Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Voor bedelaars, vagebonden en zwervers

09 september 2013 [412] Olivier Keun

Daklozen behoren weer tot het straatbeeld in elke grote stad. Een eeuwenoud fenomeen dat eind 20ste eeuw door de welvaartstaat opgelost leek, is terug van weggeweest.

De arme als weerspiegeling van christelijke naastenliefde was sinds de 14de eeuw in verdrukking geraakt: argwanend bekeken en verantwoordelijk geacht voor de overdracht van besmettelijke ziekten en kleine criminaliteit. Repressief optreden bleef niet uit.

In 1526 publiceerde de in Brugge verblijvende humanist Jean Louis Vives het traktaat De subventione pauperum over de noodzaak om armen een beroep aan te leren en het bedelen te verbieden. Financiële armoede was voor hem het gevolg van emotionele stoornissen die liefdevol moesten opgelost worden door (her)opvoeding. Dat werd uitgeprobeerd in de rasp- en spinhuizen van Amsterdam. Via dwangarbeid probeerde men vanaf 1596 de toevloed van (vooral zuidelijke) bedelaars te bedwingen. Het traktaat legde de filosofische onderbouw voor de realisatie van het rasphuis in Gent. Dat opende in 1775 zijn deuren als werkhuis, enkel voor bedelaars, landlopers en werklozen uit het graafschap Vlaanderen. Het kreeg in 1779 navolging in Vilvoorde voor bedelaars uit het hertogdom Brabant.

De 18de-eeuwse verlichtingsfilosofie en zijn politieke omzetting door de Franse Revolutie maakte van iedereen een vrij burger die zijn eigen ontwikkeling kon sturen. Werkloze dagloners zorgden voor steeds meer ongenoegen bij de burgerij die hun dikwijls nieuw verworven eigendom – onaantastbaar volgens de Rechten van de Mens – wilden beschermen. Landloperij – vagabondage – en bedelen – mendicité – werden met een keizerlijk decreet van 1808 en door de strafwet – code pénal – van 1810 als misdrijf gelabeld. Opsluiting was voorzien in een centrale gevangenis per departement.

Maatschappij van Weldadigheid
In het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden verbeterde de economische toestand niet en in 1816 en 1817 mislukte de oogst. Generaal-majoor Johannes van den Bosch (1780-1844) zag het met lede ogen aan en wilde zijn kennis, opgedaan in Batavia, toepassen. In zijn in 1818 gepubliceerde ‘Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering en de belangrijkste voordelen eener algemeene armeninrigting in het rijk der Nederlanden, door het vestigen eener landbouwende kolonie in deszelfs Noordelijke gedeelte’ stelde hij voor om werkwillige bedelaars naar landbouwkolonies in Drenthe te verplaatsen. Dit zou de groeiende kerkelijke hulp aan armen indammen, vlijt zou de armen disciplineren en het Nederlandse landbouwareaal zou toenemen.

Op 1 april 1818 werd op basis van het pamflet de Maatschappij van Weldadigheid opgericht. Dankzij de bescherming van prins Frederik groeide de steun voor het project. Via comités in heel het land en in de koloniën droegen tot 20.000 notabelen financieel bij. De Maatschappij stichtte in Drenthe de ‘vrije’ kolonies Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Na de eerste ontginnings- en infrastructuurwerken door lokale boeren konden de kolonisten een boerderij met drie hectare grond in gebruik nemen. Ze zouden er graan om te verkopen en aardappelen voor eigen gebruik telen. De vrouwen zouden ook wat bijverdienen met het spinnen van vlas en wol en het weven van linnen. Wezen werden bij de verschillende kolonisten uitbesteed, tot zes kinderen per boerderij. In kleine werkplaatsen zouden landelijke ambachten zoals manden of matten vlechten worden aangeleerd. Kinderen tot twaalf jaar dienden vijf dagen per week naar school te gaan. Voor adolescenten was er enkele keren per week avondschool voorzien. Er was ook bijzondere aandacht voor de geloofsbeleving, zowel voor protestanten, katholieken als Joden.

Voor bedelaars en landlopers, ook voor gestrafte of onwillige kolonisten, werden de gestichten Ommerschans en Veenhuizen opgericht. Van den Bosch nam ontslag als officier en vestigde zich in Frederiksoord om de Maatschappij te beheren, tot hij in 1827 van koning Willem I min of meer het bevel kreeg –tegen zijn zin- gouverneur-generaal van Nederlands-Indië te worden.

Van den Bosch diende ook voor het zuidelijk deel van het koninkrijk een gelijkaardig project te beginnen. De keuze voor de vestiging van de kolonies viel op heidegronden in de buurt van Hoogstraten. De infrastructuur- en ontginningswerken begonnen in 1822. Bij Wortel werd Zuid-Frederiksoord als ’vrije kolonie’ uitgebouwd, bij Merksplas kwam de ‘onvrije kolonie’. In 1827 waren er 129 hoevetjes klaar, elk met een stuk grond van 3,5 hectare.

Mislukte boeren
De ‘vrije’ boeren in de kolonies in Noord en Zuid dienden hun boerderijtje aan de Maatschappij af te betalen met de opbrengst van hun vers ontgonnen doening. Door gebrek aan kennis, begeleiding en het hanteren van een systeem, waarbij de kolonisten in de winkel van de Maatschappij op krediet aankopen deden (dat heet in Vlaanderen trucksysteem, in Nederland gedwongen winkelnering), geraakten de meeste kolonisten nooit uit de schulden. Veel gezinnen die in de kolonies geplaatst werden, kwamen uit de stad en hadden geen kennis, laat staan interesse in landbouw en veeteelt. Aanpassingen werden in schaalvergroting gezocht. Verschillende percelen werden samengevoegd en aan de betere kolonisten, die tot het statuut van vrijboer gekomen waren en dus schuldenvrij waren, uitbesteed. De Maatschappij bouwde zelf een aantal grotere boerderijen, die in eigen beheer werden geëxploiteerd. In 1828 werden de kolonisten van het Zuid-Frederiksoord te Wortel allemaal gedegradeerd tot loonarbeider bij de Maatschappij.

Een deel van de kolonisten volgden eind 1830 het Brussels voorbeeld en revolteerden. De oogst werd vernield en velen verlieten het domein van Wortel. De uitbating werd zwaar verlieslatend. In 1836 bedroeg de schuldenlast 718.917,22 gulden of 1.908.084,23 frank. De laatste kolonisten dienden in 1841 te vertrekken. Uiteindelijk werden de domeinen in 1846 door prins Frederik, de grootste schuldeiser, aangekocht. Beide domeinen bleven braakliggend achter.

Landlopersdepots in België
De nieuwe Belgische staat schakelde een versnelling terug en sloot landlopers opnieuw gewoon op. In 1834 werden 2.320 landlopers (mannen, vrouwen en kinderen) vastgehouden in de zes landloperdepots van Ter Kameren (Brussel), Brugge, Namen, Hoogstraten, Bergen en Rekem.

De crisis die de vlasbewerking kort na de Belgische onafhankelijkheid trof, maakte vele wevers en spinsters werkloos. Noodgedwongen gingen zij bedelen. Aangezien de burelen van weldadigheid de vloed armen niet aankonden, werd een gedoogbeleid gevoerd. Een dag per week mocht er gebedeld worden. Groepen van enkele honderden arme wevers overspoelden de omgeving van hun woonplaats op zoek naar werk en eten.

Landbouwer Van Belle, tevens schepen in Viane (bij Geraardsbergen), gaf in 1840 elke woensdag 140 bedelaars voedsel. Hij klaagde dat ook op andere dagen bedelaars opdaagden en bedreigingen uiten omdat ze dan niets kregen. Om het ‘schuim der naburige bevolking’ te weren, sloot het stadsbestuur van Brugge in 1848 de stadspoorten. Het ingooien van ruiten, het stelen van wat voedsel en zich laten arresteren was soms de enige oplossing om voor een periode tot vijftien dagen onderdak en voedsel te krijgen in de gevangenis. Dit leidde tot politiek ongenoegen over de bezetting van dure cellen in gevangenissen door deze ‘plantrekkers’.

Met de wet van 3 april 1848 werd het systeem gemoderniseerd. Landlopers met een bekende geboorteplaats dienden door hun gemeente onderhouden te worden. Buitenlandse bedelaars konden op die basis uit het land gezet worden. Tussen Nederland en België werden er verdere afspraken gemaakt om de kosten van het onderhoud van elkaars landgenoten te verrekenen.

Lommel-Kolonie
Het kolonieproject was toch niet bij iedereen vergeten. De vroegere landbouwkolonies waren in 1848 uitgebreid aan bod gekomen in het Belgische parlement en dit viel blijkbaar niet in dovemansoren van het gemeentebestuur van Lommel. In 1849 bood zij de Belgische staat 112 hectare heidegrond te koop aan voor de realisatie van een landbouwkolonie bij de nieuwe vloeiweiden die de staat er in 1847 had aangelegd langs het Kempens Kanaal. Die Colonie Agricole met twintig boerderijen werd in 1850/51 gebouwd. De bedrijfjes waren te klein en de grond te onvruchtbaar, zodat de kolonie snel in verval geraakte. In 1860 verkocht de staat de kolonie aan particulieren, die met de aanplanting van populieren begonnen voor gebruik als grondstof bij de luciferproductie in Geraardsbergen en Ninove.

Wortel en Merksplas
Het bedelen bleef ondertussen aanhouden. De nieuwe textielcrisis die vanaf 1862 woedde en door de Amerikaanse Burgeroorlog werd veroorzaakt, dwong de politici tot nieuwe hervormingen. Met de wet van 6 maart 1866 werd het systeem aangepast. Om dit optimaal te laten gebeuren, werd uitgekeken naar nieuwe vestigingsplaatsen voor landlopers.

De domeinen van de oude kolonies te Wortel en Merksplas werden uiteindelijk op 20 december 1870 door de Belgische staat aangekocht. Nieuwe gebouwen werden opgetrokken. Structureel arme bedelaars (vooral oudere, invalide en zieke bedelaars) werden naar Wortel gestuurd, beroepsbedelaars naar Merksplas. Daar werden ze tewerkgesteld op de boerderij, in de bossen, in een steenfabriek, de smidse, de schrijnwerkerij, de klompenmakerij, de weverij, de kleermakerij of in de keuken. Het aantal ‘beroepsbedelaars’ dat in Merksplas opgesloten werd, steeg van 800 in 1879 tot 5.291 in 1911. Intensieve bouwactiviteiten zorgden ervoor dat iedereen kon slapen, werken en bidden. Vanaf 1892 konden landlopers die terug de wereld in wilden, wekelijks verschijnen voor een vertegenwoordiger van een welstandscommissie. Bij weigering kon een nieuwe aanvraag tot vrijlating pas drie maand later heringediend worden.

De vrouwelijke bedelaars werden sinds 1891 alleen nog opgevangen in het exclusief voor vrouwen bestemde werkhuis van Sint-Andries bij Brugge.

Na de oorlog waren er minder landlopers en op 7 mei 1929 werden het bedelaarswerkhuis van Hoogstraten en de landloperskolonie van Wortel afgeschaft. Wortel werd in 1935 heropgestart om geesteszieke landlopers op te vangen. Vanaf 1945 werden er weer gewone landlopers van Merksplas naar Wortel verplaatst. Vanaf 1955 evolueerde Merksplas naar een gewone gevangenis.
(Harry van Royen)

De Kolonies van Wortel en Merksplas strijden om een erfgoedplek.
Zie:  http://www.ruraalnetwerk.be/wedstrijd.

Lees de rest van het artikel en bekijk de boeiende foto’s in de nieuwe G-Geschiedenis, nu overal te koop!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder