Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Kampvuren langs de evenaar

07 april 2014 [412] Olivier Keun

'Op tienjarige leeftijd las ik in een krantenartikel, dat pygmeeën slechts 37 centimeter lang waren. Ze leefden diep in het oerwoud en maakten met giftige pijlen jacht op dieren. Ik zette een latje tegen de tafelpoot, zag tot mijn verbazing hoe kort dat was, en werd razend nieuwsgierig naar dat dwergvolk. Pas later begreep ik dat het een drukfout was.' Julien werd één van de grootste kenners van pygmeeën.

Zijn fascinatie voor pygmeeën liet scheikundeleraar dr. Paul Fréderic Alphonse Julien (1901-2001) – zelf 1,65 meter – nooit meer los. Hij behoorde tot de klassieke, fysische antropologen, die als ware ontdekkingsreizigers naar verre continenten reisden en in het oerwoud vaak onder barre omstandigheden lichaamsmetingen en bloedonderzoek verrichtten.
Julien maakte vanaf 1926 op eigen kosten negenendertig expedities naar Afrika en Azië en was kenner bij uitstek van de pygmeeën, schreef boeken als ‘Kampvuren langs de evenaar’ (twintig herdrukken). In totaal werden ruim honderdduizend van zijn boeken verkocht, vertaald in het Engels, Duits, Frans, Spaans en Fins. De bejaarde etnograaf woonde tot zijn dood aan het Burchtplein in Wassenaar. Toen ik hem in 1997 interviewde, was hij 96 jaar en blikte hij terug op zijn leven. In de schemerige woonkamer bevonden zich naast Afrikaans en Aziatisch houtsnijwerk katholieke kerkschatten en iconen. Vanwege het halfdonkere interieur kwamen onwillekeurig associaties op met het getemperde licht van het oerwoud en ‘donker Afrika’.

 

Julie-foto-meting-wb
Bloedonderzoeken
Julien had zijn belangstelling voor de antropologie van zijn vader Felix: ‘Hij was vertaler bij de Nederlandse Spoorwegen; een man die stikte in de interesses, zoals geografie en antropologie.’ Al tijdens zijn studie Chemie aan de Utrechtse universiteit reisde Paul met zijn vader naar Marokko en Algerije, leerde hij Spaans, Russisch en promoveerde cum laude op het onderwerp ‘Elektrokinese der Zilver halogeniden’. Tevens deed hij mee aan een gesubsidieerde studiereis van 3,5 maanden, met als doel de algemene kennis over Indië te vergroten: ‘We werden steeds op andere plaatsen ingekwartierd. Zo kwam ik ook in aanraking met volkenkundigen.’ Hij ontmoette celbiologe dr. Marianne van Herwerden, die in Nederland bloedgroepenonderzoek deed. Zij stimuleerde hem hetzelfde in Afrika te doen. Eén van haar studenten leerde hem de praktische kanten. Vervolgens deed hij mee aan een prijsvraag van de Belgische regering met als uitgangspunt: voor het eerst bloedonderzoek verrichten onder duizend pygmeeën. Dr. Julien trok naar Afrika, nam bloed af bij ruim duizend Efee-pygmeeën en won samen met een Belgische mededinger de eerste prijs.

Schedelmetingen
Dit legde de basis voor bloedonderzoek dat hij, naast antropometrische (schedel)metingen, op grote schaal verrichtte. Niet alleen bij Afrikaanse pygmeeën en bosjesmannen, maar bij allerlei ‘restvolken’ of ‘isolaten’, vooral dwergvolken als Semang-pygmeeën (Noord-Maleisië) en Aeta (Filipijnen). Doel was het aantonen van verwantschap tussen allerlei volken van geringe lengte. Maandenlang bereidde dr. Julien zijn reizen voor, naast zijn werk als leraar aan het Haagse R.K. Meisjes Lyceum. In de zomervakantie aangekomen in Afrika, kreeg hij steun van koloniale bestuurders en de missie, die informatie inwonnen en zorgden voor gidsen, tolken en dragers. Bestuursambtenaren stelden negerhoofdmannen op de hoogte en gaven opdracht zoveel mogelijk mensen te verzamelen.
In zijn boek ‘De eeuwige wildernis’ schetst Julien hoe hij onder primitieve omstandigheden werkte: ‘Voor de hut stond een oude managboom en daar zetten mijn boys elke morgen de werktafel neer.’ Julien ving wat bloed uit vingers op in buisjes, analyseerde het en noteerde de resultaten ter plekke (noodgedwongen, want er was geen betrouwbaar schoon water en geen koeling). Vervolgens spoelde hij de buisjes met bloedresten demonstratief om in een nabijgelegen rivier, zo aantonend dat er niets magisch met het bloed werd gedaan. Soms had hij, na doodvermoeiende tochten door steppen en oerwoud, ‘nog geen dozijn inboorlingen kunnen onderzoeken.’ Toch nam hij in totaal meer dan 30.000 bloedmonsters. Het wetenschappelijke resultaat was echter gering: ‘De metende en klassificerende antropologie veranderde eigenlijk onder mijn handen. Ik heb met veel hartstocht, toewijding heel nauwkeurig gewerkt. Verschrikkelijk veel onderzoek en rekenwerk, maar het was onvruchtbaar. Ik heb verwantschappen kunnen aantonen tussen enkele groepen pygmeeën in Equatoriaal Afrika, maar ook dat was de enorme hoeveelheid werk niet waard. Ik had dat te laat in de gaten. Ik publiceerde in Duitse en Engelse vakbladen, zoals Zeitschrift für Rassenphysiologie en in de proceedings van de Nederlandse Academie van Wetenschappen, maar ja, wie leest die?’

 

De karavaan van Julien steekt een rivier over.

De karavaan van Julien steekt een rivier over.

Land van slaap en schaduw
Terugblikkend ligt zijn waarde vooral bij zijn reisverhalen en foto’s, waarmee hij deels verdwenen culturele en rituele aspecten en het dagelijkse leven in Afrika vastlegde. Hij ontmoette regenbezweerders, beschreef initiatieriten, waarbij pygmeejongeren lange tijd geïsoleerd in het bos moesten leven en onderzocht hun monotheïsme (bij natuurvolken is vaak sprake van polytheïsme of animisme). Hij wijdde een hoofdstuk, ‘Naar een land van slaap en schaduw’, aan slaapziekte en fotografeerde een Frans medisch team dat experimenteerde met vier verschillende medicijnen: ‘Met ijzige kalmte schilderen de verplegers de behandelwijze met de witkwast op de naakte borst van de zwarten. In een gecompliceerd geval wordt de inscriptie van een V.a.V. (zie ommezijde!) voorzien en zet men het recept op de rug voort.’
In ‘Kampvuren langs de evenaar’ schrijft hij over slangendanser Fili en een twee meter lange mamba: ‘Toen het dier met wijd geopende bek uitviel, greep Fili het achter de kop. Maar in plaats van het af te weren, drukte hij de gapende bek op zijn naakte arm, rukte de slang los, liet het dier weer aanvallen en zich vastbijten zonder zich te verzetten, waarna hij het dier ten slotte met een wild gebaar van zich afslingerde.’

Het bos zwijgt
Julien maakte twintigduizend zwartwit foto’s, dertigduizend dia’s en vele zwartwit films van goede kwaliteit, nu deels in bezit van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.
Als begenadigd verteller was hij lange tijd een bekende Nederlander. Tijdens zijn radiopraatjes tussen 1932 en 1952 op de zondagavond werden kinderen de kamer uitgestuurd. Een gevleugelde uitspraak was: ‘Als dr. Julien spreekt, wordt er niet gepraat.’ In een tijd dat men nog amper op vakantie naar het buitenland ging, riepen zijn lyrische natuurbeschrijvingen zo’n duidelijk beeld op van het mysterieuze oerwoud, dat je als luisteraar werd meegevoerd op zijn avontuurlijke tochten. Hij vertelde hoe het door de karavaan opgejaagde wild ‘zich terugtrok in duistere woudspelonken waar geen menselijk oog het kan waarnemen en geen menselijke voet het zal volgen.’ Hij ging zijn karavaan vaak vooruit: ‘Het bos zwijgt en alleen het eeuwige hameren van termieten in het dode hout ruist duizendvoudig door de stilte. Op een zonnige plek fladderen een paar vlinders, en het is of ik hoog in het geboomte het gonzen van bijen verneem.’
Hij ontdekt stammen, legt routes voor het eerst af en komt op 5.800 meter hoogte in de Kibo-krater bij watervallen aan: ‘Ik maak aanspraak op deze ontdekking. De door mij ontdekte vallen (…) bevinden zich zuiver ten zuiden van de eruptieconus, en ruim 1,5 kilometer oostwaarts van de Kaiser Wilhelm Spitz.’

 

Julien-boekcover-wb
1.200 soorten termieten
Bleef hij als schriel schooljongetje achter bij gymnastiek, later trotseerde Julien vele gevaren, liep malaria op, stond oog in oog met panters, doorwaadde krokodillenpoelen, omzeilde verwoesting aanrichtende olifanten, stortte in een ravijn en klom in een boom vanwege woedend aanstormende buffels. Volgens hem zijn niet grote dieren het gevaarlijkst, maar wordt het Afrikaanse continent beheerst door sprinkhanen, kakkerlakken, tsetse-vliegen en 1.200 soorten termieten. De insecten komen vooral tegen de avond tevoorschijn: ‘Kleine agressieve muggen dwarrelden in wolken rond mijn werktafels in de zoëven nog klare lucht, ze kwamen bij legioenen om in de hitte van mijn lampen, om met tientallen legioenen terug te keren. De minuscule mangovliegjes die door hun steek ondraaglijke jeuk veroorzaken, waren hen reeds voor geweest.’
In ‘Kampvuren aan de evenaar’ schrijft hij over de drukkende sfeer die kan leiden tot gevaarlijke onverschilligheid, die de Fransen ‘cafard’ noemen. Hij maakt wekenlange regenbuien mee, die hem doorweekt en tot op het bot verkleumd veroordelen tot dagenlange werkloosheid: ‘Langzaam maar zeker bekroop me een diepe neerslachtigheid. De grauwe eenzaamheid van het bos drukte me teneer. (…). Overal, tot onder mijn kampbed, stonden modderige plassen’, en dat terwijl de laatste droge dekens al een week geleden waren gaan schimmelen.

 

Julien-foto-negers-wb
Lugubere stilte van het woud
Vooral ’s avonds bekruipt hem de angst: ‘Geen nacht ging er voorbij zonder dat ik op enige wijze in mijn slaap gestoord werd. Er was niets buitennatuurlijks aan deze gebeurtenissen, maar ze ondermijnden toch mijn geestkracht. De lugubere stilte van het woud rondom, het besef van alleen te zijn, op weken afstand van enige Europeaan (…), de vrees in deze wildernis ziek te worden, die mij nooit geheel losliet, dat alles spande samen om me een vage angst in te boezemen.’
Zijn boeken bieden een mooi tijdsbeeld, zoals van het Franse en Belgische koloniale verleden. Typerend is zijn beschrijving van het nachtleven van Dakar: ‘…cafés die zo uit Marseille of Toulon, ja van de Avenue de l’Opera konden zijn overgeplant, waar Franse bands spelen en waar vedettes, zoëven uit de Métropole gearriveerd, haar chansons zingen …’ Er werd een diner ter ere van hem aangericht: ‘Gegalonneerde negerbedienden in smetteloos witte kleding gaan rond. (…) De gouverneur brengt het gesprek op het Tenda-gebied, maar niemand kent de streek uit ervaring. Men is tot de rand ervan geweest, doch heeft het gebied zelf niet bezocht. Gaoual zal echter mijn uitgangspunt moeten zijn. De gouverneur heeft de administrateur aldaar en alle gouvernementsposten onderweg reeds gewaarschuwd.’

De ongelukkige Mutwa
Dr. Paul was – zo blijkt uit zijn boeken – tijdens expedities veeleisend, maar rechtvaardig. Hij droeg de verantwoording voor een karavaan van soms wel tachtig mensen: ‘Ik moest het overwicht zien te houden en kon mijn zorgen met niemand bespreken. Ik kwam zelden een blanke tegen.’ Eén keer sloeg hij een van zijn dragers, die spullen van hem stal. Maar hij verdedigde hen tegenover een whisky drinkende rivierbootkapitein, die hen ‘singes’ en ‘macaques’ noemde: ‘Geloof me kapitein, als ik tegen mijn zwarten optrad zoals U dat meent te moeten doen, dan keerde ik op een goede dag niet meer uit Afrika terug.’ Hij liet zich soms vervoeren in een draagstoel: ‘om beter te kunnen filmen en fotograferen’ en had er zelfs ooit één met elektrisch licht: ‘Dan kon ik ook onderweg notities maken.’
Julien betrad verboden gebieden, overtrad rituele taboes en groef ongevraagd het pygmeeënskelet op, dat hij schonk aan de Utrechtse universiteit. Hij nam met zijn kennis als chemicus de rol van dokter op zich en gelovig als hij was, doopte mensen bij gebrek aan een katholiek geestelijke. Zo beschrijft hij dit ritueel bij een misvormde, achtergelaten zieke jongen: ‘Ik liet dus een schaal water brengen. (…) Toen ik echter de schaal boven het hoofd van het kind bracht, begonnen de afschuwelijk verschrompelde en verteerde armen te bewegen, ze grepen langzaam de schaal en de ongelukkige Mutwa dronk de kalebas geheel leeg. (…) Toen het koele water over zijn hoofd vloeide, huilde het wezen als een hond die mishandeld wordt en trachtte zich te verweren, zodat het mij moeilijk viel, hem het doopsel op de juiste wijze toe te dienen. Ik doopte de ongelukkige in het Frans en gaf hem de naam Joseph.’

 

Dr. Julien op zijn 96ste, tevreden rokend in zijn werkkamer.

Dr. Julien op zijn 96ste, tevreden rokend in zijn werkkamer.

Sigaren en oude jenever
Na 1965 reisde hij nog met zijn eerste vrouw Elly per auto naar Nepal en India, ruim 30.000 kilometer afleggend. Met zijn tweede vrouw Mieke ging hij – 83 jaar oud – op huwelijksreis naar Spanje en Portugal. Van zijn etnografische reizen werden slechts zeven (deels) gesubsidieerd: ‘Ik deed het allemaal op eigen initiatief, gaf lezingen en schreef boeken om het te bekostigen. Daaruit ontstonden later die radiopraatjes voor de KRO.’ Hij ontving ooit 2.400 brieven na een serie van drie radiopraatjes en kreeg meermaals een professoraat aangeboden, waaronder door de universiteit van Amsterdam. Maar hij sloeg het af, omdat hij het – zoals hij zei – te veel werk vond.
Als stokoude antropoloog toonde hij mij in 1997 zijn werkkamer, waar de kleine zwarte Continental stond, waarmee hij zijn boeken uittypte. De muurkasten gevuld met encyclopedieën en medische naslagwerken. Hij rookte sigaren en in de namiddag dronk hij oude jenever, lichtbruin gekleurd door enkele druppeltjes angostura, een Zuid-Amerikaans elixer.
Dr. George Maat, destijds als anatoom en fysisch antropoloog verbonden aan het Anatomisch Laboratorium in Leiden, zei over Julien: ‘Hij heeft ontzettend veel vastgelegd over het leven van diverse Afrikaanse stammen wat nu niet meer waarneembaar is. In de beschrijvingen van zijn expedities zit avontuur verwerkt, maar ook tref je veel etnografische gegevens aan. Hij heeft veel biologisch materiaal verzameld, maar genetische verwantschappen zijn tegenwoordig betrouwbaarder te bepalen met DNA.’
Behalve zijn collectie foto’s in het Fotomuseum te Rotterdam, resten amper nog tastbare herinneringen aan deze markante man. Ook zijn graf in Wassenaar is inmiddels, twaalf jaar na zijn dood, geruimd.
(Lex Veldhoen)

Lees het hele artikel in de nieuwe uitgave van G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder