Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Drama in Khartoem, 1885

11 juni 2014 [412] Olivier Keun

In 1885 kreeg het Britse imperium een flinke opdonder te verduren in het woestijnland Soedan. Een weifelend buitenlands beleid, een hele reeks misverstanden en tegenslagen, gepaard aan een onderschatting van het gevaar, culmineerden in de val van Khartoem en de dood van majoor-generaal Charles George Gordon, een der nationale helden van Groot-Brittannië. Dat was het werk van Mohammed Ahmed Ibn el Sayyid Abdullah, die werd gezien als de Mahdi, de reïncarnatie van de profeet Mohammed, Onder zijn leiding nestelde er zich een explosieve islamstaat, grenzend aan Egypte. Pas dertien jaar na Gordons dood konden de Britten weerwraak nemen.

Opstand van de Mahdi
Toen de Franse vloot in 1882 vernederd uit Alexandrië wegvoer, kregen de Britten het door de Fransen gegraven Suezkanaal virtueel in handen. Meteen stelde zich de vraag: wat met Egyptes zuidelijke voortzetting langs de Nijl, de Soedan? Het antwoord kwam uit een onverwachte hoek.
Moegetergd en leeggezogen door een eeuwenlange Osmaanse bezetting, zagen de inlanders hun kans schoon. In naam van hun religie kwamen ze in opstand. In geen tijd zette een islamitische revolutie het land in rep en roer. De opstand werd georkestreerd door de Mahdi, de langverwachte profeet die de inlanders van de corrupte Egyptenaren zou bevrijden en hen zou terugbrengen op het ware geloofspad. Een eerste, onhandig aangepakte Anglo-Egyptische strafexpeditie werd door de moslims finaal in de pan gehakt. In de westelijke Kordofan-provincie liep de 10.000 man sterke zending in een hinderlaag, en werd op een handvol na volledig afgeslacht, de gezagvoerder kolonel Hicks inbegrepen.

Vervloekt land
Na die nederlaag hielden de Britten het voor bekeken. Ze voelden zich wat graag verlost van een door de natuur vervloekt land waar na het Turkse regime weinig of niets meer te rapen viel. Intussen kon de diplomatieke machine op volle toeren draaien, opdat geen andere Europese mogendheid van het vacuüm misbruik zou maken. Afrika eindigde immers niet bij de Soedan. Het tij kon er snel keren en zelfs een Mahdi was niet onsterfelijk. De voorlopige aftocht moest waardig geschieden, zonder gezichtsverlies, en vooral zonder de Britse regering al te direct te impliceren. Daarom gooide Londen een hoge troef in de strijd: majoor-generaal Charles Gordon werd als waarnemer naar Khartoem gestuurd, niet om een krachtmeting met de opstandelingen aan te gaan, wel om de Egyptische garnizoenen te evacueren. En, wie weet, misschien kon het charisma van de toen al legendarische generaal wel een onverwachte oplossing uitdokteren, de tegenstander tot redelijkheid bewegen, een aanvaardbare bondgenoot in de hoofdstad installeren die het fundamentalisme kon indijken. Vlakbij Egypte en het strategisch belangrijke Suezkanaal kon men de Soedan immers niet zonder meer aan de barbaren overlaten, zo redeneerden de Britten.
Door die ijdele hoop op een wonder kwam er van een evacuatie niets terecht. Gordon was van waarnemer al vlug tot gouverneur bevorderd; steeds opnieuw werd de aftocht uitgesteld, tot het te laat was. In maart 1884 liepen de tot dan toe trouw gebleven stammen benoorden Khartoem naar de Mahdi over. Alle verbindingen via de stroom en de telegraaf met Caïro en Londen werden verbroken. Khartoem was helemaal afgesneden, omsingeld door moslimfanaten. Het was een belegerde stad in de beste middeleeuwse traditie. Geen wonder dat de harde werkelijkheid zo traag tot Londen doordrong. De reddende Gordon schreeuwde nu zelf om een reddingsexpeditie, de derde poging in evenveel jaren.

 

 

Khartoem Mahdi

 

Chinese Gordon
Op zijn veertigste was Charles Gordon al een gevierd man. Hij had in de Krimoorlog gestreden, en nadien in China veel eer geoogst en er de bijnaam ‘Chinese Gordon’ aan overgehouden. In 1874 trad hij in een soort huurdienst voor de Egyptische khedive Ismail, die hem tot gouverneur benoemde in de Equatoria-provincie, thans in Zuid-Soedan. Ismail droomde van een nieuw Egyptisch rijk dat zich zou uitstrekken van de Middellandse Zee tot aan de bronnen van de Nijl, een droom die bij ook aan de buitenwereld wist te verkopen door hem als een kruistocht tegen de slavenhandel voor te stellen. Na twee jaar trok Gordon zich ontgoocheld terug, want van de strijd tegen de slavenhandel zou nooit veel terechtkomen zolang er een Egyptische gouverneur-generaal in Khartoem zetelde, besefte hij.
In l877 kon de khedive hem opnieuw tot medewerking overhalen. Dit keer kreeg hij gans de Soedan en werd in Khartoem zelf als gouverneur geïnstalleerd, nominaal nog steeds afhankelijk van de Porte in het verre Constantinopel. In 1879 werd Ismail op aanstichten van de Europese grootmachten door de sultan met zachte hand verwijderd, nadat hij met zijn megalomane dromen niet zijn Groot-Egyptische Rijk, maar wel de bodem van zijn schatkist had bereikt, via de meest exuberante uitgaven. Met het verdwijnen van zijn werkgever stapte ook Gordon andermaal op.

Victoriaan in hart en nieren
De man die zo graag quasi in zijn eentje de scepter zwaaide over verre volken was daarmee niet uitgediend. Nu was het de koning der Belgen die zich voor hem ging interesseren. Koning Leopold II zag een belangrijke rol voor Gordon weggelegd, aan de zijde van Stanley, in het bestuur van zijn Kongo Vrijstaat. In 1880 ontmoetten ze elkaar in Brussel. Eind 1883 was de zaak nagenoeg rond. Gordon stond op het punt zich uit het Britse leger terug te trekken en de opdracht van Leopold aan te nemen, net toen de strijd in de Soedan losbarstte. Majoor-generaal Gordon, de expert in Soedanese bestuurszaken, leek de uitverkoren man om deze klus voor de Britten te klaren. En inderdaad, als Victoriaan in hart en nieren, kon hij niet aan de lokroep naar nieuwe macht en roem weerstaan. Zonder aarzelen aanvaardde hij de opdracht van de Britse regering. Hij vroeg uitstel aan koning Leopold voor diens Kongo-plannen en vertrok, voor de derde en laatste keer, spoorslags naar Khartoem, in het gezelschap van zijn ondergeschikte, kolonel James Stewart.

 

Khartoem-gen-Gordon-en-kol-

 

The Khartoum Journals
Vanaf zijn aankomst te Khartoem bestookte generaal Gordon zijn directe opdrachtgever, Sir Evelyn Baring, de vertegenwoordiger van de Britse regering in Cairo, dagelijks met stapels telegrammen. Kort nadat de telegraafdraden werden doorgeknipt, begon hij zijn dagboek te schrijven, dat als bij wonder de val van Khartoem heeft overleefd. Het werd zijn enige uitlaatklep, waarbij de gouverneur-generaal vooral met zichzelf converseert. Met het doodsgevaar voor ogen geeft hij zichzelf ongeremd bloot. Het is niet alleen een historisch, maar ook een zeer menselijk verslag van een man verloren in een revolutie. Niets ontbreekt: de kleine ergernissen, de dagelijkse trivialiteiten, de diepe twijfels, de zwaar op de proef gestelde vaderlandsliefde, de vervlogen Victoriaanse dromen, de woede en de minachting voor de Londense politici, de heimelijke bewondering voor de tegenstander, het latente doodsverlangen… Het einde lijkt onafwendbaar. Zal de reddingsactie op tijd komen? Komen ze alleen hem halen? Denken ze misschien dat hij de garnizoenen zonder meer in de steek zal laten? Dan opnieuw de woede en de wanhoop in een nieuwe scheldkanonnade.

Bezaaid met glasscherven
Vanaf maart 1884 was Khartoem een belegerde stad. Aanvankelijk was de toestand niet direct dramatisch te noemen. Er waren haast 40.000 mensen in de stad, waaronder 8.000 soldaten van de Egyptische garnizoenen, weliswaar niet optimaal bewapend, maar dat waren de Mahdi-dervishen evenmin. Ook beschikten ze over twaalf artilleriekanonnen en negen vuurklare raderboten die schermutselingen langs de Nijl aankonden. Aan munitie was er geen gebrek; het arsenaal kon wekelijks 40.000 patronen produceren. Volgens Gordon was er genoeg voedsel om een blokkade een half jaar te doorstaan, en met de stroom zo vlakbij was water zeker geen probleem. Strategisch was de stad niet zo moeilijk te verdedigen; ze lag immers op een schiereiland tussen de Witte en de Blauwe Nijl, die bij Khartoem samenvloeien. De zuidlinie was de zwakste schakel, daar strekte zich de wijde woestijn uit. Die grens was extra versterkt met een zes kilometer lange wal en gracht; de grond lag er bezaaid met primitieve landmijnen, kraaienpoten en glasscherven, want de tegenstander was blootsvoets.
De grootste vijand was de tijd. Met het verstrijken der maanden zakte het moreel van de inwoners langzaam. Van een reddingsactie had men geen enkel bericht, want er was er geen. De Britse regering weigerde halsstarrig zich op dit vlak nogmaals de vingers te branden. Ze spoorde Gordon aan, via heimelijk doorgezonden boodschappen, om alleen uit de stad weg te vluchten, wat van weinig kennis van het karakter van de generaal getuigde. Pas in augustus werd tot de actie besloten onder druk van de publieke opinie, treffend vertolkt door koningin Victoria – ‘Gordon is in gevaar, u moet hem redden…u draagt een vreselijke verantwoordelijkheid.’ De leiding van die reddingsexpeditie werd toevertrouwd aan Lord Wolseley, ‘de held van Tell el Kebir’, waar hij twee jaar eerder de Egyptische opstand had geneutraliseerd. In overeenstemming met Victoria’s noodkreet was ze van meet af aan alleen gericht op het weghalen van generaal Gordon uit Khartoem, voor de trotse generaal (hieronder) een ondraaglijke gedachte.

 

Generaal Gordon

Khartoem-gen-Gordon-wb

 

Geld noch voedsel
Daar in Khartoem was de situatie sinds begin september precair geworden. Op 4 september sneuvelden er 800 soldaten bij een treffen met de dervishen vlak buiten de stad. De Mahdi leek alsnog te hebben gekozen voor de geduldige tactiek van de uithongering. Gordon moest iets doen: op 9 september stuurde hij kolonel Stewart uit om in Caïro groot alarm te slaan. De kolonel doorbrak de blokkade en vertrok met de Abbas-stoomboot op de Nijl naar het noorden. Precies die dag arriveerde Wolseley in Cairo. Generaal Gordon zat nu alleen in zijn paleis en begon op 10 september aan zijn dagboek:
‘Kolonel Stewart, Power en Herbin, vertrokken vannacht naar Dongola via Berber. Een spion kwam van het zuidfront. Een ander uit Halfeyeh rapporteert dat de Arabieren niet gaan aanvallen, maar de blokkade zullen voortzetten. Het is verbazend hoe de inwoners zich aan de stad vastklampen, ofschoon ze alle kans hebben om haar te verlaten. Sterker nog, honderden nieuwkomers stromen er toe, hoewel het een publiek geheim is dat wij geld noch voedsel hebben. Op een of andere manier schenkt het mij vertrouwen. Zo’n reactie zie je toch niet bij op drift geraakte mensen of er moet een reden voor zijn, zij het onbewust, als een soort instinct.’
De stemming kon echter vlug omslaan. Twee dagen later filosofeerde Gordon, als Victoriaans puritein met het perspectief van de uithongering voor ogen: ‘Het is echt ontmoedigend om zich in een situatie als de mijne te bevinden. De mensen zijn ons allemaal vijandig gezind, en ze zijn zo machtig; ze hoeven niet eens te vechten, weigeren graan te verkopen volstaat. De maag regeert de aarde; het is de maag, een verachtelijk orgaan, die onze ellende van begin af aan veroorzaakte. Het is verbazend hoe het menselijk buikkanaal de wereld beheerst, in kleine en in grote dingen.’

Met een muis aan tafel
Eind september kreeg Gordon het eerste bericht dat er een expeditie op komst was. In de stad leidde het tot een enthousiaste uitbarsting. Intussen was er geen nieuws van kolonel Stewart en de Abbas. Ook de intentie van de Mahdi – nu uithongering niet meer haalbaar was – was een groot vraagteken. Gordon veronderstelde dat hij noodgedwongen zou wachten tot het dalen van de Nijl op het einde van het jaar, alvorens een aanval te wagen. Voor de traag naderende Wolseley-expeditie, die door vijandig gebied moest oprukken, werd het een onbewuste wedren met het dalende waterpeil. Voor de Mahdi werd het een gespannen wachten tot het allerlaatste en geschiktste moment om toe te slaan. Vanaf het dak van zijn paleis aan de Blauwe Nijl observeerde Gordon dagelijks met zijn telescoop de bewegingen en de gebeurtenissen in het kamp van de belegeraars aan de overkant van de stroom. Ondertussen ging het dagelijks leven gewoon zijn gang: ‘Er zat een schorpioen in mijn badspons deze morgen. Hij stak mij in m’n vinger. Ik doodde hem en dus zijn we quitte. Ik vraag mij af of er al een analyse van het schorpioen- en cobragif is gemaakt. Het is de zesde keer dat ik gestoken ben. Een muis heeft Stewarts plaats aan tafel ingenomen; onbevreesd komt zij, afgaand op haar ronde verschijning, uit mijn bord eten.’
Doch de wrevel is nooit ver weg en zijn woorden klinken profetisch: ‘Wij zijn een wonderbaar volk, maar het was nooit dank zij onze regering dat wij een grote natie waren; onze regering is altijd al een blok aan ons been geweest. Het lijdt geen twijfel dat Khartoem zal vallen vlak voor de neus van het expeditieleger dat natuurlijk net te laat zal komen. Het leger zal misschien menen dat het de stad opnieuw moet innemen, maar dat is nutteloos en het zal tot nodeloze verliezen leiden aan beide zijden. Het zal er beter aan doen snel rechtsomkeert te maken, met de staart tussen de benen.’

 

Britse troepen voor de Slag bij Omdoerman, 1898.

Britse troepen voor de Slag bij Omdoerman, 1898.

 

Ellendige feestjes
Op 22 oktober krijgt hij een brief van de Mahdi waarin triomfantelijk de dood van Stewart meldt. De stoomboot Abbas was dicht bij Abu Hamed op een rots gelopen, de passagiers waren listig aan wal gelokt en daar ‘s nachts overvallen en vermoord. Gordon wordt tot overgave aangespoord, maar dat is voor fiere generaal ondenkbaar. Van de weeromstuit trekt hij steeds feller van leer tegen het thuisfront en zijn geplogenheden: ‘Het schenkt mij een diepe vreugde als ik bedenk dat ik Groot-Brittannië nooit zal terugzien, met haar gruwelijk vervelende diners en ellendige feestjes. Hoe wij ons daarmee kunnen verzoenen gaat mijn verstand te boven. Het is pure slavernij. Op zo’n diners dragen wij allen een masker, zeggen wij zaken die wij zelf niet geloven, eten en drinken wij dingen die wij niet lusten, terwijl wij elkaar verwensen. Ik zou liever als een dervish bij de Mahdi gaan leven dan elke avond naar een diner in Londen te gaan. Mocht er een Engelse generaal in Khartoem aankomen, dan hoop ik dat hij mij niet voor een diner zal inviteren. Het is verbluffend dat mannen geen vrienden kunnen zijn zonder er de ellendige maag bij te betrekken.’

Aanval op de stad
Op 12 november brengt de Mahdi zijn artillerie in positie, bestaande uit de Engelse kanonnen die zijn buitgemaakt op de uitgeroeide Hicks-expeditie. De beschieting van Khartoem begint. Die richt weinig schade aan, maar ondermijnt het moreel. Dagelijks spreekt Gordon de inwoners moed in en spiegelt hij hen de aankomst van het reddingsleger voor. Ondertussen is de honger acuut geworden. Elk dier – ezel, hond, aap of rat – is verorberd. De maïsvoorraad is sinds eind december helemaal uitgeput. Als voedsel blijven nog enkel de vezels van de palmbomen over, en een soort gom die hevige krampen veroorzaakt. De doden liggen bij honderden in de straten. Noodgedwongen stuurt Gordon vijfduizend van de meest verzwakte inwoners naar de belegeraars. Op 5 januari geeft de voorpost te Omdoerman zich over. De Arabieren omsingelen de stad nu helemaal en de beschietingen gaan dag en nacht door: ‘Om drie uur in de ochtend val je in een woelige slaap. Een trommel slaat: boem! boem! boem! Eerst hoor je het in je droom, na enkele minuten word je weer wakker, en het dringt tot je hersens door dat je in Khartoem bent. De volgende vraag is: waar komt dat getrommel vandaan? Je hoopt dat het zal uitsterven. Nee, het gaat door, het wordt luider. Er schiet een gedachte door je hoofd, ‘Hebben ze genoeg munitie?’ (het excuus van slechte soldaten). Je probeert je te bedwingen. Uiteindelijk helpt het niet, je moet je bed uit, je moet het paleisdak op; dan telegrammen, bevelen, zweren en vloeken tot omstreeks 9 uur ’s ochtends.’

 

De Slag bij Omdoerman barst in alle hevigheid los.

De Slag bij Omdoerman barst in alle hevigheid los.

 

Vaarwel
Het waterpeil van de rivier ging nu snel aan het dalen en de opgedroogde modderbanken brachten de dervishen steeds dichterbij, maar de Mahdi aarzelde nog, hij had nog tijd. Eind december had het expeditieleger Korti bereikt; vandaar kon men direct door de woestijn naar Khartoem doorstoten, ofwel kon men langs de langere route de Nijl blijven volgen. De expeditie was zeer gebrekkig geïnformeerd over de gang van zaken in Khartoem – doorgesmokkelde boodschappen hadden steeds een optimistische inhoud om de vijand bij onderschepping te misleiden – en zag geen reden voor grote haast. Een kleine groep stak de woestijn door, maar vervoegde de Nijl opnieuw, ver ten noorden van Khartoem, om terug bij het gros van de expeditie aan te sluiten. Pas op 30 december werden ze mondeling over de ernst van de toestand in de stad geïnformeerd. Op 14 december schreef de generaal zijn laatst bewaarde nota: ‘Let op, als het expeditieleger – tweehonderd man is alles wat ik vraag – niet binnen de 10 dagen aankomt, kan de stad vallen. Ik heb mijn best gedaan voor de eer van mijn land. Vaarwel. G.G. Gordon.’ Als laatste noodkreet was er onderaan nog vluchtig aan toegevoegd: ‘U stuurt mij geen informatie, ofschoon u geld genoeg heeft.’
Hiermee besloot Gordon dit deel van zijn dagboek, hij pakte het stevig in en schreef op het omslag:
‘Gebeurtenissen in Khartoem. Dagboek van Generaal Gordon. Geen geheimen wat mij betreft. Inkorten indien publicatie volgt.’

Slachting kan beginnen
Onder hevig vuur vertrok de stoomboot Bordein op 15 december noordwaarts met het dagboek aan boord. Gordon kon het vergezeld hebben maar hij bleef in de stad. Pas op 21 januari 1885 kreeg de Britse expeditie contact met de Bordein, las de laatste bladzijde van Gordons’ ontboezemingen en wist meteen genoeg. Wat er de laatste vijf weken in Khartoem gebeurde, steunt op getuigenissen van inwoners die de val van de stad overleefden. Natuurlijk ging Gordon door met schrijven, doch deze teksten gingen verloren. Op 25 januari hakte de Mahdi de knoop door en besliste de volgende dag vroeg in de ochtend aan te vallen. Terstond begonnen grote groepen krijgers de Nijl over te steken, ten zuiden van de stad.
De gracht van de zuidelijke verdedigingslinie was op bepaalde plaatsen door het dalende waterpeil van de Nijl dichtgeslibt. Door zo’n bres stormden de troepen van de Mahdi om drie uur in de nacht van 26 januari 1885 de stad in. De belegering van Khartoem had welgeteld 517 dagen geduurd. Ze ontmoetten vrijwel geen weerstand, de weg naar het paleis lag open, de slachting kon beginnen. Generaal Gordon had de ganse nacht zitten schrijven en was pas enkele uren ingeslapen. Door het naderend tumult werd hij wakker, klauterde terstond op het dak van het paleis, waar een machinegeweer stond opgesteld, en hij begon op de naderende massa in te vuren. Toen de eerste krijgers tot aan de muren waren genaderd en buiten schot kwamen, snelde hij terug naar zijn slaapkamer en kleedde zich in zijn wit uniform. De aanvallers waren eerst wat terughoudend , uit angst voor mijnen rond het paleis, maar het duurde niet lang eer de dappersten de paleistuin binnendrongen. Hoe de generaal precies aan zijn eind kwam, staat niet helemaal vast. Volgens sommige getuigen werd hij op de trappen van het paleis door een speer in de borst getroffen. Anderen verklaarden later dat hij zich vechtend een doorgang baande tot hij in de tuin werd overweldigd. Vast staat dat hij heel vroeg in de ochtend in of bij het paleis werd gedood. Zijn hoofd werd van het lichaam gescheiden en naar de tent van de Mahdi gebracht. Later werd het in een boom openbaar tentoon gesteld. Tijdens de zes uur lange plundering van de stad die volgde, deelden circa 4.000 inwoners zijn lot.

Twee dagen te laat
Inmiddels was een stoomboot van het expeditieleger de stad heel dicht genaderd. Vanaf de oevers riepen de Arabieren hen toe dat ze te laat kwamen en dat de stad gevallen was, maar daar hechtten ze geen geloof aan. In de namiddag van 28 januari kwamen ze in zicht van Khartoem, waar ze op een hevige tirade werden ontvangen. De sedert maart 1884 gevraagde hulp was eindelijk aangekomen, maar ze kwam precies twee dagen te laat; op het regeringspaleis wapperde niet langer de Anglo-Egyptische vlag, en ergens in de paleistuin lag het onthoofde lijk van majoor-generaal Charles Gordon. Omdat hij het risico liep elk ogenblik tot zinken te worden gebracht, maakte de stoomboot van Charles Wilson al in de vroege vooravond rechtsomkeert. Toen Wolseley het dramatische nieuws vernam, plande hij eerst een aanval vanuit Berber voor de komende herfst. Londen weigerde hiervoor echter toestemming, en in verwarring trok het expeditieleger zich noordwaarts terug, met de staart tussen de benen, precies zoals Gordon had voorspeld.

 

Geïdealiseerd beeld van de slag tussen de chaotische Afrikaanse krijgers en de gedisciplineerde Britten.

Geïdealiseerd beeld van de slag tussen de chaotische Afrikaanse krijgers en de gedisciplineerde Britten.

 

Slag van Omdoerman
Levend was Gordon al een legende, dood werd elk woord van hem heilig. Dank zij de algemene volkswoede om zijn jammerlijk lot werden The Khartoum Journals, op het nippertje uit de chaos gered, nog in hetzelfde jaar vrijwel integraal en ongecensureerd gepubliceerd, uniek in de annalen van de oorlogsvoering. Elke Brit kon de laatste maanden van de eenzame gevangene in Khartoem persoonlijk meebeleven, inclusief alle verbale woede, confidenties, beledigingen en beschuldigingen aan het adres van de politici. Veel kwaad kon het toch niet meer aanrichten. Khartoem was niet enkel Gordons graf geworden, het had ook al wat politieke macht droeg in Londen de politieke dood ingejaagd, en de Soedan waren ze nu toch kwijt.
Meer dan tien jaar lang likten de Britten de wonden van hun gekwetste trots en poogden ze de vervloekte Soedan uit alle macht te vergeten. Een onbegonnen zaak. Toen de koloniale opsplitsing van Afrika onder de grootmachten – ‘the scramble for Africa’ – steeds verder ging en toen de Fransen de ‘Cape to Cairo’ doelstelling – de Britse dominantie dwars door Afrika van noord naar zuid – dreigden te dwarsbomen, werd Gordons geest weer opgeroepen. De haast vergeten generaal was het ideale excuus om het Britse publiek voor de beslissende koloniale uithaal in Afrika te mobiliseren. Op een moment dat weinigen zich nog druk maakten om de dode generaal, moest die opeens gewroken worden. Dat gebeurde in 1898 in de slag van Omdoerman, waar – voor het eerst – machinegeweren werden ingezet tegen de primitief bewapende vijand met een massaslachting voor gevolg: bij de Mahdisten vielen ruim 11.000 doden, bij de Britten slechts 48. Maar het doel was bereikt: Brittannia kon uit Oost-Afrika niet meer weggecijferd worden en de Fransen waren al hun aanspraken op de Nijlregio verloren, ver weg waren de roemrijke dagen van Napoleon. In het oostelijk deel van Afrika zou Frankrijk nooit een koloniale voet aan de grond krijgen, de weg lag vrij voor het Britse rijk.
(André Capiteyn)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder