Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Kruistochten tegen de Balten

12 november 2013 [412] Olivier Keun

In 1189 ontstaan als een geestelijke militaire ridderorde was de Duitse Orde gesticht op instigatie van de Duitse hanzesteden Lübeck en Bremen. Ridders uit het Duitse rijk, waartoe ook Bourgondië en de Nederlanden behoorden, maakten er deel van uit. De Duitse Orde zou een belangrijke rol spelen in de kerstening van Pruisen en Lijfland. De Duitse Orde fungeerde als Kruisvaarders van het noorden. Ze veroverden eindeloze vlakten in Oost-Europa waardoor hun erfenis tot de dag van vandaag het land van Berlijn tot Vilnius doorwerkt.

Als in de ochtend van de 15de juli 1410 het leger van de Duitse Ridderorde positie betrekt bij het dorp Tannenberg, zijn de gelederen van de Pools-Litouwse vijand nog compleet ongeordend. Ook al beschikt koning Wladislaus Jagiello van Polen over een groot leger van minstens 20.000 Polen, Litouwers, Tataren en Russen, de manschappen van grootmeester Ulrich von Jungingen zijn de gedoodverfde winnaars. De harde kern van het 15.000 man tellende leger bestaat uit 2.000 orderidders, stuk voor stuk elitestrijders met een rijke ervaring, aangevuld met contingenten uit Thorn, Danzig en Elbing en huurlingen uit heel Europa: Engelsen met hun long bows en de gevreesde kruisboogschutters uit Genua.

Chaos
Hoewel het makkelijk zou kunnen, stelt Ulrich von Jungingen de aanval nog even uit. Als tegen de middag nog geen activiteit is te bespeuren, stuurt hij twee bodes met witte vlag naar Jagiello. In opdracht van hun heer komen ze niet om te onderhandelen maar om hem te bespotten als lafaard. Die tactiek heeft het gewenste effect: Jagiello beveelt zijn mannen om de aanval in te zetten. Aanvankelijk wijst alles in de richting van een simpele overwinning voor de Duitse Orde. De eerste aanvalsgolven op de flanken van de orde worden afgeslagen, de vijandelijke soldaten vluchten. Maar dan brengt een onstuimige aanval van de Litouwers onder aanvoering van Jagiello’s neef Vytautas een kentering teweeg. De linies van de Duitse Orde breken, er is chaos. De strijders vechten nu man tegen man en de lichtbewapende Litouwers op hun wendbare paarden zijn in het voordeel boven de zwaar gepantserde orderidders. Aftocht is geen optie voor de grootmeester. De slag eindigt in een bloedbad. De grond is bezaaid met lijken, veelal gruwelijk verminkt. Onder de dodelijke slachtoffers bevinden zich Ulrich von Jungingen en de hele leidersschaar. De militaire ruggengraat van de Orde is gebroken.

Friese kruisvaarders in Egypte
Terugblik: september 1189. Voor Akko, een havenstad aan de bocht van Haifa, verschijnen schepen uit Friesland, Denemarken, Frankrijk en Duitsland. Eindelijk is het zover! Twee jaar lang hebben de christenen hier een van hun laatste posten in het Heilige Land kunnen houden, vrijwel geheel omsingeld door de soldaten van sultan Saladin. De Europese christenstrijders zijn gekomen om hun broeder en zusters te ontzetten. Wat ze aantroffen was rampzalig: de hygiënische omstandigheden waren catastrofaal, de overgeblevenen leden vreselijke honger en dorst, in de verzengende hitte waren velen gestorven en de lijken lagen hoog opgetast. Al snel bereikte de malaria ook de kruisvaarders en hun leiders: eerst stierf landgraaf Lodewijk III van Thüringen, toen Frederik van Zwaben. De hospitaalridders van de Orde van Malta werden geacht de zieken en gewonden te verzorgen, maar konden die taak bij gebrek aan mannen en middelen amper uitvoeren.
In de winter van 1189 was de situatie zo nijpend dat de kruisvaarders uit Lübeck en Bremen, die in hun koggen waren komen aanvaren, zeilen spendeerden om als dak voor het veldhospitaal te dienen. En omdat ze toch eenmaal bezig waren, verzorgden ze ook meteen maar even de zieken. Ze organiseerden hun hulp in de vorm van een broederschap en stelden een meester, Meester Sibrand, aan het hoofd van hun groep.

Broeders worden ridders
In de kroniek van de Orde staat dit moment te boek als de geboortestond van de Duitse Orde. Waarschijnlijk hebben de Lübecker en Bremer burgers nooit het plan gehad om een permanente orde te stichten. Maar in het najaar van 1190 kwam het hospitaal onder protectoraat van de juist gearriveerde hertog Frederik van Zwaben, die regelde dat paus Clemens III het permanente hospitaal officieel bekrachtigde. Dat bracht de stroom schenkingen en leningen op gang. In 1196 werd de gemeenschap door paus Celestinus III vrijgesteld van tiendplicht en in 1189 werden de broeders in de ridderstand verheven. Vanaf dat moment waren de ordebroeders gelijkgesteld aan de oudere ridderordes van de Tempeliers en de Johannieters. Maar waar deze ordes internationaal van snit waren, recruteerde de nieuwe ridderorde zijn leden primair uit de gebieden van het Heilige Roomse Rijk.
Net als alle andere christelijke ordes was ook de Duitse Orde onderworpen aan strenge regels, gemodelleerd naar de statuten van de Tempeliers en Johannieters. Aan het hoofd stond een grootmeester of Hochmeister, die voor het leven werd gekozen. Deze grootmeester werd geassisteerd door de grootcommandant, en de opperste spitler. De grootcommandant was verantwoordelijk voor bestuur en organisatie, de maarschalk voor de oorlogsvoering en de spitler voor het toezicht op het hospitaalwezen. De leden van de orde bestonden uit ridderbroeders, priesterbroeders en sarjantbroeders (ook gromentelers, grauwmantels geheten) die als ridderknaap werden ingezet en tot slot de niet-adellijke lekenbroeders, die de nederige werkzaamheden verrichten.

Commanderijen
Kleinste bestuurseenheid van de orde waren de commanderijen, waarvan een groep een ordensprovincie vormden, de zogeheten balije. De balijen werden geleid door een landcommandeur, die het kasteel van de landcommanderije bewoonde, en zij stonden op hun beurt weer onder het gezag van de Duitsmeester (voor het Duitse Rijk), de Grootmeester (van Pruisen) of de Meester (van Lijfland).
Al hebben de broeders uiteindelijk geen grote rol gespeeld in de strijd om het Heilige Land, in het gebied rond de Oostzee was hun invloed enorm. In 1231 wapperden de vanen van de Duitse Orde voor het eerst in de wind van het Oude Pruisen (Pruzzen) en het Kulmerland. Koenraad I van Mazovië uit de dynastie der Piasten vreesde een inval van de Pruzzen en riep de ridders van de Duitse Orde te hulp. Het nog niet gekerstende Baltische volk van de Pruzzen was interessant voor alle aangrenzende mogendheden, zowel de Denen als de Polen. Het opstandige land werd door Duitse Orde onderworpen onder het mom van missionering. Eerst bezette men de burchten aan de linkerkant van de Weichsel (Wisla). Vervolgens werd het stamland van de Pruzzen bezet. De ridders richtten steunpunten op, bouwden huizen en deelden land uit aan gezinnen die men uit Silezië en Thüringen liet komen. In militair opzicht moesten de slecht uitgeruste Pruzzen het afleggen tegen de gepantserde ruiters en de kruisbogen van de ervaren kruisvaarders. In zijn bul van 1234 bevestigde paus Gregorius IX de heerschappij over de veroverde gebieden.
In de jaren die volgden onderwierp de Duitse Orde op beproefde wijze achtereenvolgens ook de andere Pruzzische stammen: De Pomesanen, Warmiërs (Ermlanders), Natangen en Barten verloren zo hun vrijheid. Ondanks hun heftige verzet slaagden de Baltische volkeren er niet in de militaire macht van de orde te breken.

3.000 Ridders
In 1308 kregen Brandenburg en Polen ruzie over de heerschappij over Pommerellen.De markgraaf van Brandenburg begon met de belegering van de Poolse stad Danzig. De Poolse hertog Lokietek vroeg de Duitse Orde om ondersteuning, waarop deze van de gelegenheid gebruik maakte om Danzig te bezetten en de Poolse burgers te verdrijven. Stukje bij beetje werd heel Pommerellen door de Duitse Orde ingelijfd. Onder Hochmeister Winrich von Kniprode beleefde de Duitse-Ordestaat gouden tijden. Op het hoogtepunt van zijn macht telde de Orde 3.000 ridders als leden en met de bezetting van Gotland en de aankoop van Neumark en Samogitië bereikte de staat zijn grootste omvang.
In 1386 was er sprake van een enorme machtsverschuiving in Oost-Europa: de grootvorst van Litouwen, Wadislaus Jagiello (Litouws: Jogaila), liet zich dopen. Door zijn huwelijk met de Poolse koningin Hedwig werd hij koning van Polen en stond toe dat Litouwen werd gekerstend. Telkens weer kwam het tot conflicten tussen het Pools-Litouwse Rijk en de Duitse Orde, die escaleerden in 1409, toen Wladislaus de opstand in Samogitië openlijk ondersteunde en Ulrich von Jungingen in reactie daarop Polen de oorlog verklaarde. Grootmeester Von Jungingen had zijn tegenstander onderschat en moest die inschattingsfout in de Slag bij Tannenberg met zijn leven betalen. Vanaf dat moment verloor de Orde snel aan betekenis.

Onderlinge twisten
In Tannenberg verloor de Orde zijn aura van onaantastbaarheid. Koning Wladislaus Jagiello verwoestte de landerijen van de Orde en veroverde tal van burchten. Vredesverdragen en bestanden konden niet verhinderen dat het Pools-Litouwse leger in de jaren die volgden telkens met nieuwe provocaties kwamen. De Orde behield weliswaar vooralsnog het eigen land, maar de financiële en personele situatie was rampzalig. Er braken besmettelijke ziekten uit en het land werd getroffen door hongersnood. Maar wat de Orde de zwaarste slag toebracht was de legitimatiecrisis.
Toen Litouwen was overgegaan naar het christendom kwam de eigenlijke taak van de christenridders, missiewerk, te vervallen. Er waren immers geen heidenen meer. Dat leidde tot onderlinge twist en machtsstrijd. De Orde viel uiteen in elkaar beconcurrerende groepen: Nederduitsers versus Rijnlanders, Rijnlanders versus Oost-Duitsers, allen tegen allen. De nog intacte Lijflandse tak van de Orde werd zelfstandig en bleef bestaan tot 1561.
In het stamland Pruisen kwamen in de tweede helft van de 15de eeuw de tegenstellingen tussen de Orde en de Pruisische adel op scherp te staan. De adelsbond sloot in 1454 een pact met de Poolse koning en veroverde successievelijk de steunpunten en steden van de orde. Ook Mariënburg, het hoofdkwartier van de Orde, werd veroverd, zodat de Hochmeister gedwongen was zijn zetel naar Koningsbergen te verplaatsen. Bij de vrede van Thorn in 1466 deed de Orde afstand van Pommerellen, Kulmerland, het gebied van en rond Mariënburg en het Ermland. Wat overbleef was een armzalig stuk grondgebied in het noorden rondom Koningsbergen. De rol van de Duitse Orde in het Baltische gebied was uitgespeeld.

Geboorte Pruisen
Ondanks diverse hervormings- en vernieuwingspogingen wist de Orde zich niet meer te herstellen van deze klap. In de 16de eeuw kwam de genadeklap door de Reformatie. De reformatoren bezagen geestelijke ordes en ridderordes buitengewoon kritisch. In 1524 gaf Luther grootmeester Albrecht von Brandenburg-Ansbach het advies om zijn orde te seculariseren. Steun kreeg Albrecht daarbij van de Poolse koning Sigismund I. In ruil voor het neerleggen van zijn ambt ontving hij Pruisen als erfelijk hertogdom en regeerde vanaf 9 mei 1535 als hertog Albrecht I over Pruisen. Er was veel weerstand tegen deze gang van zaken, zowel bij de keizerlijke Rijksdag als binnen de Orde zelf, maar vanaf dat moment was de status van Pruisen als hertogdom met de Lutherse kerk als staatskerk een feit.

Dit artikel en nog veel meer over de Duitse Orde en de Kruistocht tegen de Balten in het nieuwe nummer van G-Geschiedenis. Nu overal te koop!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder