Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De zoektocht naar El Dorado

12 september 2014 Siebrand Krul

Voor de Inca’s was goud het ‘zweet van de zon’, voor de conquistadores de stof waaruit dromen zijn gemaakt. Geen enkele Europeaan kon de lokroep van El Dorado weerstaan. Toen de Spanjaarden voor het eerst de legende van de gouden koning El Dorado hoorden, begonnen ze in Zuid-Amerika naar het aards paradijs te zoeken. Weliswaar heeft tot nog toe niemand El Dorado gevonden, maar de jacht naar goud heeft het aangezicht van heel het continent veranderd.

Goudgeplaveide straten
In 1501 waren de Spanjaarden op de Caraïbische noordkust van Colombia geland. Al bij de eerste voorzichtige tochten naar het binnenland doken berichten op van goud waarmee letterlijk de straten geplaveid waren. De oorspronkelijke bewoners hadden inderdaad weinig moeite om het edelmetaal te winnen. De conquistador Vasco Nuñez de Balboa schreef op 20 januari 1513: ‘Er zijn twee manieren om gemakkelijk aan goud te komen. De eerste is wachten tot het water van de rivieren in de kloven is gestegen, en dan als de vloed voorbij is en de rivierbeddingen weer opgedroogd zijn, ligt het goud daar in grote brokken voor het rapen, omdat het uit de oevers is weggespoeld. … De andere manier is te wachten tot de planten in de bergen zijn verdroogd en ze dan in brand te steken. Nadat het vuur is gedoofd trekt u erop uit en kunt u het goud in grote hoeveelheden en in grote brokken verzamelen.’

Smaragdmijnen
Blijkbaar vonden de kolonisten nog een derde methode. Ze plunderden de graven van de inheemse bevolking, waarin het edele metaal soms met kilo’s tegelijk als grafgift te vinden was.
Bij diegenen die pas op het continent waren aangekomen lokten dergelijke verhalen de hoogste goudkoorts uit. Een van de meest roekeloze gelukszoekers was Gonzalo Jiménez de Quesada. Toen hij hoorde dat het Inca-rijk in het zuiden volledig op goud was opgetrokken en daar bovendien smaragdmijnen te vinden waren, was hij niet meer te houden. In 1536 bracht hij in allerijl een leger van 600 soldaten op de been en probeerde zich een weg te banen door het grondgebied van de Inca’s.
De goudzucht van de Europeaan werd een vloek voor de autochtonen. Quesada overviel met zijn soldaten de koningssteden die hij op zijn weg tegenkwam en graaide daar zoveel goud en edelstenen mee als hij dragen kon. Maar de jungle eiste zijn tol. De expeditie liep vast in moerassen en wouden, werd gekweld door overstromingen, koorts, insecten, jaguars, slangen, krokodillen, en door honger. Quesada bedreigde iedereen die zijn paard wilde slachten met de dood.

 

El-dorado-wb

 

Vergulde indiaan
Uiteindelijk bereikte de troep het gebied van de Muisca, een volk waarvan de cultuur nauw verwant was met die van de Inca’s. Toen de conquistadores grote vrachten goud uit de paleizen van de Muisca sleepten, hoorden ze voor het eerst de legende van de gouden man, die de Spanjaarden ‘El Dorado’ doopten. Bij de Muisca was de inhuldiging van een nieuwe vorst een uniek ritueel: de nieuwe regent moest naar het heilige Guatavita Meer reizen, een meer ten noordoosten van het huidige Bogotá in Colombia. Daar bouwden zijn begeleiders, met veren en goud getooide mannen en vrouwen, een rieten vlot. Het vlot werd versierd en voorzien van vier komforen waarin geurstoffen werden gebrand ‘zodat de rook het daglicht verduisterde’, zoals de Spanjaard Juan Rodríguez Freyle schrijft. Een oude Muisca vertelde ook het volgende aan Freyle: ‘Dan kleedden ze de troonopvolger helemaal uit en wreven zijn lichaam in met kleverige aarde die ze met goudstof bedekten, zodat hij volledig met dit metaal was bedekt. Ze brachten hem naar het vlot waarop hij bewegingloos bleef staan en legden voor zijn voeten een grote berg goud en smaragden, die hij naar zijn god moest brengen … Toen het vlot het midden van het meer had bereikt, … offerde de vergulde indiaan zijn geschenken en wierp ze in het midden van het meer in het water.’

Drie raadselachtige dagen
Toen Quesada de Muisca ontmoette, was dit ritueel echter al lang geschiedenis. Alleen de oudste inwoners konden het zich nog herinneren. Ze vertelden de Spanjaarden van El Dorado en besmetten hen zo met een microbe waartegen tot op vandaag nog geen medicijn gewassen is. Het ritueel met de gouden koning zou vele eeuwen hebben standgehouden. Als dat klopte, welke rijkdom moest er dan niet op de bodem van het meer te vinden zijn? En waar was de schijnbaar onuitputtelijke bron van al dat goud?
Net toen Quesada plannen smeedde om El Dorado te vinden, kwam het bericht dat er kapers op de kust waren. Eén van hen was Nikolaus Federmann, die in opdracht van de bankiersfamilie Welser naar de ‘Nieuwe Wereld’ was getrokken. De Duitse avonturier was al de derde expeditieleider die in opdracht van deze bankiersfirma de Atlantische Oceaan was overgestoken. Met zijn laatste krachten sleepte Federmann zich met zijn troepen tot in de Muisca-hoofdstad, volkomen uitgeput van de mars over de Andes, om daar vast te stellen dat de Spanjaarden hem voor waren geweest. Meteen daarna kwam het bericht dat een derde partij het land van de Muisca naderde. Sebastián de Belalcázar, eveneens Spanjaard, had in het zuiden tegen de Inca’s gevochten en was nu, op zoek naar buit, eveneens op weg naar het noorden. De situatie was een kruitvat dat elk moment kon ontploffen. De drie bevelhebbers stonden voor een reusachtige goudschat en de legende dat ergens in de buurt nog meer enorme hoeveelheden goud op hen wachtten. Wat zich daar in die dagen precies heeft afgespeeld, is tot nog toe een raadsel. Wat vast staat is dat er in plaats van moord en doodslag, eensgezindheid was. De drie mannen stichtten samen een stad die se Santa Fe del Nuevo Reino de Granada noemden. Thans heet ze Bogotá en is de hoofdstad van Colombia.
(Dirk Huseman)

De andere helft van dit spannende artikel lezen? Koop de nieuwe G-Geschiedenis. Vanaf 17 september overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder