Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Koloniale oases in India

02 juli 2014 [412] Olivier Keun

‘De Engelsen exploiteerden India, maar hebben ons ook een wereldtaal, een spoorwegnet en de hill stations nagelaten.’ Zo luidt een gevleugeld gezegde in India. Hill stations zijn koele bergoorden, waar de kolonialen zich ‘s zomers terugtrokken vanwege de hitte. Tegenwoordig dienen ze als vakantieoorden voor Indiërs en buitenlandse toeristen, maar de Engelse sfeer is nog merkbaar aanwezig.

Het eerste hill station ontstond in uitlopers van de Himalaya. Luitenant Ros liet in 1819 als eerste een huis bouwen in Shimla. In 1838 werd het de zomerresidentie van de Engelse regering in India, die zich er in de koelte nestelde. Dit ontlokte destijds aan journalist Malcolm Muggeridge (The Statesman) de uitspraak: ‘Ik betwijfel of er ooit een regering heeft bestaan die zo ver af heeft gestaan van haar onderdanen.’ Ook bijvoorbeeld Mussoorie (Darjeeling), tevens hersteloord voor gewonde Britse militairen, functioneerde tot wel zes maanden jaarlijks als regeringscentrum van de lokale overheid.
Een smalspoortreintje brengt de passagier naar Shimla (2.200 meter hoog). Tijdens zo’n rit zat vorig jaar op de krappe bankjes een grote groep bejaarde Engelsen met lunchpakketten in dozen verpakt. Het gaat zigzaggend omhoog, over bruggen en langs achterzijden van woonwijkjes met mensen die zonder muur of hek ertussen op een meter afstand gehurkt thee zitten te drinken. De reis is een relaxte opeenvolging van panorama’s in een prettig tempo. Na halte Summerhill doemt tegen een steile bergkam Shimla op, met als decor besneeuwde bergtoppen. Naast cottages in Tudor-stijl staat er een neogotisch kerkje bij de Library met zwartwitte vakwerkgevels. The Mall, nu autovrije winkelpromenade met een goudkleurig beeld van Gandhi, was destijds voor Indiërs verboden. Even buiten Shimla staat de Viceroy’s Lodge, een majestueus buitenverblijf op een groene berghelling. De wanden van de ontvangsthal zijn bekleed met Birmees teakhout. Het is eind 19de eeuw mede gebouwd, omdat de toenmalige ziekelijke Britse onderkoning, John Lawrence, wel wat berglucht kon gebruiken. Enkele vertrekken verkeren nog in de oorspronkelijke staat, met grote schouwen en vergeelde portretfoto’s.

 

Hill-stations-aapjes-wb

 

Feesten tot de vroege ochtend

Het sociale leven stond in hill stations op een hoog peil met paardenraces, picknicks, cricket- en polowedstrijden, fancy fairs en dansavonden. Er kwamen zelfs ‘leden van de vissersvloot’ vanuit Engeland over, jongedames die een man aan de haak hoopten te slaan. Feestdagen (vooral Kerst) werden uitbundig gevierd. De beste champagne en wijn werd aangevoerd en in kristallen karaffen geschonken. In het boek ‘Ooty preserved, a Victorian Hill Station in India’ beschrijft Molly Panter Downes Europese groenten die te koop waren, zoals knolraap, radijs, artisjokken, spruiten en zelfs bladsla, die ook nu nog schaars zijn in India. Er werd gedineerd met zilver bestek en er stond weleens gerookte zalm of paté op het menu, gevolgd door een kopje mokkakoffie. De Engelse natuurschilderes Marianne North (nu nog bestaat er een paviljoen met haar werk in Kew Garden) en schrijver Ruyard Kipling waren eind 19de eeuw in Shimla. Kipling merkte op dat hij er meer paard reed, danste, uit eten ging en concerten bezocht dan hij thuis in zijn hele leven had gedaan. In Mussoorie luidde het prestigieuze Savoy Hotel ’s morgens voor zonsopgang een klok om gelovigen tot gebed op te roepen en ‘zondigen naar hun eigen bed te dirigeren’.
Maar er leefden ook winkeliers, soldaten en spoorwegarbeiders. Prostituees, zwervers en geestelijk gestoorden werden regelmatig gedeporteerd, terwijl tribalen, zoals Toda’s bij het Zuid-Indiase Ooty als levende voorbeelden van ‘noble savages’ dienden, symbool staand voor ongereptheid, schoonheid, onschuld. Dit terwijl ze door de koloniale invloeden, geld, drank en luxe spullen, juist ‘moreel geruïneerd’ werden, zoals de Engelse linguïst, spion en ontdekkingsreiziger Sir Richard Francis Burton opmerkte. Hij bracht rond 1850 enige tijd in Ooty door, maakte een ‘curiosity hunt’ naar de Toda’s, die hij beschreef als een buffelvolk, dat aan infanticide en polyandrie (vrouwen trouwden meerdere broers) deed. Ze leefden in hutten met een dak in een halve cirkelvorm. Nu nog bestaan in Toda dorpen rond Ooty enkele van deze hutten, evenals tempeltjes met een spits conische opbouw. Burton constateerde dat, ondanks vele afleidingen, de verveling toch snel toesloeg in Ooty.

 

Hill-stations-theehuis-wb

 

Utopia met bloemetjesgordijnen

Hill stations boden een thuisgevoel vanwege temperatuur, racebaan, bibliotheek, de club en boekwinkels als Higginbothams. John Sullivan, stichter van Ooty, voorzag dat dit stadje ‘Engeland in de tropen’ zou worden, waar ‘Europeanen zich vermenigvuldigen, allerlei agrarische activiteiten ontplooien en een Indiase Utopia stichten’. Veel kolonialen lieten er hun gezin permanent wonen en kopieerden sociale en opvoedkundige instituties (zoals kostscholen) van het thuisland; een Ersatz-England, om zo de eigen identiteit in stand te houden. In Ooty bestaat nog steeds een YWCA, waar toeristen overnachten in een laag, cottageachtig gebouwtje met bloemetjesgordijnen en schilderijtjes van roodharige, Engelse meisjes die touwtjespringen en achter hoepels aanlopen.
Ooty (Udhagamandalam) ligt 2.268 meter hoog in het Nilgiri-gebergte, een natuurlijke landscheiding tussen Kerala en Tamil Nadu (tien tot vijftien graden koeler dan Madras). Het werd begin 19de eeuw gesticht en werd zo populair dat het ‘queen of the hill stations’ werd genoemd; ook de Maharadja van Mysore liet er een zomerpaleis bouwen (nu luxehotel). Je treft er herinneringen aan de Engelse tijd, zoals Charing Cross, het belangrijkste plein, cottages met weelderige bloementuinen, een racebaan en op straat lopen jongens en meisjes in kostschoolkleding (colbertjasjes met goudkleurig schoolembleem, terlenka plooirokjes). De botanische tuin werd in 1847 aangelegd door de markies van Tweeddale, die een tuinman en zelfs hele bomen liet overkomen uit de Royal Botanical Gardens in Kew.

 

Hill-stations-hut-wb

 

Toytrain met stoomtractie

In 1882 legde de Zwitserse ingenieur M. Riggenbach met de Engelse Royal Engineers een smalspoorlijn naar Ooty aan, met op steilere gedeelten (tot 8%) een tandradsysteem. De reis, 46 kilometer, duurt 4,5 uur (naar beneden 3,5 uur). Ook nu nog rijdt deze ‘toytrain’ met een stoomlocomotief. Op de steilere gedeelten liggen tussen de rails, naast elkaar, twee staven met verspringende tanden, waarin een tandwiel onder de locomotief zich vastgrijpt. Op minder steile gedeelten strooien wagonvoerders vanaf voorbalkonnetjes zand op de rails om terugglijden te voorkomen. Bij bochten steken ze groene (bij gevaar rode) vlaggen uit om de machinist in de locomotief die de wagons omhoogduwt, te signaleren dat de spoorbaan vrij is. Er lopen soms mensen, dieren (ook olifanten) en na de moesson kunnen meegevoerde stenen en ontwortelde bomen de rails blokkeren. Ook Matheran, een klein hill station in Maharashtra heeft een toytrein, maar met diesellocs en zonder tandrad.
Het best is de Engelse sfeer bewaard gebleven in Ooty’s Club, die dateert van 1864, een wit paviljoen met bijgebouwen (gastverblijven voor leden), gelegen in een weelderig park. Onder de overkapping van de entree met imposante zuilen hangen opgezette sambarkoppen en vanachter de receptie kijken tijgerkoppen op je neer. In ‘Ooty preserved, a Victorian Hill Station in India’ haalt een inwoonster herinneringen op aan de club, waar de vrouwen in Vogue bladerden, die bij Spencer’s inkopen deden.
Tijdens een bezoek bleek de Engelse etiquette er nog steeds te heersen. Een Indiase bediende zei dat een rondleiding niet goed uitkwam: ‘Sir, rond deze tijd neemt de secretaris zijn bad.’ Later die ochtend kon het wel. In de grote lounge met parketvloer en leestafel met laaghangende lampen waren zithoeken met lederen fauteuils rond schouwen gegroepeerd. Verse bloemboeketten, een piano en berenvellen sierden de ruimte. Op kartonnen bordjes waren kledingvoorschriften afgedrukt, evenals de mededeling: ‘Children under twelve are not allowed here’. Secretary Kilpadi, een gepensioneerde Indiase theeplanter uit Assam: ‘We worden wel Ooty Snooty club genoemd, omdat ons lidmaatschap strikt geregeld is, de toelatingsprocedure kan wel een jaar duren.’ De club heeft nu zeshonderd, vooral Indiase leden. Maar ook zij krijgen gifgroene Engelse erwtjes geserveerd en schrijven aanmatigende opmerkingen in het klachtenboek. Kilpadi: ‘We serveren naast Indiaas eten traditioneel Engelse gerechten, zoals fish & chips, lam in mintsaus en met Kerstmis kalkoen en christmas pudding.’ Bij de portiersloge staat een jockeyweegstoel met koperen gewichten en schuifmaat, in de eetzaal hangen portretten van koningin Victoria, Churchill en bij een snookertafel vertelt Kilpadi: ‘De club is beroemd, omdat snooker hier is uitgevonden. Sir Neville Chamberlain voegde aan het spel Black Pool extra gekleurde ballen toe en bedacht de spelregels hier.’

 

Hill-stations-monniken wb

 

Little miss in een palki

De Indiase mrs. Beth Cooper, er geboren, klaagt dat Ooty vroeger schoner was: ‘De tuinen worden slecht onderhouden en de veelkleurige bloemen langs straten zijn verdwenen door uitlaatgassen. Ooty was een rustig dorpje met gemeenschapszin. De flower show werd honderd jaar geleden al gehouden; de mooiste tuinen kregen prijzen.’ In het tijdschrift ‘Indian Gardening’ (1898) is te lezen dat tijdens een parade met ‘smaakvol versierde minirijtuigen’ de eerste prijs naar little Miss Sommers-Eve ging, gezeten in een palki (draagstoel), gedragen door zes kleine zwarte jongetjes. Mrs. Cooper: ‘We hielden “governers teas” met cake, zondags waren er promenadeconcerten en de Ooty Amature Dramatic Society voerde toneelstukken op in the Assembly Rooms. Iedereen had zijn eigen stoel. In de Coronation Talkies waren honden toegestaan, dus wij gingen er met onze Afghaan heen; het is hier een goed klimaat voor honden.’ St. Stephens Church, waar de dienst nog steeds in het Engels wordt gehouden, ligt vol grafstenen, herinnerend aan de cholera-epidemie (1877) waarbij 500 mensen omkwamen. In het voorportaal is een wandgedenkplaat: ‘Lieutenant Colonel John Ouchterlony, Royal Madras Engineers ‘who died in 1863 of jungle fever…’.

 

Hill-stations-schaatsen-wb

 

Vluchtoord tegen de hitte

Het verschijnsel hill station bleef niet beperkt tot India. In het boek ‘The great Hill stations of Asia’ worden voorbeelden in Pakistan, Sri Lanka, Birma, Indonesië en Vietnam besproken. Overal was de zomerhitte de koloniale overheerser te veel. Velen kregen malaria, dysenterie, cholera of werden depressief: ‘tropenmoeheid’. De Dalai Lama vestigde zich na verbanning uit Tibet met vele monniken noodgedwongen in het Indiase hill station Dharamsala bij de Himalaya en leeft daar nu nog. In Zuid-India vestigden zich in Munnar naast Engelsen ook Schotse theeplanters en in het nabijgelegen Kodaikanal Amerikaanse missionarissen. Tot begin vorige eeuw werd de reis erheen per buffelwagen afgelegd, waarbij de passagiers op planken, met daaronder de bagage, zaten (in Mussoori bij Calcutta werden kinderen door koelies in draagstoelen naar boven gedragen). Nu rijd je naar Kodaikanal in een krakkemikkelige bus of naar Munnar, er vlakbij met op omringende berghellingen theestruiken, die vanuit de verte lijken op mosplantjes. De maharadja van Travancore schonk James Finlay in 1860 een stuk grond en deze Schot initieerde er theecultivatie. De High Range Club ligt aan de stille kant van de rivier met een golfcourse, cricketveld en rode gravel tennisbanen en ging in 1973 over in handen van Tata, Indiase theeproducent en multinational. Nu zijn 130 Tata-plantagemanagers lid, evenals enkele artsen en advocaten.
Hill stations verloren begin vorige eeuw hun grootste aantrekkingskracht. Reizen naar Europa ging sneller en werd goedkoper, waardoor echtgenoten de zomers in Engeland doorbrachten en kinderen daar naar kostscholen werden gestuurd. Langzaam namen ‘voorname’, welgestelde Indiërs de plaats van de Engelsen in, die hadden geprobeerd hen te weren. Zo ook Jawarhalal Nehru (Mussoorie), wiens dochter, de latere premier Indira Gandhi, er haar jeugd grotendeels doorbracht. In Matheran bestond het stadsbestuur in 1930 al uit Indiërs en in Mahabaleshwar werd een Indiër president van de club. De Britse journalist James Cameron merkte in 1971 op, dat het Indiase establishment ‘naadloos de plaats heeft ingenomen van de Engelsen.’
(Lex Veldhoen)
Lees de rest van dit opmerkelijke verhaal in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder