Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Dachau 80 jaar later

23 oktober 2013 [412] Olivier Keun

Tachtig jaar geleden, op 21 maart 1933, stelde de toenmalige hoofdcommissaris van de politie in München, Heinrich Himmler, de pers op de hoogte dat er een kamp voor politieke gevangenen werd geopend: Dachau was de naam. Het eerste concentratiekamp in de geschiedenis was dat niet: dat was een uitvinding van de Britten, tijdens de Boerrenoorlog. Maar in Dachau werden binnen twaalf jaar hier 41.000 mensen vermoord. Het eerste concentratie-vernietigingskamp vergiftigt tot in de eeuwigheid de naam van het stadje bij München.

David A. stierf in de ‘lagedrukcabine’ voor de ogen van dokter Sigmund Rascher. De arts stond bij zijn kennissen bekend als een aimabel man, een gezellige prater en liefhebber van klassieke muziek. Wat zich hier in het voorjaar van 1942 in concentratiekamp Dachau afspeelde, werd later bij het Artsenproces van Neurenberg, het eerste van de processen tegen oorlogsmisdadigers, aangemerkt als onmenselijk en misdadig.

Experimenten op mensen
David A. leed helse pijnen voor hij stierf. Rascher stond erbij en noteerde wat hij opmerkte. Hij wilde weten hoe het lichaam reageerde op luchtdrukverschillen. De decompressiekamer bootste dit na. De dood van het ‘onderzoeksobject’ en de sectie achteraf waren ingecalculeerd. David A. was één van de tweehonderd Joden en gevangenen uit Polen en Rusland waarover Rascher voor zijn experimenten beschikte. Ter voorbereiding op de Noord-Afrikaanse veldtocht experimenteerde hij ook met een middel tegen malaria door kampbewoners te besmetten met het malariavirus, op zoek naar een antivirus. Er werden operaties verricht voor oefendoeleinden, tbc-experimenten gedaan en men liet gevangenen zeewater drinken om te kijken wat de gevolgen daarvan waren. De experimenten eisten talloze levens. In de kampen werd een burgerlijke stand geïnstalleerd die overlijdensaktes met gefingeerde doodsoorzaken produceerde.

Röhm-Putsch
Het naziregime was al in de nacht van de Rijksdagbrand van 27 februari 1933 begonnen met het arresteren van politieke tegenstanders – voornamelijk communisten en sociaaldemocraten. Het was Heinrich Himmler die met het idee kwam om deze mensen in centrale kampen op te sluiten. De capaciteit van Dachau was aanvankelijk berekend op 6.000 gevangenen. De eerste drie slachtoffers waren de Joodse advocaat Rudolf Benario en de communisten Ernst Goldmann en Arthur Kahn uit Fürth. Zij werden op 12 april 1933 in Dachau doodgeschoten. In 1934 vermoordden de nationaalsocialisten hier 21 NSDAP-functionarissen en politieke tegenstanders, die naar verluidt een op handen zijnde staatsgreep van SA-chef Ernst Röhm steunden.

Martelkamers
Tot zover de voorgeschiedenis van deze plek, die later het symbool zou worden van de martelkamers van de SS: Dachau was het eerste concentratiekamp en werd ook als voorbeeld voor andere kampen gebruikt. Bij de bevrijding troffen de Geallieerden in Duitsland 23 concentratiekampen aan, 1.010 ‘nevenkampen’ (Dachau had 169 van dit soort nevenvestigingen, een record) en zes vernietigingskampen met gaskamers.
Het tweede concentratiekamp opende zijn deuren in augustus 1936 in Sachsenhausen, half juli 1937 volgde Buchenwald, in 1938 Flossenbürg, Mauthausen en Neuengamme. De lijst werd in 1939 verder uitgebreid met Ravensbrück en Stutthof en op 20 mei 1940 kwam daar het concentratiekamp in Auschwitz bij. In januari 1944 werd in Krakau-Plaszów het laatste concentratiekamp geopend. Al deze kampen waren gemodelleerd naar het voorbeeld van Dachau en alle bewakers werden in Dachau opgeleid. Zij waren te herkennen aan het doodshoofd op hun kraag.
De meeste gevangenen in het Beierse Dachau waren de zogenoemde Schutzhäftlinge, gevangenen die in hechtenis waren genomen ter bescherming van de staatsveiligheid. In de eerste jaren waren dit vooral politieke gevangenen, tegenstanders van het nazi-regime. Een overlevende – de sociaaldemocraat en latere Staatsminister für politische Befreiung Gottlob Kamm – deed verslag: ‘De beulen bonkten ’s morgens vroeg op de deur. Hun zwarte leren jassen voorspelden weinig goeds. “Uit naam van de staatsveiligheid”, zeiden ze. Er was geen tijd om spullen te pakken.’
De familie bleef lange tijd in het ongewisse over het lot van de gevangenen. De censuur op brieven was streng. Over het lot van de sociaaldemocratische politicus Kurt Schumacher, vanaf 1935 in Dachau geïnterneerd, ervoeren partijgenoten pas na een gecodeerde boodschap van een medegevangene: ‘Er zijn hier slagers, schoorsteenvegers, kleermakers, meubelmakers en ook schoenmakers.’

Tot bloedens geslagen
De schrijver Eugen Kogon, die in concentratiekamp Buchenwald zat, beschreef het leven van alledag en de verschrikkingen die de gevangenen moesten ondergaan wanneer ze ’s avonds werden geteld: ‘Na een dag hard werken … moesten we urenlang op de appelplaats staan, vaak tijdens stormachtig weer, in de regen of met ijzige kou, totdat de SS zijn slaven had geteld … Bij het appel moest iedereen verschijnen, levend of dood, met hoge koorts of tot bloedens toe geslagen … In barre tijden lagen er tientallen mensen aan de rand van de appelplaats, keurig geordend voor hun laatste appel: doodgeslagen, doodgevroren, ingestort of stervende. Pas na afloop mochten de stervenden naar het ziekenhuis en de doden naar de lijkkelder worden gebracht.’
Pesterijen, mishandeling, foltering en zwaar werk waren aan de orde van de dag. Het werk diende als politiek opvoedingsinstrument. Boven de ingangspoort stond als motto: ‘Arbeit macht frei.’ Voor de gevangenen in Dachau betekende dit turfsteken in veen en het aanleggen van wegen, sloten en kazernes. Bovendien werden er op het terrein werkplaatsen ingericht waar men onder meer kleding en schoenen maakte. Op 3 maart 1942 beval Himmler dat er ook voor de wapenindustrie geproduceerd moest worden. Eind april 1942 meldde het hoofd van de belangrijkste economische en bestuurlijke afdeling van de SS, Oswald Pohl, aan Himmler: ‘De oorlog heeft een zichtbare structuurverandering van de concentratiekampen teweeggebracht en de taken van gevangenen zijn fundamenteel veranderd. Het enkel en alleen opsluiten van gevangenen om redenen van veiligheid, als voorzorgsmaatregel of om opvoedkundige redenen is niet langer het hoofddoel. Het zwaartepunt ligt nu bij het economische aspect. De mobilisatie van alle gevangenen die in staat zijn om te werken ten behoeve van oorlogstaken (vergroting van het wapenarsenaal) en later voor vredestaken wordt steeds belangrijker.’
De opdracht luidde: De tewerkstelling moest ‘letterlijk uitputtend zijn opdat de beste prestaties worden geleverd’. De werktijden waren ongelimiteerd en ’tijdrovende verplaatsingen en middagpauzes enkel om te eten zijn verboden’. Daarom werden de gevangenen naar de ‘nevenkampen’ vervoerd.

Werken voor de Duitse industrie
Op het hoogtepunt waren in de werkkampen ruim een half miljoen gevangen uit de concentratiekampen tegelijkertijd aan het werk. De plekken waar ze werkten lagen in de buurt van de betreffende bedrijven. Gevangenen werkten onder dwang voor IG Farben, BMW en Messerschmitt. De firma Krupp liet bijvoorbeeld in Auschwitz ontstekingsmechanismen fabriceren en ook Siemens had hier een bedrijf. Voor ongeschoolde arbeid werd de kas van de SS dagelijks met vier Reichsmark gespekt, voor de inzet van vakarbeiders ontving de SS zes Reichsmark per persoon.
Het kamp was hermetisch afgesloten van de buitenwereld en beveiligd met een omheining van prikkeldraad onder stroom. Overtredingen werden berecht door eigen rechters, die geregeld doodvonnissen uitspraken. ‘Bij vluchtpogingen van gevangenen mag de bewakings- en begeleidingseenheid zonder waarschuwing gebruikmaken van wapens’, stond in het kampreglement. Zogenoemde vluchtpogingen werden vaak als excuus gebruikt om de vluchteling dood te schieten. Gevangenen die een gegeven bevel ‘niet correct opvolgden’ belandden in de cel. Velen kwamen om door standrechtelijke executies, door uitputting en ondervoeding. Ook de gebrekkige hygiëne eiste zijn tol.
De eerste kampcommandant van Dachau was Hilmar Wäckerle. Eind juni 1933 werd hij vervangen door Theodor Eicke, die werd opgevolgd door Heinrich Deubel, Hans Loritz, Alex Piorkowski, Martin Weiß en vanaf 1 oktober 1943 Eduard Weiter. Het was Loritz die in 1935 begon met het nummeren van de kleding van gevangenen. Zijn streven was om de persoonlijke identiteit van de gevangenen uit te wissen. De gevangenen kregen gekleurde driehoeken waaruit af te lezen was wat de reden was voor hun arrestatie.

Willekeur
De gevangenen werden veelal ingedeeld in drie klassen. Voor gevangenen derde klasse was er slechts een ‘hard bed’ en een zeer karig rantsoen. De indeling was volstrekt willekeurig. De kamporganisatie kon bijvoorbeeld ook gevangenen ‘die zich tijdens hun verblijf in het kamp goed hebben gedragen, maar wier verleden een bijzonder strenge bewaking in het belang van de rust en orde in het kamp vereist’ in de derde klasse plaatsen.
Begin 1937 werd in Dachau een nieuw, groot gebouw voor gedetineerden in gebruik genomen. Onderdeel van het complex was een bunker met 136 cellen voor eenzame opsluiting. Wie hier naartoe werd gebracht, belandde ‘in een stikdonkere kamer’ en werd vaak drie maanden later pas weer vrijgelaten. Het complex omvatte ook een SS-terrein met barakken, een schietplaats en een kruidentuin.
De barakken in de kampen werden ‘blokken’ genoemd. Er was een jodenblok, de ziekenboeg was het invalidenblok. Daarnaast waren er blokken voor prominenten en voor priesters en dominees. Toen de oorlog was begonnen, werden daar nog blokken op basis van nationaliteit aan toegevoegd. De SS selecteerde gevangenen die als opzichter voor orde in de blokken moesten zorgen. Deze speciale gevangenen kregen beter voedsel dan de anderen. Speciale arbeidscommando’s, in Dachau vanaf 1940, haalden de stoffelijke resten uit het crematorium.
(Wolfgang Mayer)

De andere helft van het artikel lezen? Koop nu de nieuwe G-Geschiedenis. Overal te koop. Of neem een abonnement (www.g-geschiedenis.eu).


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder