Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Niemandsland van demonen

25 oktober 2014 Siebrand Krul

In de Eerste Wereldoorlog was het zogenoemde Niemandsland een zowel reëel als een metaforisch begrip. De strook scheidde de beide frontlijnen en alleen hier bestond een minieme kans op een ontmoeting tussen vijandige soldaten. Hier vonden dan ook de roemruchte Kerstbestanden van 1914 plaats. Maar het was ook de meest angstaanjagende plek van de oorlog, waar soldaten nooit langer dan enkele dagen tegen de waanzin mochten vechten.

De loopgraven vormden een surrealistische mix van verveling, doodsangst, vervuiling en kameraadschap. Misselijkmakende dampen stegen op uit de blubber, van dode en levende ratten, van gestold bloed als gevolg van het gekrab van soldaten tegen de gekmakende luizen. Kermende gewonden die geen kant op konden en langzaam stierven. De dichter Wilfred Owen beschreef Niemandsland als “like the face of the moon, chaotic, crater-ridden, uninhabitable, awful, the abode of madness.”
Het begrip Niemandsland vinden we in de Oxford English Dictionary, als Nomanneslond, ca. 1350, en wordt daar verklaard als Middle English, “een stuk grond buiten de noordelijke muren van Londen, voorheen in gebruik voor executies.” In 1864 kreeg het een militaire lading, maar werd pas echt bekend door de Grote Oorlog. Fransen noemden het Le no mans land, Britten No Man’s Land, de Duitsers Niemandsland.

Greppels van de hel
Gedurende de Eerste Wereldoorlog ontstond een legende uit deze greppels van de hel. Deels Night of the Living Dead en deels War Horse, kreeg het, zoals in alle doorvertelde verhalen, tal van varianten. Maar de basis is dezelfde: waarschuwen voor spoken van onverschrokken deserteurs die over de velden doolden; Australiërs, Oostenrijkers, Britten, Canadezen, Fransen, Duitsers, Italianen. Ze leefden ver onder verlaten loopgraven en schuttersputten. In sommige versies roofden deze levende lijken kleren van omgekomen soldaten, en voedsel en wapens. In de bruutste versies eten ze lijken, als aasgieren het gruwelijk maanlandschap van het Niemandsland overspiedend.
In tal van landen wordt onderzoek gedaan naar de herkomst van zulke verhalen, zeker omdat ze uitleg kunnen geven over de menselijke psyche in zulke extreme omstandigheden. Paul Fussel, hoogleraar Engels aan de Universiteit van Pennsylvania, noemt de vertellingen de beste over het verschijnsel oorlog omdat ze zo bol staan van symboliek en suggestie. Hij schreef er in 1989 het boek Wartime over.

 

Niemandsland-wb

 

Wezenloos gekrijs
Eén van de eerste gepubliceerde versies over “wilde deserteurs” of dolende lijken dateert van 1920 en komt uit de memoires  The Squadroon van Ardern Arthur Hulme Beaman, een luitenant-kolonel uit het Britse leger. Het is huiveringwekkend. Hij begint in de moerassen aan de Somme, begin 1918, waar enkele van de bloedigste veldslagen uit de oorlog zijn uitgevochten. Beamen was er dus bij en was ervan overtuigd dat hij tientallen Duitse soldaten in de grond zag verdwijnen. Hij wil er verkenners op uitsturen om in de wirwar van verlaten loopgraven te zoeken, maar daarvan wordt hij weerhouden omdat het terrein vergeven was met meedogenloze verweesde soldaten van allerlei nationaliteiten, zonder besef van werkelijkheid. Ze dwalen vooral ’s nachts rond om te doden en te plunderen. Soldaten horen hen dan, met wezenloos gekrijs.
In 1930 verscheen Behind the Lines van Walter Frederick Morris, die als bataljonscommandant dienst had gedaan. De roman beschrijft officier Peter Rawley, die deserteert na zijn meerdere te hebben gedood. Ergens in de Noord-Franse vlakte komt hij Alf tegen, ook een deserteur. Die leidt hem naar de ondergrond. Ze persen zich door een nauwe doorgang en komen uit in een smalle tunnel, omgeven door rottend hout en krakkemikkerige omwalling. Het geheel is onbeschrijflijk smerig en stinkend, als het hol van een beest.

Leven in holen
In 1948 kwam van Sir Osbert Sitwell de vijfdelige autobiografie  Laughter in the Next Room uit. Sitwell, een Britse baron en legerofficier, schetst dat alle internationalisme gedurende de Eerste Wereldoorlog werd vertegenwoordigd door deserteurs, alle anderen streden een zinloze doodsstrijd tegen elkaar. Deserteurs waren outlaws die leefden in holen, opgejaagd langs de frontlinie. Rechteloos, regelloos, plunderend in een wetteloze wereld van krankzinnigen. Voor de soldaten waren deze wezenlozen in het Niemandsland reëel bestaand en ze waren ervan overtuigd dat aan het eind van de oorlog de legerleiding recht zou spreken en de dolenden hard zou straffen.
Reginald Hill schreef in 1985 No Man’s Land, over Josh Routledge, een Britse deserteur van de Slag aan de Somme, en een Duitse soldaat die pacifist was geworden, Lothar von Seeberg, die opgejaagd wordt door bereden militaire politie. Plotseling valt een woeste groep van veertig deserteurs de politie aan. Hoe de bende uit het niets opduikt en meedogenloos toeslaat, is huiveringwekkend beschreven. “They were a wild-looking gang, in dirty ragged clothing and with unkempt hair and unshaven faces. They were also very well armed.” In een ommezien komen de deserteurs “swarming out of nowhere, out of the bowels of the earth, that’s how it looked. . . . They was scruffy, dead scruffy. Sort of rugged and wild-looking, more like a bunch of pirates than anything. There was one big brute, nigh on seven foot tall he looked.”

Duivels of engelen
James Carroll maakte voor de International Herald Tribune in 2006 een heel wat vriendelijker verhaal. Daar zijn de deserteurs mannen die zich verenigen in een soort derde leger, weigerend aan de slachtingen mee te doen. Ze helpen anderen, ongeacht hun nationaliteit. Ze zijn een soort engelen die hulpelozen redden door ze in hun ondergrondse verblijven in veiligheid te brengen, weg van de krankzinnigheid aan het front.
De wildemannen van Niemandsland, duivels of engelen, zelfs aasgieren die alleen ’s nacht tevoorschijn komen, behoren tot verhalen die boordevol symboliek zijn en daarom geschikt om de geschiedenis van de oorlog te vertellen, over wat slachtpartijen met de menselijkheid doet. Ze herinneren ons, honderd jaar na dato, aan de waanzin, chaos en volstrekte zinloosheid van de gruwelen van een oorlog die niemand wilde.
(op basis van Smithsonian/James Deutsch)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder