Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Michael Rockefeller: wat echt gebeurde

24 april 2014 [412] Olivier Keun

Het grote nieuws van 1961 was de mysterieuze verdwijning van miljonairszoon Michael Rockefeller in Nederlands Nieuw-Guinea, meer speciaal in het Asmat-gebied in de Baliemvallei. Na de steeds wanhopiger zoektocht door de familie Rockefeller –uiteraard werden kosten noch moeite gespaard- zijn tientallen journalisten in de decennia erna op onderzoek geweest.

Alles was een mens nodig heeft, is in het Asmatgebied te vinden; kreeft, krab, oesters en vis langs de kust, wilde zwijnen in de jungle. Voedselrijke vruchten, vogels, de talrijke rivieren in het Papoealand zijn ideale transportwegen. Krokodillen, papegaaien, neushoornvogels: de natuur is al zijn pracht en praal.
Het bijzondere aan Papoealand, in het bijzonder de Asmat, is de eeuwenlange afzondering van de rest van de mensheid. Hier heeft zich een eigen cultuur ontwikkeld waar tot vijftig jaar geleden het wiel onbekend was, ook niet nodig trouwens. Papier en ijzer waren afwezig, laat staan een machine. Nog steeds zijn er geen wegen, geen auto’s. Op de 15.000 vierkante kilometer ligt één landingsbaan. Aan de landzijde is de jungle ondoordringbaar, langs de kust zorgt het getij van vijf meter voor een grote vlakte waar het onmogelijk is aan land te komen.

 

Rockefeller-2-wb
Nieuw onderzoek
In 2013 volgt opnieuw een Amerikaanse expeditie het spoor van Michael Rockefeller, beginnend bij de monding van de Betsj, waar zijn catamaran zou zijn omgeslagen. De rijkeluiszoon van de gouverneur van New York, Nelson, was toen 23 jaar. De afgelopen zeven maanden was hij getransformeerd van een strak geknipte keurige student naar een fotograaf en kunstverzamelaar met een fikse baard. Hij was, met zijn Nederlandse metgezel, omgeslagen en richting kust gezwommen. Van daar loopt het spoor dood. Twee weken zochten de Nederlanders, met schepen, helikopters, vliegtuigen en duizenden helpers onder de bevolking. Het was onvoorstelbaar dat een zo beroemd iemand in het niets zou zijn opgelost.
De officiële doodsoorzaak is verdrinking, maar in de loop der jaren zijn tientallen theorieën opgehangen rond zijn verdwijning: ontvoerd en gevangen gehouden; omgeturnd tot een namaak-Asmat; opgegeten door haaien; aan land zijn gekomen maar daar slachtoffer geworden van koppensnellers, c.q. menseneters. Het werd almaar mythischer. Er kwamen boeken, popsongs, een televisieshow, een theatervoorstelling.

Dead birds
De foto van Michael in Nederlands-Indië is intrigerend; hij knielt en houdt een 35-millimeter camera vast, temidden van Asmat. Hij was bezig een documentaire te maken in de Baliemvallei. De film, ‘Dead birds’, moest een etnografisch verslag worden van een volk dat nog in de Steentijd leefde, zonder noemenswaardig contact met andere mensen, nog levend in een soort permanente staat van oorlog. De bergen, de mist, de naakte lichamen die al schreeuwend op de vijand afstormden met speer en pijl en boog, het was een fascinerend schouwspel.
De Asmat hadden contacten met de Nederlandse kolonisators en Nederlandse wetenschappelijke instellingen stuurden vaker expedities naar de Baliem. Begin jaren vijftig waren er bovendien Nederlandse missionarissen actief. En nog nooit hadden de Asmat een blanke gedood. Alle onderzoekers naar de verdwijning van Rockefeller werden geen strobreed in de weg gelegd. Ook de Nederlandse regering liet ter plaatse uitvoerig onderzoek doen. Veel van die rapporten zijn nooit gepubliceerd.

 

Rockefeller-4-wb
Rijkste man op aarde
De geboorte van de kleinzoon van de stichter van Standard Oil, John D. Rockefeller, Nelson, was voorpaginanieuws voor de New York Times. Zijn vader was de rijkste man op aarde met een geschat vermogen van negenhonderd miljoen dollar. In 1959 werd Nelson gouverneur van New York en hij zou in 1960 meedoen voor de presidentsverkiezingen. In 1974 werd hij vice-president.
Op 20 februari 1957 hielden de Rockefellers een receptie ter gelegenheid van een tentoonstelling van primitieve kunst. Uit Nigeria, Paaseiland, Aztekengebied. Nelson was trots op dit nieuwe museum in zijn New Yorkse huis aan West Street. De kunst die hier werd tentoongesteld was volgens hem van gelijk niveau als die van blanken. Hier geen uitstalling in de geest van een “och guttegut, wat die zieligerds knutselen”, maar gelijkwaardige kwaliteit. Michael was achttien jaar en onder de indruk. Deze op en top all-American boy groeide op in huizen in Manhattan en Westchester County, met twee zusters en twee broers. Zoals andere vaders hun zonen meenamen naar sportwedstrijden, zo voedde Nelson zijn zonen op met kunst. Michaels tweelingzuster Mary herinnerde zich haar broers fascinatie als hun vader kunstvoorwerpen herschikte.

Naar de bronnen
Tegen het einde van zijn vierjarige opleiding in Harvard was Michael een stille, artistiekerige jonge kerel. Zijn vader verwachtte van hem zijn evenbeeld, met een carrière in een familie-onderneming, of in de bancaire wereld, in beide gevallen met kunst als bijzaak. Michael studeerde cum laude af in geschiedenis en economie, maar had inmiddels hobby’s ontwikkeld. Hij hield van reizen, werkte een zomer op de familie-ranch in Venezuela, trok door Japan. Ergens rijpte het idee dat hij zijn vader blij kon maken door te reizen naar de bronnen van primitieve kunst.
Van Harvard kende hij filmmaker Robert Gardner, die was begonnen met Dead Birds. Michael begon bij hem als geluidsman. Een collega herinnerde zich Rockefeller als erg rustig en bescheiden en vond het vreemd de zoon van ’s wereld rijkste man ’s avonds zijn stokken te zien stoppen. Michael zat inmiddels in het bestuur van zijn ouders’ museum en vatte het plan op om de collectie eens flink uit te breiden. Hij legde contacten met Adriaan Gerbrands, adjunct-directeur van het Museum voor Volkenkunde in Leiden, die was begonnen met veldwerk onder de Asmat. In het midden van de jaren vijftig waren meer Nederlanders in de Baliemvallei geweest, sommigen voor missiewerk, anderen om de Asmat te ‘pacificeren’, zoals de Nederlanders zo eufemistisch zeiden als ze inlanders onder de duim wilden krijgen en ontdoen van hun eeuwige vechtlusten. Maar nog steeds had het merendeel van de Asmat nog nooit een blanke gezien en vechtpartijen en koppensnellerij tussen dorpen kwamen regelmatig voor.

 

Rockefeller-5-wb
Wilde seks
Voor de Amerikanen waren de wilde seksuele opvattingen van de Asmat schokkend: homoseksuele uitspattingen leken geen taboe en leken moeiteloos afgewisseld te worden met orgieën tussen mannen en veel vrouwen. Soms dronken ze urine, ze aten mensenvlees en doodden hun buren. Maar wilden waren het zeker niet: hun biologische en intellectuele capaciteiten waren zeker zo goed als die van de westerlingen en ze onderhielden een complexe taal. Het was ook een wereld vol geesten: rondom hen in de zee, de bomen, de rivieren, in hun eigen neuzen en oren. Verderop, over de zee, was een andere wereld, die van de voorouders. Tussen beide was een tussenwereld. En deze werelden waren voor de Asmat werkelijkheid.
Geen dood was toeval, zelfs ziekte kwam met een bedoeling door de geesten. De Asmat leefden in een dualistische wereld van extremen. Kwade geesten moesten teruggejaagd worden naar het rijk van de voorouders, over de zee, het zogeheten Safan. Het bloed van tegenstanders was voeding voor een nieuwe generatie. Deze wereld vingen de Asmat vooral in houtsnijkunst. Alles wat niet zichtbaar was, kwam voor de Asmat uit deze geestenwereld. Zo was een vliegtuig een kano van de voorouders, een opndettaji. Blanken kwamen van overzee, dus uit der wereld van de voorouders, en waren dus superwezens.

Naar de Baliem
Michael stortte zich niet zonder voorbehoud in deze wereld; hij was een Rockefeller, een bestuurder van het Museum of Primitive Art. In zijn gezelschap bevonden zich onder anderen Gerbrands en René Wassing, een regeringsantropoloog van het Ministerie van Koloniën, afdeling Nieuw-Guinea. De jonge Amerikaan bereidde zijn tweede expeditie minutieus voor en nam zich ook publicaties en een grote tentoonstelling voor.
In oktober 1961 kwam hij terug naar de Baliem. In Agats, de ‘hoofdplaats’ van de Asmat, vergezelde Wassing hem en van een Nederlander kocht hij een catamaran, die hij volpropte met materialen: bijlen, vishaken, kleren en tabak, waaraan nogal wat Asmat verslaafd waren geraakt. In drie weken tijd trokken Rockefeller, Wassing en twee Asmatbegeleiders langs dertien dorpen. En overal verwierven ze kunstvoorwerpen. Deels bevinden die zich nu in de Rockefeller-vleugel van het Metropolitan Museum of Art, waarin het Museum of Primitive Art in 1976 opging.

 

Rockefeller-3-wb
Verongelukt
Halverwege november gingen Michael en zijn gezelschap terug naar Agats om voorwerpen achter te laten en nieuwe voorraad in te slaan. Op 17 november vertrokken ze met een motorboot richting Arafurakust, een gebied in de zuidelijke Asmat, waar de bevolking wild en ongecultiveerd was. Michael had er een afspraak met zo’n beetje de enige blanke die het gebied kende, de priester Cornelius van Kessel. In de monding van de Betsj kregen ze last van het wilde water met tegengesteld tij en draai- en valwinden. In een golf raakte de monter verzopen en werd het vaartuig speelbal van de elementen tot het kapseisde. De twee begeleiders bereikten met veel moeite het land en riepen hulp in. De Nederlandse autoriteiten zetten vervolgens schepen, vliegtuigen en helikopters in bij hun zoektocht. Wassing en Rockefeller hingen de hele nacht moeizaam op de romp en vreesden tegen de ochtend dat het vaartuig verder richting open zee zou drijven. Om acht uur ’s ochtends kleedde Rockefeller zich tot zijn onderbroek uit en bond twee jerrycans aan zijn lichaam en besloot naar de kust te zwemmen. Hij schatte die op vijf tot vijftien kilometer afstand. Dit was de laatste keer dat een blanke Michael zag. De volgende morgen werd Wassing vanuit de lucht gezien en gered.
Nu kwam de zoektocht pas goed op gang. Nelson en Mary Rockefeller charterden een Boeing 707 en propten die vol journalisten. Pas laat realiseerden ze zich dat ze nooit dichter dan 200 kilometer van de Asmat konden komen en weinig meer konden uitrichten dan persconferenties geven. Op 24 november verklaarde de Nederlandse regering volgens de New York Times dat de hoop op het vinden van Michael zo goed als nul was. De Rockefellers klampten zich vast aan de hoop dat hun zoon alsnog de kust had bereikt. Dat werd gevoed door een Nederlandse diplomaat die verkondigde dat de Asmat zo iemand altijd zouden helpen. Op 28 november keerden de Rockefellers huiswaarts en twee weken later stopten de Nederlandse autoriteiten de zoektocht.

Kokai
Inmiddels heet de kuststrook van Asmat katholiek te zijn. Koppensnellen behoort tot de geschiedenis. De Amerikaanse expeditie vindt weinig terug van de kunst rond de geestenwereld van weleer. Wel maakt ze kennis met Kokai, chef van Pirien. Hij praat op vlakke toon, heel snel. Kokai hoorde eens tot Otsjanep (OCH-an-ep), dat ligt op het pad waarlangs Michael ging. Kokai weet niet hoe oud hij is. Elke vraag aan hem duurt tien minuten: je kunt een Asmat niet zomaar een directe vraag stellen. Dan begint Kokai te vertellen. En vertellen kunnen de Asmat als de besten. Hij noemt de namen Faratsjam, Osom, Akon, Samut en Ipi, namen die ook in de Nederlandse onderzoeksrapporten van destijds voorkomen.

 

Rockefeller-6-wb
Slachting
Een paar maanden na opening van het Museum of Primitive Art door Nelson Rockefeller spraken Otsjanep en het buurdorp Omadesep (o-MAD-e-sep) af om een wederzijdse slachtpartij te houden. Elk van de twee dorpen telde meer dan duizend sterke mannen, dus dat zou een geweldig spektakel worden. Oorzaak was een uit de hand gelopen zoektocht naar heilige hondentanden. Een eerste wraakactie kostte 113 mannen het leven. Dat was Max Lepré, de nieuwe Nederlandse gouverneur van de zuidelijke Baliem, te gortig. Lepré’s familie zat sinds mensenheugenis in Nederlands-Indië en had de Japanse en Indonesische furie meegemaakt. Hij nam zich voor de Asmat een stevige les te leren. Op 18 januari 1958 voerde hij een patrouille aan om Omadesep te ontdoen van alle wapens en alle voorradige heilige kano’s te verbranden. In Otsjanep ging het een stuk lastiger; een vooruitgestuurde patrouille kwam onverrichterzake terug. Deze Asmat weigerden hun rituelen op te geven. Lepré had een angstig ontzag voor de Asmat. Met een flink versterkte patrouille trok hij daarom naar Otsjanep. Het was regenachtig en in het dorp trof hij louter mannen, geen vrouwen, geen kinderen, geen honden. Dat was een slecht teken. Het dorp wist inmiddels wat er in Omadesep was voorgevallen. Bij het binnekomen van het dorp troffen de Nederlanders aan drie zijden groepen mannen, waarvan één in volle bewapening. Na wat heen-en-weer geschreeuw werd plotseling het vuur geopend en vielen vijf Asmat dodelijk getroffen neer. Ze begrepen er niks van; zij waren gewend aan man-tegen-man-gevechten. Ze vluchtten de jungle in. Lepré schreef later dat het spijtig was dat er zoveel geweld was gebruikt, maar hij wilde duidelijk maken dat de tijd van koppensnellen en kannibalisme voorbij moest zijn. De Nederlandse regering tolereerde dat niet langer.

Bang om te praten
De Asmat begrepen dat helemaal niet; zij dachten dat de kosmos kwaad was geworden. En wat deden de geesten van de vijf gedode Asmat? Zij doolden daarbuiten, veroorzaakten tegenslag, maakten mensen ziek. Voor de Asmat was dit barre werkelijkheid. Het evenwicht waar ze altijd zo druk mee waren, was zoek. Kapotgemaakt.
In Pirien kwamen allerlei Asmat op de Amerikanen af die nu op onderzoek waren, meer dan vijftig jaar later. In ruil voor tabak praten ze. Maar niet over de patrouille van Lepré; ze raken er overstuur van. Dan gaat het verder, naar Otsjanep. Daar aangekomen reageren de dorpelingen apathisch. Gevraagd naar Lepré is de reactie nul. De Asmat-begeleider zegt dat de inwoners bang zijn om te praten, wat de Amerikanen niet begrijpen. Bang waarvoor?
Dan praten ze over een dode Amerikaanse toerist. Na veel herhalen en opnieuw vragen noemen ze de naam van Michael Rockefeller. Dat verbaast de Amerikanen, want ze hebben niemand verteld dat ze onderzoek doen naar Rockefeller. Doorvragen levert nauwelijks wat op want de dorpelingen zijn doodbenauwd. Uiteindelijk blijken ze bang te zijn voor wraak omdat Rockefeller gedood zou zijn door mensen van Otsjanep.

Missionaris Van Peij
Een maand na het verdwijnen van Michael, in december 1961, reist een Nederlandse priester, Hubertus van Peij, naar Omadesep. Hij kent de mensen, spreekt de taal. De Amerikaanse expeditieleider sprak hem in 2012 in Tilburg, hij was toen 84 jaar en woonde temidden van Asmat-kunst. In het missiehuis in Omadesep had hij bezoek gekregen van vier mannen, twee van Otsjanep, twee van Omadesep. Zij wilde iets kwijt. Op de dag dat Michael Rockefeller aan zijn jerrycans de kust probeerde te bereiken, waren vijftig mannen van Otsjanep op weg door het gebied. Ze zagen een blanke zwemmen en eentje van hen riep ‘mannen van Otsjanep, jullie snijden altijd op over koppensnellen, wel, dit is jullie kans te laten zien wat je kunt.’ Ze namen de blanke gevangen en doodden hem. Van Peij wilde zekerheid: droeg de man een bril? Welke kleren had hij aan? Hij had een rare broek aan, eentje die de Asmat niet kenden. Van Peij begreep dat het een onderbroek moest zijn. ‘Waar is zijn hoofd?’ vroeg Van Peij. ‘Fin-tsjem aotepetsj ara’ was de reactie; in het huis van Fin. Doorgevraagd naar de lotgevallen van de botten van de gedode, bleek dat die waren verdeeld onder vijftien mannen. Zoals gebruikelijk werden ze voor van alles en nog wat gebruikt. Gevraagd naar de reden voor de moord was het antwoord dat het een reactie was op het geweld door Lepré, vier jaar eerder. Van Peij was overdonderd, vooral door de precieze beschrijving van de onderbroek van Rockefeller.
Een paar dagen later rapporteerde Van Peij zijn vondst aan zijn meerdere: Michael Rockefeller was gevonden en gedood door mannen uit Otsjanep. Iedereen uit de streek weet ervan. Ook Cornelius van Kessel, de priester die Michael zou ontmoeten, had het één en ander gehoord. Hij stemde dat af met Van Peij en had zekerheid: Michael Rockefeller is gedood en opgegeten door mensen uit Otsjanep. Dit was de wraak voor de moordpartij vier jaar daarvoor. Minder dan een maand na de verdwijning waren de Nederlandse autoriteiten in bezit van de rapporten van Van Peij en Van Kessel. Op 21 december 1961 stuurde de Nederlandse gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea naar Den Haag een bericht dat gemerkt was als ‘geheim’ en ‘vernietig na lezing’. Hij meldt dat hij geen hard bewijs heeft, anders dan de rapporten van beide katholieke priesters en dat het hem daarom niet verstandig lijkt, het naar buiten te brengen en al helemaal niet naar de familie Rockefeller.

 

Rockefeller-8-wb
Diplomatieke oorlog
Van Kessel was kwaad en wilde naar New York om met de Rockefellers te praten, maar zijn kerkelijke superieur verbood het hem: de kwestie was een ‘porseleinkast’. Van Kessel werd gesommeerd terug naar Nederland te komen. Intussen was de Nederlandse regering verwikkeld geraakt in een felle strijd met Indonesië en vooral de VS omtrent de zeggenschap over Nieuw-Guinea. Dan kwam zo’n bericht over een voor Amerikanen schokkende gebeurtenis wel heel onwelkom. In maart 1962 kreeg Associated Press een brief in handen van een derde Nederlandse missionaris die sprak over het doden en opeten van Michael. Daarop nam Nelson Rockefeller contact op met de Nederlandse ambassade in de VS, die direct overlegde met Den Haag. Minister van Buitenlandse zaken Joseph Luns meldde dat de geruchten terdege waren onderzocht en als ongegrond moesten worden verworpen.
In feite was het onderzoek door de Nederlandse regering nog maar net begonnen. Een jonge Nederlandse officier, Wim van de Waal (de man die Rockefeller de catamaran had verkocht) begon in 1962 aan een onderzoek in Otsjanep. In 2012 vertelde hij erover, thuis in Tenerife waar hij sinds 1968 woonde. De Asmat begrepen niet wat Van de Waal kwam doen en ze waren ervan overtuigd dat praten over het verleden kwade geesten wakker zou maken. Uiteindelijk week het verhaal iets af van wat Van Peij had beschreven. Van de Waal wilde bewijs zien, hij wist dat de regering anders niets zou doen. Hij werd meegenomen, de jungle in, waar een gat werd gegraven en botten werden gevonden waaronder een schedel zonder onderkaak en een gat aan de rechterzijde; bewijs dat de kop was gesneld en geopend om de hersenen te kunnen eten.
In juni 1962 overhandigde Van de Waal de botten aan de autoriteiten maar inmiddels was Nederland de grip op Nieuw-Guinea aan het kwijtraken, ondanks hardnekkig verzet van Luns. Het onderzoek kwam daardoor niet verder, het rapport bleef ongebruikt. Misschien Luns’ wraak dat Nederland Nieuw-Guinea kwijtraakte aan nota bene de vermaledijde Indonesiërs door Amerikaanse druk? Dan moet Rockefeller maar bloeden?

 

Rockefeller-7-wb
Foto’s van Michael
De recente Amerikaanse expeditie besloot het grondiger aan te pakken, thuis een studie van de Asmat te maken, Bahasa te leren (de Papoea-talen worden in rap tempo door Bahasa vedrongen) en eerst maar eens te praten met Kokai, in Bahasa. Twee weken werd gepraat zonder maar één keer de naam van Michael te noemen. In de derde kwamen foto’s tevoorschijn, foto’s die Michael had gemaakt in de zomer van 1961 in Otsjanep. Van de vijftien mannen die Van Peij en Van Kessel hadden genoemd werden er zes herkend. Michael kende dus enkelen van zijn moordenaars. Later vertelde Kokai dat van de mannen die door Lepré waren gedood, er vier belangrijke oorlogsleiders waren. De vier krachtigste mannen uit één van de krachtigste dorpen uit de Baliem in een oogwenk gedood door een blanke, een buitenstaander. De mannen die hun plaatsen hadden ingenomen bleken dezelfden als die Michael hadden gedood en zijn botten kregen. De enige stam die er niet aan had meegedaan was uitgerekend die die bij de Lepré-actie niemand verloor. Toen Kokai op zeker moment met dorpelingen over het onderwerp praatte, viel de naam Rockefeller. De term ‘polisi’ viel, en ‘helikopter’ en de Amerikanen realiseerden zich hoe panisch benauwd de Asmat het moeten hebben gekregen van de voor hen volslagen onbekende hefschroefvliegtuigen. Zonder pauze ging het verder naar wat bleek een cholera-epidemie. Daarbij zouden zo’n zeventig Asmat zijn gestorven; de Asmat werden toen opgejaagd door de Nederlanders die een eind wilden maken aan de gewoonte om doden op een houten vlonder te laten wegrotten. Uiteindelijk hadden ze ingestemd met het verbranden. Ze voelden zich schuldig en dachten dat het de wraak was wegen het vermoorden van Rockefeller, temeer omdat toen Australische helikopters hielpen bij het bestrijden van de cholera. De Asmat legden daardoor verbanden die blanken nooit zouden maken.

Aan het eind van het bezoek aan Pirien maakte een man met de naam Marco een soort theaterstuk, dat plots afbraak en werd gevolgd door een soort toespraak. De Amerikanen zetten het op video en lieten deze vertalen. Het kwam erop neer dat iedere betrokkene Asmat zijn mond moest houden om de geesten rustig te houden. Praten over het verleden zou de dood tot gevolg hebben; de wraak van de geesten kan verschrikkelijk zijn.
Smithsonian/Carl Hoffmann/Siebrand Krul

Zie ook het boek ‘A Tale of Cannibals, Colonialism and Michael Rockefeller’s Tragic Quest for Primitive Art’ door Carl Hoffman. Verscheen in maart 2014 bij William Morrow, een imprint van Harper-Collins Publishers.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder