardienst als ‘the biggest general store in the country’ en liet niet na zelf rare inbeslagnemingen te noemen, zoals die bij een potloodmaker in New Jersey, een chocolateriemanufactuur in Connecticut en een bierbrouwer in Chicago. Veel eenmansbedrijfjes stonden van de ene op de andere dag in een geheel leeggehaald gebouw. Smalend vertelde Palmer over kleedjes uit New York, een drietal paarden nabij Joplin, Mississippi, en een vrachtwagen met mooi cederhout in het zuiden.

Eén van de vier interneringskampen die de Amerikanen gedurende de oorlog bouwden om (vermeend) staatsvijandelijke elementen op te sluiten. Deze barakken stonden bij het Mountain Park Hotel in Hot Springs, North Carolina. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Eén van de vier interneringskampen die de Amerikanen gedurende de oorlog bouwden om (vermeend) staatsvijandelijke elementen op te sluiten. Deze barakken stonden bij het Mountain Park Hotel in Hot Springs, North Carolina. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library)

Adam Hodges kwam erachter dat zelfs vrouwen van Amerikaanse geboorte als vijandige vreemdelingen werden geclassificeerd ingeval ze zo onhandig waren een Duitse of Oostenrijks-Hongaarse man te huwen. Alleen al deze gevallen, zo rekende Hodges uit, verloren voor 25 miljoen dollar aan confiscaties.

Eén jaar na inkrachtwording van Trading with the Enemy Act eindigde de oorlog. De confiscatiesbewaarder, de Alien Property Custodian, had toen voor honderden miljoenen aan privé-bezittingen opgeslagen. Wat daarmee te doen? De beslissing die viel is later veel bekritiseerd, niet in het minst omdat veel geld aan de strijkstok bleef hangen: er is door medewerkers van de Alien Property Custodian persoonlijk sterk geprofiteerd nadat Palmer had gezegd dat de vermogens moesten worden ‘geamerikaniseerd’, of verkocht aan Amerikaanse burgers. Deze houding paste in die tijd toen breed werd gemeend dat de Asmogendheden ook financieel moesten bloeden voor de enorme schade die ze hadden aangebracht. Het kwam zelfs tot een vernederende openbare veiling van Bayer-Amerika op de stoep van de Bayerfabriek in New York. En Bayer werd het patent afgenomen van zijn meest profijtelijke product, de aspirine.

De staf van de Alien Property Custodians-dienst. A. Michel Palmer staat voor in het midden, derde van links. (Foto Library of Congress)

De staf van de Alien Property Custodians-dienst. A. Michel Palmer staat voor in het midden, derde van links. (Foto Library of Congress)

Dezelfde soort vrede die de wereld bevrijdde van de dreiging van het autocratisch militarisme van het Duitse Rijk, aldus Palmer, zou ons tevens moeten vrijwaren van de dreiging van autocratisch industrialisme van de Duitsers. In die opvatting waren bezittingen van Duitse en Oostenrijks-Hongaarse immigranten domweg een voortzetting van Europees Duits en Oostenrijks-Hongaars autocratisch bezit. En daarmee hadden de VS automatisch het recht, dit in beslag te nemen. Vele jaren nadien is over deze vreemde argumentatie juridisch gesteggeld, tot aan de Supreme Court toe, maar uiteindelijk werden de confiscaties en interneringen in een situatie van oorlog als gerechtvaardigd beschouwd. Sterker nog: de basis bleef intact tot president Franklin Roosevelt deze voor de Tweede Wereldoorlog opnieuw activeerde.

De New York Herald publiceerde deze angstaanjagende tekening op 28 maart 1918, het Amerikaanse schrikbeeld versterkend dat de Duitsers (in de persoon van Hindenburg) wel eens over New York konden heersen als het vaderland niet alert was. (Tekening W. A. Rogers/Library of Congress)

De New York Herald publiceerde deze angstaanjagende tekening op 28 maart 1918, het Amerikaanse schrikbeeld versterkend dat de Duitsers (in de persoon van Hindenburg) wel eens over New York konden heersen als het vaderland niet alert was. (Tekening W. A. Rogers/Library of Congress)

De interneringskampen van de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog zijn uitvoerig beschreven en bediscussieerd, maar de voorgangers in de Eerste Wereldoorlog zijn zo goed als vergeten. Het heeft schrikbarend lang geduurd voor deze geschiedenis aan het licht kwam, vooral vanwege politieke desinteresse en bureaucratische verwaarlozing. Zo’n zeven maanden na de wapenstilstand kregen kleine groepjes geïnterneerden toestemming hun kamp te verlaten, daarvoor was Palmer er niet in geslaagd toestemming te krijgen onwelgevallige types uit de kampen te deporteren, daarna werden ongeveer tweeduizend zeelieden en zestienhonderd andere immigranten teruggestuurd naar hun land van herkomst. De laatste gevangene werd pas in april 1920 losgelaten, anderhalf jaar na het einde van de oorlog. Zuur constateert Glidden: ‘When the camps did close scarcely anyone cared or noticed.’
Erich Posselt werd in januari 1920 vrijgelaten en vestigde zich in New York. Toen hij daar aankwam, had president Wilson A. Mitchell Palmer benoemd tot procureur-generaal voor de regering van de Verenigde Staten.

(Het openingsbeeld bij dit artikel toont de leden van het kamporkest, die poseren voor fotograaf Adolph Thierbach in kamp Hot Springs, North Carolina. (Foto Adolph Thierbach/Madison County Library))

(Daniel A. Gross/Smithsonian)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder