Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Slag om Antwerpen

14 februari 2014 [412] Olivier Keun

Vanaf 1859 besteedde België fortuinen aan de uitbouw van drie fortengordels. Eerst kwam Antwerpen aan de beurt. Daar moest het nationale vluchtoord (‘réduit national’) komen. Luik en Namen kwamen later. In augustus 1914 was geen enkel van de drie projecten afgewerkt, terwijl ze al voorbijgestreefd bleken. Hun ongewapend beton bijvoorbeeld was berekend op granaten van 21 centimeter diameter, terwijl de Duitsers en Oostenrijkers al veel zwaardere kalibers ontwikkeld hadden. Binnen de kortste keren schoten de Dikke Bertha’s van Krupp en hun collega’s van Skoda de Belgische forten één per één aan flarden, zodat de situatie voor de verdedigers snel onhoudbaar werd.

Schootsveld
De Europese mogendheden hadden in 1839 de onafhankelijkheid van België erkend maar aan het nieuwe koninkrijk een neutraal statuut opgelegd dat ze zelf zouden garanderen. Toch rees de vraag wat België nog moest doen voor zijn defensie. De specialisten gingen ervan uit dat het land zich moest kunnen verzetten bij een aanval en daarvoor over één belangrijke vesting moest beschikken waar de regering en het leger zich konden terugtrekken en van waaruit de troepen nog acties konden ondernemen in afwachting van de hulp die de andere grootmachten moesten bieden. In 1859 viel de keuze op Antwerpen.
De stad kreeg toen een nieuwe omwalling, vijftien kilometer lang, die op de Schelde aansloot met twee nieuwe citadellen, het Noord- en Zuidkasteel. Op enige afstand van de stad, voldoende om deze van een vijandelijke beschieting te vrijwaren, kwam een gordel, achttien kilometer lang, met acht bakstenen forten. Rond al die forten gold een bouwverbod om het zicht op hun schootsveld vrij te houden. Dit verbod was uiteraard niet populair bij alle getroffen grondeigenaars. (Hieronder: De door de Duitse Dikke Bertha’s kapotgeschoten koepel van het fort Sint-Katelijne-Waver. Op de achtergrond Duitse marinesoldaten)

 

Antwerpen-wb3
Pantserforten
In 1878 begon men in Antwerpen aan een tweede fortengordel. Deze lag verder van de stad omdat de kanonnen intussen verder konden schieten. Die buitenste gordel bouwde men vóór de Rupel en Nete. Desgewenst kon men de polders rond deze twee waterlopen onder water zetten om een natuurlijke hindernis te creëren. Aanvankelijk ging het nog om forten in baksteen, maar mettertijd werden ze met beton verstevigd tot ‘pantserforten’. In 1906 keurde het parlement een wet goed die voorzag in de bouw van nieuwe pantserforten en kleinere versterkingen tussen de forten. Om de Antwerpse parlementsleden te overtuigen maakte dezelfde wet een uitbreiding van de haven mogelijk. In 1914 was dit ambitieuze plan verre van voltooid. De bewapening en technische uitrusting lieten nog veel te wensen over. Toch beschouwden velen het Antwerpse bolwerk met zijn dubbele fortengordel en zijn omtrek van bijna 100 kilometer als één van de grootste en modernste vestingen ter wereld.
Intussen was de bouw van fortengordels rond Luik en Namen gestart. Deze moesten mogelijke aanvallers afschrikken om door de Ardennen te trekken en tegelijk het land benoorden de Maas afschermen. Gespreid over de twee Maasoevers kreeg Luik twaalf en Namen negen forten. In tegenstelling tot Antwerpen waren deze gordels niet ontworpen om een belegering te doorstaan.

Fort Loncin explodeert
Op 4 augustus 1914 viel Duitse troepen België binnen. Ze hadden erop gerekend de vesting van Luik in een paar dagen tijd uit te schakelen, maar door het hardnekkige verzet van de Belgen deden ze er een week langer over. Op 12 augustus werd het fort van Pontisse als eerste bestookt door een Krupp-kanon van 42 centimeter. Een beschieting met projectielen van 950 kilo kon geen enkel fort lang volhouden. Toen één van die granaten op 15 augustus het kruitmagazijn van het fort van Loncin trof, bleef er alleen een puinhoop over. De Duitsers vonden generaal Gérard Leman, de bevelhebber van Luik, bewusteloos tussen de brokstukken en namen hem krijgsgevangen. De dag erna gaven de twee laatste forten zich over.
Na de val van Luik rukte een deel van de Duitse troepen ten noorden van de Maas op om het Belgische leger dat zich achter de Getelinie groepeerde, verder terug te dringen. Een ander deel begaf zich ten zuiden van de Maas in de richting van Namen. De belegering van deze vesting begon op 20 augustus. De ploegen van Krupp kregen er gezelschap van Oostenrijkse kanonniers met grof geschut van Skoda (30,5 centimeter). Op 25 augustus vielen de twee laatste forten. (Hieronder: Duitse prentbriefkaart van de belegering van Antwerpen. Rechts de borst van generaal von Beseler, Duits opperbevelhebber, met de orde Pour le mérite, in soldatenjargon ‘Blauwe Max’).

 

Antwerpen-wb2
Paniek onder de Duitsers
In Antwerpen waren de Belgen al begin augustus gestart met allerlei werken om de versterkte plaats beter te kunnen verdedigen. Genietroepen legden vier bruggen over de Schelde, zodat men over verbindingen met de linkeroever zou beschikken. Tussen het Steen en Sint-Anna kwam een vlotbrug van 390 meter lang die op 25 verankerde binnenschepen rustte. Verder sloopte men alles wat het gezichtsveld van de forten belemmerde, maar zo maakte men meteen de eigen posities zichtbaarder voor de vijand.
Op 18 augustus, toen koning Albert zag dat de Belgische troepen niet tegen de Duitse opgewassen waren, besliste hij zich met zijn leger terug te trekken in de Antwerpse vesting, zoals altijd gepland was. Twee dagen later bezetten de Duitsers Brussel. Omdat ze zo snel mogelijk Frankrijk wilden bereiken, lieten ze de Antwerpse vesting rechts liggen. Een kleinere troepenmacht bleef achter om Antwerpen in het oog te houden en de doortocht van het Duitse leger te beschermen.
In de nacht van 24 op 25 augustus werd de stad Antwerpen voor de eerste keer vanuit de lucht gebombardeerd door een Duitse zeppelin. De bommen maakten enkele slachtoffers maar vooral veel indruk. De bevolking vermoedde dat het koninklijk paleis op de Meir het doelwit was. Voortaan moest ze zich ‘s nachts behelpen met het licht van de maan.
Koning Albert was niet van plan het verdere verloop van de gevechten passief af te wachten. Met beperkte operaties wou hij zoveel mogelijk Duitse troepen naar Antwerpen afleiden en zo het werk van zijn Franse en Britse bondgenoten vergemakkelijken. Op 25 en 26 augustus waagde het Belgische leger een eerste ‘sortie’ uit Antwerpen om de Duitse slagkracht in de gevechten bij Charleroi en Bergen te verminderen. Deze uitval bracht de achtergebleven Duitse troepen meteen in de problemen. De stad Leuven werd het voornaamste slachtoffer van de paniek en wanorde in de Duitse rangen.

Churchill op bezoek
Op 5 september begon de cruciale slag aan de Marne. Koning Albert beval een tweede ‘sortie’ uit Antwerpen (9-13 september). De verliezen bedroegen dit keer 8.000 man, het dubbele van de eerste uitval. De Belgen slaagden erin een brug te vernielen op de spoorlijn Luik-Brussel, die voor de Duitse troepenbewegingen bijzonder belangrijk was. De Duitsers hadden zich intussen gerealiseerd dat ze deze gevaarlijke situatie moesten aanpakken. Op 9 september gaf de keizer het bevel korte metten te maken met Antwerpen. Generaal Hans von Beseler kreeg het bevel over deze operatie, maar daarvoor waren de nodige divisies en kanonnen niet meteen beschikbaar.
Pas op zondag 27 september startte het Duitse offensief tegen de Antwerpse vesting. De volgende middag begonnen de Duitsers de eerste forten te bestoken met hun zware kanonnen van 42 en 30,5 centimeter. Zelfs betonnen muren van 2,50 meter dik waren daar niet tegen bestand. In de morgen van 29 september raakte zo’n projectiel een munitiedepot van het fort van Sint-Katelijne-Waver. Ook Walem, Koningshooikt en Lier werden door de beschietingen zo goed als uitgeschakeld, en vervolgens door Duitse infanterie aangevallen. De Belgische verdedigers moesten deze forten en hun omgeving één na één ontruimen. Op 2 oktober besloten de Belgen zich achter de Nete terug te trekken.
De volgende dag dook Winston Churchill, de Britse minister van de Marine, plots op in Antwerpen. De marine vreesde immers het ergste voor de veiligheid van de Britse vloot als de haven van Antwerpen in Duitse handen zou vallen. In zijn zog kwamen 9.000 soldaten van de marine over het Kanaal om de Belgen bij te staan.

In de val
Ondanks verwoede tegenstand van de Belgische en Britse troepen slaagden de Duitsers er de volgende dagen in de buitenste fortengordel te doorbreken en de Nete over te steken. Bovendien bouwden ze hun positie op de linkeroever van de Schelde uit en dreigden zo de vluchtroute naar de kust voor alle troepen in Antwerpen af te sluiten.
Tegen de zin van Churchill besliste het Belgische opperbevel op 6 oktober dat het uitgeputte Belgische leger naar de Linkeroever zou uitwijken. Het wilde liever Antwerpen opgeven dan al zijn manschappen verliezen. De Tweede Legerdivisie en de Britten zouden achterblijven om de linie van de binnenste fortengordel tot het uiterste te verdedigen. In de loop van de nacht stak het gros van het Belgische leger de Schelde over.
Op 7 oktober liet generaal von Beseler, de Duitse bevelhebber, weten dat hij om middernacht de stad zou beginnen te beschieten indien de vesting zich niet overgaf. Zijn dreigement maakte weinig indruk tot hij het begon uit te voeren. In de stad brak paniek uit, de bevolking en de duizenden daar toegestroomde vluchtelingen gingen massaal op de loop. De laatste verdedigers realiseerden zich al snel dat verder verzet weinig zin had. In de nacht van 8 op 9 oktober staken ook de Britten en de Tweede Legerdivisie de Schelde over. De laatste forten kregen de onmogelijke opdracht zich op hun eentje uit de slag te trekken. De vlotbruggen van het Steen en Burcht werden de volgende morgen vernietigd opdat de Duitsers ze niet in handen zouden krijgen, maar daardoor werd Nederland de enige uitweg voor de achtergebleven militairen en burgers.

Verdrag van Kontich
Toen het stadsbestuur vaststelde dat het er alleen voor stond, wilde het zo snel mogelijk een einde maken aan de beschietingen. Deze veroorzaakten in de stad talrijke branden die men bij gebrek aan water niet kon blussen. Daarom besloten de kopstukken op 9 oktober een delegatie naar de Duitse bevelhebber te sturen. Hoewel zowel von Beseler als de Antwerpenaars niet zeker waren of burgers de capitulatie van de vesting konden ondertekenen, raakten beide partijen het om 17.40 uur eens en sloten ze aan een tafel in een verlaten villa te Kontich het verdrag van Kontich. Daarin stond dat de Duitsers de beschieting van de stad zouden stopzetten, mits alle forten zich vóór zaterdagmiddag 10 oktober overgaven. Zodra de stafchef van de Antwerpse bevelhebber daarmee ingestemd had, zij het schoorvoetend, was het lot van de vesting bezegeld. De laatste twintig nog intacte forten gaven zich over, al bliezen sommige commandanten eerst hun eigen fort op. Het ‘oninneembare’ bolwerk was na twee weken beleg gevallen. Von Beseler was naar verluidt erg ontgoocheld toen hij vaststelde dat leger, regering en koning al uit Antwerpen vertrokken waren. ‘Zo’n fameuze vesting en geen enkele generaal’, zou hij gezucht hebben.
Dezelfde dag nog stuurde de Duitse keizer volgend telegram naar zijn tante, groothertogin Luise von Baden: ‘Antwerpen deze namiddag zonder strijd bezet. Met veel deemoed danken we God voor dit schitterend succes. Hem komt de eer toe.’ Toch kreeg generaal von Beseler de Ordre pour le Mérite, de hoogste militaire onderscheiding in Pruisen.
(Daniël Vanacker)

Lees het hele artikel in G-GESCHIEDENIS, boordevol verhalen over de Eerste Wereldoorlog. Te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder