Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Godenzonen en hun onderdanen

07 oktober 2014 Siebrand Krul

Bij de Inca’s oefende de Sapa Inca oefende onbeperkte macht uit over zijn onderdanen. Die waren aan een strenge orde onderworpen, waarin op alles en iedereen controle uitgeoefend werd. De heerser was dé Inca – de anderen waren slechts een nummer. 'Alle anderen werden geteld', zo bericht ons Sarmiento de Gamboa, die in 1572 van de Spaanse onderkoning Francisco Toledo de opdracht gekregen had de geschiedenis en het maatschappelijk leven van de nieuwe onderdanen van Filips II in Peru te boek te stellen. 'Tot in de verste uithoeken van het Inca-rijk kwamen de mensentellers en o wee als bleek dat een curaca (een plaatselijk gezagvoerder) om de belastingafdracht te verlagen, ook maar één kind ergens in een hol verstopt hield. Zo iemand werd genadeloos ter verantwoording geroepen.

Cijns werd niet alleen geheven in maïs en wol, in lama‘s en metaal, maar ook in mensen, die tot boodschappers, dragers, tempeldienaressen of offer gemaakt werden.’ De vorst wees iedereen zijn plaats toe. Sarmiento de Gamboa schrijft verder: ‘Wie niet voor de oorlog, de wegenbouw of het aanleggen van terrassen gerekwireerd of met zijn hele familie naar een vreemde streek verhuisd werd, kwam zijn leven lang niet van zijn stukje grond los. Zijn leven lang bewerkte hij in hetzelfde dorp dezelfde ‘zonneakker‘, toebehorend aan de koning, nam er indien nodig nog die van zijn buur bij, die onder de wapenen geroepen of ziek was, dronk op feestdagen maïsbier en speelde het bonenspel– net als alle anderen. Zijn vrouw had voor de kinderen, lama‘s, haar man, het huis te zorgen en de regenput gevuld te houden.’

Van slavernij bevrijd
Sarmiento de Gamboa had aanwijzing gekregen het oorlogszuchtige element in de geschiedenis en de slechte levensomstandigheden van de Inca’s te benadrukken en zo de onderwerping van dit volk te rechtvaardigen. Hiervoor bereisde De Gamboa het hele land, om gezagvoerders en overlevenden uit de oude adelsgeslachten te ondervragen. Zijn bevindingen liet hij door 42 inheemse personen van gezag nalezen en corrigeren. Dat hinderde de schrijver er echter niet aan indachtig de wenk van zijn superieuren te concluderen: ‘We hebben hen van de slavernij bevrijd!’
Feit blijft dat de Inca-maatschappij sterk hiërarchisch van aard was, ook waar dit nadelig uitpakte, zoals in tijden van oorlog. Gezagvoerders dienden ook daarin voorop te gaan, terwijl de Sapa Inca niet rechtstreeks aan het gevecht deelnam, maar dit op een veilige afstand volgde. De kroniekschrijver Agustín de Zárate bericht in zijn verslag van een van de veldslagen van 1537 bij Cuzco: ‘Intussen naderde de vijand door het rivierdal, met louter personen van de hoogste rang in vol ornaat aan het hoofd. Als eerste stak een generaal in een draagstoel de rivier over, met een lans in de hand. Toen de vijand reeds tot in de straten doorgedrongen was, ondernam de ruiterij een uitval … Daarbij sneuvelde de indio-generaal en veertig vooraanstaanden met hem. Er was geen andere uitkomst mogelijk: doordat zij aan het hoofd liepen, trof de charge hen als eersten.’
De Sapa Inca, die vereerd werd als Zoon van de Zon, valt in Europese termen nog het best te vergelijken met een persoon die het ambt van paus en keizer in zich verenigt.

Goddelijke afstamming
et als in de Europese vorstenhuizen bestond er onder de Andesvorsten een dynastieke erfopvolging: overleed de Sapa Inca, dan viel de macht toe aan een van zijn zonen. De vader wees nog bij leven zijn opvolger aan, wat aanleiding tot bloedige wedijver kon geven. Eenmaal gekroond stichtte de nieuwe Sapa Inca met zijn talrijke echtgenotes en kinderen zelf een panaca, een vorstelijke twee-generatieleefgemeenschap. De panaca van zijn voorganger had tot taak diens mummie te verzorgen en de herinnering aan hem levend te houden. Toen de Spanjaarden het rijk onderwierpen, was het aantal panaca‘s in Cuzco opgelopen tot elf.
Om de dynastie rein van bloed te houden en de ‘goddelijke afstamming’ te bewaren huwde de Sapa Inca in later tijden steeds een van zijn eigen zusters. De dochters uit deze incestueuze band, ñustas geheten, werden ter versteviging van politieke bondgenootschappen uitgehuwelijkt aan gezagvoerders over afgelegen gebieden. Daarnaast hield de Sapa Inca er nog ettelijke concubines op na, prinsessen uit overwonnen volken en ook dat doet in zekere zin denken aan de huwelijkspolitiek van vorsten uit andere culturen.
De leden van de panaca’s, die samen de Inca-adel uitmaakten, waren te herkennen aan hun met zorg opgerekte oorlelletjes en werden daarom door de conquistadores ‘orejones’ ofwel ‘grootorigen’ genoemd. Tot deze elite behoorden ook religieuze leiders en hoge ambtenaren, zoals gouverneurs en legeroversten.
Voor het overige was de maatschappij ingedeeld naar ayllu‘s, vaak grote en wijdvertakte groepen van verwanten. De leden ervan bewerkten gezamenlijk de grond, wendden de oogsten gezamenlijk aan en organiseerden burenhulp. Om die reden zijn ayllu‘s wel vergeleken met coöperatieve organisaties.
Op de onderste sport van de maatschappelijk ladder stonden de yanaconas – de lijfeigenen van aanzienlijke In-ca-families. Ze maakten geen deel uit van een ayllu en verrichten ook geen vroondiensten voor de staat. Na hun ‘bevrijding’ door de conquistadores, kwamen ze bij Spanjaarden in dienst, om vervolgens als eersten de mijnen ingestuurd te worden.

Lama’s en alpaca’s
Aanhangers van law-and-order zullen vast goed te spreken zijn over de staatsinrichting van de Inca‘s, die zich in de vorm van tewerkstelling nadrukkelijk ook tot de arbeidsverhoudingen uitstrekte. Doel was een optimale benutting van de beschikbare werkkracht gedurende het hele jaar. Particulier grondbezit bestond niet. Het land behoorde in de gedachtenwereld van de Inca‘s altijd de goden toe – de mens had slechts het vruchtgebruik ervan. Waarschijnlijk was het totale grondbezit in drieën verdeeld: eenderde behoorde toe aan de dorpsgemeenschap, eenderde aan de zonnepriesters en eenderde aan de aanzienlijke families.
Arbeid betrof niet alleen de akkerbouw, maar ook het fokken van lama‘s en alpaca‘s. Daarnaast was de uitbouw en het onderhoud van de infrastructuur van belang – wegen, pleisterplaatsen, paleizen en magazijnen. Hiervoor werd het mita-systeem toegepast – een soort van vroondienst, met name te verrichten door mannen uit onderworpen gebieden. Een dienst duurde maximaal negentig dagen. In die periode voorzag de overheid de arbeiders van onderdak, voeding en kleding. Om nieuw land te ontsluiten, maar ook uit strategische overwegingen ging men soms over tot volksplantingen. Daarnaast waren er centra voor de productie van textiel, aardewerk, metalen gebruiksvoorwerpen en wapens. De specialisatiegraad was hoog bij de Inca‘s.
Voor het beheer en de distributie van veldvruchten en nijverheidsproducten stonden er verspreid over het rijk honderden magazijnen. Voor de afdracht van overschotten kregen dorpelingen waren die zij zelf niet produceerden – kleding, timmerhout of cocabladeren. Dit verdelingsmechanisme kon alleen met een hoog ontwikkeld bestuursapparaat gaande gehouden worden. Voor de werking ervan waren plaatselijke machthebbers verantwoording schuldig aan de Sapa Inca.
Wolfgang Mayer

Lees het volledige artikel in de nieuwste G-GESCHIEDENIS, nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder