Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Mens als handelswaar: Nederlandse slavenhandel

01 juli 2013 [412] Olivier Keun

De Drentse predikant Johan Picardt (1600-1670) vatte doorgaans in zijn preken de tijdgeest goed samen. Hij rechtvaardigde slavernij op bijbelse gronden. Picardt hield zijn gehoor voor dat de Afrikaanse slaven nakomelingen waren van Cham, de in de bijbel tot knechtschap veroordeelde zoon van Noach. De negers waren ‘zo inferieur en zo indolent van aard’, dat ze volgens Picardt ‘alleen door fysiek geweld tot arbeid aangezet konden worden en pas onder een hard slavenregime tot zelfontplooiing komen’.

Mede door deze bijbelse rechtvaardiging konden de Hollandse en Zeeuwse kapiteins en kooplieden zich zonder gewetenswroeging met de slavenhandel gaan bezighouden. Dit deden ze vol overgave.
In de geschiedenis van de Nederlandse betrokkenheid bij de trans-Atlantische slavenhandel speelt de op 3 juni 1621 opgerichte West-Indische Compagnie (WIC) een belangrijke rol. Deze handelsonderneming kreeg van de Staten-Generaal het alleenrecht op de handel in het Atlantische gebied. Het werkterrein van de WIC omvatte niet alleen Amerika, maar ook de westkust van Afrika. De WIC kreeg van het hoogste gezagsorgaan in de Republiek het recht om bondgenootschappen te sluiten, forten te bouwen, gouverneurs, rechters en andere ambtenaren aan te stellen, garnizoenen en vlooteenheden te onderhouden en zelfs om gebieden te koloniseren.
Omdat de Republiek in de beginjaren van het bestaan van de WIC nog volop in oorlog met Spanje en Portugal was (van 1580 tot 1640 in een personele unie verbonden), had het tegenwerken van deze landen in Amerika een hoge prioriteit. Met toestemming van de Staten-Generaal werden in 1630 delen van het noordoosten van Brazilië op de Portugezen veroverd. Dit gebied werd Nieuw Holland genoemd. De Portugezen exploiteerden daar een groot aantal suikerplantages, bewerkt door vooral Angolese slaven. De WIC nam de werkwijze van de Portugezen over en hield zich sindsdien actief met de slavenhandel bezig. In 1637 werd aan de Goudkust (het huidige Ghana) het fort Elmina veroverd. Vanuit dit steunpunt werden grote aantallen Afrikanen naar de overzijde van de Atlantische Oceaan getransporteerd.

Kwetsbare handelswaar
Zodra de kapitein ongeveer het aantal slaven had ingekocht dat in zijn instructies stond vermeld, wachtte hem een volgende lastige klus. Hij moest zorgen dat er voldoende voedsel en water aan boord was om zijn levende handelswaar na de gemiddeld twee maanden durende oversteek in zo goed mogelijke gezondheid aan land te kunnen brengen. Weliswaar waren voor het vertrek uit de Hollandse en Zeeuwse havens al een flinke partij gezouten vlees en gedroogde bonen aan boord gebracht, maar de meeste kapiteins vonden het raadzaam om de slaven óók het hen vertrouwde eten uit eigen land voor te schotelen. Dit verhoogde, zo was hun redenering, hun overlevingskansen. Ondanks de ongetwijfeld goede zorgen van de kapitein, de scheepsarts en de rest van de bemanning – immers: hoe meer slaven er tijdens de oversteek stierven, hoe kleiner de kans dat de reis met winst kon worden afgesloten – overleefde een flink deel van de slaven het verblijf in het kleine en stinkende slavenruim niet. Ook in het midden van de 18de eeuw, toen de Europeanen al een paar eeuwen ervaring met de trans-Atlantische slavenhandel hadden opgedaan, was de sterfte nog altijd hoog. De Beschutter vertrok in juli 1738 uit de Republiek en nam in fort Elmina 809 gevangen Afrikanen aan boord. Hiervan werden er op 14 februari 1739 in totaal 740 levend in Paramaribo afgeleverd. De Jonge Daniel was ruim drie weken eerder in opdracht van de kamer Zeeland van de WIC vertrokken. In Elmina werden 500 slaven ingescheept, waarvan er 416 in Berbice (in het huidige Brits-Guyana) aankwamen. Deze cijfers zijn representatief voor de gehele periode van de trans-Atlantische slavenhandel. Door de harde, onmenselijke omstandigheden aan boord, ziektes en (soms) ondervoeding stierf gedurende de overtocht gemiddeld tussen de 10 en 25 procent van de slaven (met een sporadische uitschieter naar boven).

De Sociëteit van Suriname
Na het verlies van Nieuw Holland (in 1654) stond de slavenhandel tijdelijk op een laag pitje. De betrokkenheid van de Republiek bij de slavenhandel kwam vanaf de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667) in een stroomversnelling. Tijdens deze oorlog besloot de kamer Zeeland van de WIC om een vloot uit te rusten om Engelse bezittingen in Amerika te veroveren. Deze vloot, die onder het commando van Abraham Crijnssen stond, veroverde in februari 1667 Suriname, dat tot dat moment in Engelse handen was. Een half jaar later, bij de Vrede van Breda, legden de Engelsen zich bij het verlies van dit gebied neer (zoals ook de Republiek van zijn kant het verlies van Nieuw-Amsterdam – het huidige New York – als een voldongen feit moest accepteren).
Tijdens de eerste jaren bleek hoe lastig het voor de Zeeuwen was om in dit gebied een goed bestuur te vestigen. Al in 1675 werd Suriname te koop aangeboden aan stadhouder Willem III. Deze had daar geen belangstelling voor. Daarna kwam de WIC als koper in beeld. Het waren vooral de Amsterdamse kooplieden die hier grote mogelijkheden zagen. Na lange en moeizame onderhandelingen werd in 1683 overeenstemming bereikt over de oprichting van de Sociëteit van Suriname. Hierin waren drie partijen vertegenwoordigd: de WIC, de stad Amsterdam en de familie van Aerssen van Sommelsdijck (die de naam had de meest vermogende familie in de Republiek te zijn). Deze Sociëteit hield zich voortaan met het bestuur van Suriname bezig.
Het was voor alle betrokkenen meteen duidelijk wie op de Surinaamse plantages tewerkgesteld zouden moeten worden. ‘Dat dewijle de gemelte Colonie niet wel kan worden voortgeset, dan door middel van Swarte Slaven ofte Negros’. Na een aanloopperiode van drie jaar nam de WIC de verplichting op zich om ‘aen de geseyde Colonie jaerlijck te leveren sodanigen aental slaven, als aldaer sullen wesen gerequireert’. In de praktijk was van een geordende exploitatie geen sprake. De WIC slaagde er niet in om voldoende slaven naar Suriname te verschepen en de plantage-eigenaren bleven voortdurend in gebreke om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Zo raakten de betrokkenen al snel in een vicieuze cirkel verstrikt. Een halve eeuw later hakte het bestuur van de WIC de knoop door: zij gaf haar monopoliepositie met betrekking tot de slavenhandel op en besloot voortaan aan de goud- en ivoorhandel de voorrang te verlenen. In verschillende in Holland verschijnende couranten werden oproepen geplaatst met de mededeling dat belangstellenden ‘die geneegen mogten sijn negros slaaven van de kusten van Africa over te voeren in de colonie van Suriname’ zich bij de secretaris van de Sociëteit van Suriname moesten melden. Na het vrijgeven van de slavenhandel verviervoudigde de aanvoer van slaven naar Suriname zich.
(Cor van der Heijden)

Lees het volledige artikel in de nieuwste G-Geschiedenis. Nu overal te koop!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder