Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Jacob Haafner, antikoloniale wereldreiziger

01 juli 2013 [412] Olivier Keun

'Er is toch in den geheele wereld geen gemakkelijker, geen zekerder en aangenamer reizen – dan in eenen palanquin. Verbeeld u, waarde lezer, eene machine als een sofa, kanape of rustbank, omtrent 3 voeten breed en 7 lang, waarin men op een zacht matrasje en kussens onder het hoofd, even als in een bed uitgestrekt kan liggen.’ Je kunt er zelfs in slapen lezen en schrijven: ‘In een woord, een palanquin is het zachtste en vermakelijkste draagtuig, dat er ooit is uitgedacht.’

Dit schrijft Jacob Gottfried Haafner, scherp observator, begenadigd schrijver, reiziger, zakenman, schilder en antropoloog avant la lettre. Hij verbleef onder andere dertien jaar achtereen in India en Ceylon, sprak Engels, Frans, Tamil en in mindere mate Latijn en Sanskriet. Haafner leidde een leven vol avontuur, romantiek en politiek engagement. Hij vertaalde de Ramayana, een Indiaas heldenepos en schreef vijf reisverslagen (in totaal 1.100 pagina’s), waarin gedetailleerde beschrijvingen van de Indiase natuur en de gewoonten van de bevolking zijn opgenomen.

Tyfus en een schipbreuk

Haafner werd in 1754 in het Duitse Halle geboren en kwam in 1763 met zijn ouders in Amsterdam wonen. Drie jaar later, op twaalfjarige leeftijd, reisde hij met zijn vader, die als scheepschirurgijn aanmonsterde op VOC-schip de Luxemburg, naar de Oost. Zijn vader overleefde de reis niet door een besmettelijke ziekte en Jacob kreeg bij Kaap de Goede Hoop – na een tyfusaanval – hulp van iemand uit Halle, die een schip voor hem regelde naar Batavia.

Daar werd hij bij een Hollands gezin aangenomen als huisleraar, maar vertrok daar weer omdat de vrouw des huizes haar slaven ernstig mishandelde. In 1770 keerde hij via Kaapstad terug naar Nederland, trad in dienst bij een schilder en leerde van hem het vak. Maar hij kon hier niet aarden. Onderweg naar India leed hij bijna schipbreuk. Haafner kwam in het Zuid-Indiase Nagapatnam aan, waar hij zes jaar als klerk en assistent van de hoofdadministrateur van de VOC werkte. Vervolgens reisde hij in 1780 naar de Nederlandse vestiging Sadras (vlak onder Madras, het huidige Chennai), waar hij ‘kommerloze dagen doorbracht; O! meest vermakelijke tijd van mijn leven’ riep hij achteraf uit.
Na een jaar werd het stadje ingenomen door de Engelsen en Haafner werd als krijgsgevangene naar het door de Engelsen beheerste Madras gebracht en wist er ‘de grote Hongersnood’ te ontvluchtten, waarover hij schreef: ‘De straten waren bezaaid met lijken en stervenden. Van zulke ijselijkheden kan men zich geen denkbeeld vormen.’

Chauderi en devadasi

Haafner vluchtte naar Pondicherri, trof in het zuidelijker gelegen Tranquebar Anna, de dochter van een overleden vriend, met haar moeder en kreeg een relatie met Anna. Samen maakten ze in 1782 de oversteek naar Ceylon, waar hij enige tijd gelukkig met haar leefde op een kokosplantage. Tijdens een voettocht maakte Haafner een zestig pagina’s tellende beschrijving van het eiland en viel bijna ten prooi aan een zeven meter lange python. Hij had inmiddels al zijn geld verbruikt en Anna bleek er bij terugkomst met een diamanthandelaar vandoor te zijn gegaan, terug naar India.
Haafner reisde naar Calcutta, werkte er vanaf 1783 als bediende bij de genereuze ex-gouverneur van Bengalen, John Fowke, die hem als een vriend behandelde en hem veel ruimte gaf, waardoor hij tijdens zijn driejarige dienstverband met handelen een klein kapitaal wist te vergaren.
Hij besluit per palanquin met twee groepen van vier dragers, die elkaar afwisselen, naar Madras te reizen. Hij legt zo in acht maanden ruim duizend kilometer af. Over de dragers schrijft Haafner, dat het eerlijke en vriendelijke mensen zijn: ‘Zij vormen een bijzondere kaste onder de Soeders, en worden tot deze bezigheid van jongs af gewend opgebragt. (…) Als zij dragen, maken zij beurt om beurt een zacht steenend geluid, dat niet onaangenaam is; dit doen zij om de maat in hunnen tred te houden, opdat de palanquin niet waggele of scheef hangende.’
Tijdens een avondwandeling raakt Haafner verzeild in een diepe kloof, waaruit hij pas na drie dagen – en het eten van het rottende vlees van een buffel, die eveneens in het ravijn was gevallen – een uitweg vindt.
Hij overnacht in chauderi (gratis rusthuizen voor reizigers), waar hij een devadasi ontmoet, die er met haar rondreizende groep danseressen en muzikanten overnacht en een optreden voor hem geeft. Devadasi waren deels vrouwen, die werden gewijd aan een god, vaak in een tempel voor het godenbeeld zorgden en daarnaast veelal als concubine van een priester of een andere brahman leefden. Andere devadasi leefden in rondtrekkende groepen en stonden er om bekend ook diensten te verlenen als prostituees.
De aanvoerster van de groep komt na het optreden naar Haafner toe en zegt hem dat een van de meisjes tot zijn beschikking staat, de vijftienjarige Mamia: ‘U bent de eerste aan we ze de betel der liefde aanbiedt’. Haafner weigert, onder meer vanwege de dubieuze naam die devadasi hebben. Maar als zij de volgende dag huilt bij zijn vertrek, heeft hij spijt en hij wordt op slag verliefd op haar. Door deze ontmoeting verdiepte Haafner zich in het fenomeen devadasi en geeft een gedetailleerde beschrijving van dertig bladzijden van hun bloementooi, sieraden, make-up, tatoeages, de oliën waarmee ze zich insmeren en hun speciale, vleeskleurige beha’s. Het leverde een veel genuanceerde beeld over devadasi op dan missionarissen destijds schetsten in hun geschriften.

De slangenbeet en de Engelse officier

Bij een volgende chauderi wordt Haafner gebeten door een giftige slang. Zijn hand ontsteekt en zwelt blauwzwart op. Volgens een chirurgijn, die hij onderweg bezoekt, moet zijn hand geamputeerd worden. Haafner beschrijft wat hij bij hem aantreft: ‘Zagen, kromme messen, scharen, tourniquets en wie weet wat al meerder snijgereedschappen. Ik zag dit alles insgelijks bedaard en zonder een woord te spreken aan’. Vervolgens weigert hij de amputatie en hij hoopt Mamia onderweg naar Madras opnieuw te ontmoeten. Als hij haar inderdaad badend in een vijver bij een chauderi aantreft, is hij niet meer te houden: ‘Mamia, riep ik overluid, geliefde Mamia! Zie ik u eindelijk weder; ach! Hoe dikwijls heb ik aan u gedacht! – Meer kon ik niet spreken, de tranen schoten in mijne oogen, en ik bleef onbeweeglijk voor haar staan.’ Mamia stamt uit een geslacht van genezers en maakt een papje voor zijn hand, dat heilzaam werkt, maar uiteindelijk niet effectief genoeg blijkt te zijn. In Madras aangekomen, gaat Haafner naar de bevriende arts Beisser, die hem geneest door alleen het topje van een middelvinger te amputeren.
Als Mamia en Haafner elkaar opnieuw treffen in Madras, kan Haafner zijn geluk niet op. Hij brengt veel tijd met haar door. Ze maken uitstapjes en ‘de avond vermaakten wij ons met het chandingra, of schaakspel, dat zij zeer kunstig speelde. (..) Intussen werd het avondmaal niet vergeten, dat zij onder dit praten en zingen evenewel te regt maakte. Als het gereed was, noodigde zij mij met haar altijd lachend, vriendelijk gelaat op de mat, waarop zij de eenvoudige geregten geschaard had, plaats te nemen. Wie gevoelt, wie is in staat de bekoorlijkheid van zulk een maal te beschrijven? De liefde, het vergenoegen, de tevredenheid, met welke wij hier bij elkander zaten.’
Maar zijn geluk met Mamia is geen lang leven beschoren. Als ze met behulp van een klein bootje door de branding heen bij een groter schip aan boord willen gaan, dat voor anker is gegaan, kapseist het scheepje. Het is, tegen de wens van Haafner in, te zwaar beladen met goederen door een Engelse officier. Ze springen samen overboord. Mamia redt Haafner, die onder water getrokken wordt door een vrouw die zich aan zijn benen vastklampt. Maar zijzelf wordt door een groot stuk hout geraakt en overlijdt korte tijd later aan de gevolgen. Ze heeft Haafner gevraagd of hij uit liefdesbetoon zelf de houtstapel voor haar crematie wil aansteken en hij eerbiedigt haar wens.
Na Mamia’s dood vindt Haafner, dat hij niets meer te zoeken heeft in India. Na een lang tussenverblijf op Mauritius, waar hij een zware orkaan overleeft, keert hij in 1787, 33 jaar oud, een liefde armer en een desillusie rijker, definitief terug naar Nederland. Hij trouwt, krijgt twee zonen, maar kan amper werk vinden. Op het laatst leeft hij, terwijl hij zijn verhalen en verhandelingen op papier zet, als een nagenoeg berooid man, tot hij in 1809 overlijdt.

(Lex Veldhoen)

Lees het volledige artikel, met illustraties, in de jongste G-Geschiedenis. Nu overal te koop!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder