Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De eerste Afrikaanse predikant

01 juli 2013 [412] Olivier Keun

Bij de recente pauskeuze was kardinaal Turkson uit Ghana een van de kanshebbers. Ook de eerste zwarte predikant kwam uit dat stukje Afrika, toen nog de Goudkust geheten, waarmee Europa, aangetrokken door goud, ivoor en slaven, de vroegste contacten had. Na veel Glanz und Gloria, eindigde de carrière van Jacob Capitein in een drama. ‘Geld? Ik heb het niet, verkoop mijn bed. Het is geen schande. Laat ongerust wezen diegenen die geld moeten hebben, maar niet diegenen die geld schuldig zijn.’

Of nog, ‘Wat meent Van Buuren wel, dat ik mijn tafel zal verminderen en mijn buik te kort zal doen om zijnentwil. Neen, dat nooit, dat nooit!’ In december 1746 weerde de predikant zich nog als een duivel in een wijwatervat, maar het einde was nabij.
Een Zeeuwse scheepskapitein, Arnold Steenhart, kocht rond 1725 een slavenjongetje in Elmina en schonk dit later aan Jacob van Goch, een koopman van de West-Indische Compagnie. Die noemde het slaafje Capitein, geïnspireerd door zijn milde schenker misschien, en nam hem mee naar het moederland. Van Middelburg trok hij ermee naar Den Haag, waar de knaap Nederlands leerde, later ook Latijn en Grieks, tot Hebreeuws toe. Vier jaar na aankomst werd hij in de kloosterkerk van Den Haag gedoopt als Jacobus Elisa Joannes. In zes jaar doorliep hij met succes het Haagse gymnasium en hield daarna een opmerkelijke redevoering over ‘De Roeping der Heidenen’. De investering was niet voor niets geweest: Jacobus was een briljant student en een bevlogen spreker, een grote toekomst wachtte hem. Op z’n twintigste schreef de rector-magnificus van de Leidse universiteit hem in als theologiestudent.

Zwart proefschrift

In 1742 promoveerde Jacob Capitein met een Latijnse scriptie die insloeg als een bom. Daarin verdedigde hij de stelling dat de slavernij niet strijdig was met het christelijk geloof. Sterker nog, precies dat systeem was het beste instrument om het christendom in Afrika te verspreiden, stelde hij in zijn ‘Staatkundig- Godgeleerd Onderzoekschrift over de Slaverny als niet strydig tegen de Christelyke Vryheid’. Onder meer citerend uit een brief van Paulus – ‘Waar de geest des Heren is, daar is vrijheid’ – meende Jacob dat de evangelische vrijheid een geestelijk gegeven was en bijgevolg uitstekend verenigbaar met iets lichamelijks als de slavernij. Zijn ongewoon betoog werd terstond in het Nederlands vertaald en kreeg nog in hetzelfde jaar vier herdrukken. De voorstanders van de slavenhandel klonk het als muziek in de oren. Die hadden nooit een goed oog gehad in de missionering van hun wingewest. In de zwarte dominee vonden ze plots een gedroomde pleitbezorger: een vroegere slaaf die zelf het systeem van de slavernij verdedigde. Echt nieuw waren Jacobs ideeën niet. Anderen hadden reeds betoogd dat de slavernij in feite een bevrijding was: ‘En mocht zo’n handel al tegen de borst stuiten omdat hij mensonwaardig zou zijn, wees er dan zeker van dat gij, door op de kusten van Afrika arme mensen op te kopen die in hun land slechts het gruwelijkste lot zouden kennen, deze miserabelen in feite uit hun ketens breekt om ze over te dragen aan minder wrede naties.’

Zie deez Moor

Van dan af liep het storm voor Capiteins preken, iedereen wou het fenomeen zelf zien en horen. Portretten werden getekend, lofgedichten geschreven: ‘Aanschouwer, zie deez Moor, zijn vel is zwart maar wit zijn ziel’. Veel tijd om op Nederlandse bodem te schitteren, werd hem echter niet gegund. Nog in het jaar van zijn proefschrift werd Jacob tot predikant op het slavenkasteel Sint-George d’ Elmina aangesteld. Daar zou hij als predikant-ziekentrooster de geestelijke zorg van alle residenten moeten behartigen, niet enkel in Elmina maar ook in de veertien andere Hollandse factorijen van de WIC aan de Goudkust, en uiteraard moest hij ook de inlanders bekeren. Van zijn blanke collega’s zat niemand te springen om een postje aan de Goudkust, berucht voor zijn moorddadig klimaat en vreselijke ziekten – de functie van predikant was er toen al acht jaar vacant. Op 8 oktober 1742 arriveerde Jacob Capitein terug in Elmina. Waar hij veertien jaar eerder als slaafje was weggevoerd, werd hij nu persoonlijk door directeur-generaal Jacob de Petersen hartelijk verwelkomd. Die schreef twee weken later aan de WIC-directie in Amsterdam dat ‘Jacob qua karakter en begaafdheid zeer goed voldeed, en dat hij een heilzamer effect zou kunnen hebben dan men ooit had durven dromen.’

135 kantjes haring

Fort Elmina was door de Portugezen in 1482 gebouwd als voorpost voor de goudwinning, maar in 1637 kwam het in handen van de Nederlanders die er een goed georganiseerd slavendepot van maakten, voor de verscheping van slaven naar hun kolonies in de Nieuwe Wereld. Met een salaris van honderd gulden per maand, plus vier rijksdaalders voor een eigen dienaar, bekleedde Capitein er, officieel althans, de tweede plaats, onmiddellijk na de directeur-generaal. Als rantsoen kreeg hij om de veertien dagen twaalf pond vlees, zes pond spek, vier en een halve kan bonen, erwten en gort, één en een achtste kan olie, drie vierde kan azijn en 135 kantjes haring. Op 21 oktober hield hij zijn ‘intree-predikatie’, in 1744 te Leiden en Amsterdam verschenen onder de titel ‘Het grote genadeligt Gods’, en twee maal in de week hield hij een bijbellezing of een preek, waar slechts weinigen op afkwamen; velen van de residenten waren immers katholiek of luthers gezind.
Hij stichtte er tevens een religieus schooltje voor de negerkinderen en de halfbloeden of tapoeijers, waar dagelijks zo’n twintig leerlingen op af kwamen, ‘soo zwarten als afzetsels van blancken’. De inlanders voelden er weinig voor om hun kinderen te sturen en allerminst nog hun dochters, omdat ze vreesden dat die dan niet langer met de blanken zouden kunnen ‘calacheren’. Op 15 februari 1743 stuurde Jacob een uitvoerige beschrijving van de ‘Kerk- en School Staet van Sint-George d’ Elmina’ naar de directie in Amsterdam, maar kreeg er een jaar lang geen antwoord op. In hetzelfde jaar vertaalde hij het Onze Vader en de Tien Geboden in de ‘negertaale’, een eerste test om uit te maken ‘of deze taal in haar geheel schryvbaer zy’. Petersen meldde het trots aan Amsterdam en vroeg om het in druk te laten verschijnen. De vertaling werd inderdaad gedrukt te Leiden, maar kreeg heel wat kritiek, op de eerste plaats van de Classis, de theologische hogeschool in Amsterdam, die tot haar groot ongenoegen buiten de hele zaak was gelaten.

Glazen doodkist

Vrij snel drong Capiteins reputatie door tot aan het hof van Opuku Ware, de koning van de Ashanti’s en bondgenoot in de slavenhandel. Onder de indruk van de resultaten die de opvoeding van de Afrikaan in Nederland had opgeleverd, zond Opuku twaalf jongens en twee meisjes van Kumasi naar directeur-generaal Petersen met het verzoek hen naar Holland te sturen. Om de reis- en studiekosten te dekken gaf hij hen tien olifantentanden mee. Petersen van zijn kant vond het niet raadzaam om de WIC-directie in Amsterdam met veertien koningskinderen op te zadelen en stelde voor om ze, dichter bij huis, in het schooltje van de dominee op te leiden. De koning ging hiermee akkoord, maar verzocht toch met aandrang de tien ivoren slagtanden als geschenk aan de directeurs te mogen aanbieden. In ruil wenste hij een doodkist ‘met glaase vensters of schuyven’, opdat men hem na zijn dood, in volle tooi en met veel gouden opsmuk, van alle kanten zou kunnen bewonderen. Op 1 mei 1744 stelde Jacob Petersen de directeurs van de hele overeenkomst op de hoogte en onderstreepte dat de Compagnie er, met het oog op ‘den slaafschen handel’, alle belang bij had om de Ashanti-koning te vriend te houden.

Open einde

Op dat moment was Capiteins geloofsijver al danig bekoeld. Hij had alles gedaan wat hij kon om meer kinderen naar zijn klas te lokken, zonder resultaat, en ook met het religieuze leven in Elmina was het treurig gesteld. Hij constateerde ‘een grote lusteloosheid tot de dienst des heren’. Bovendien was zijn verzoek om een zwarte (ongedoopte) vrouw te mogen huwen, geweigerd. Om zijn moreel weer op te krikken, stuurden de directeurs heel wat versnaperingen en vooral ‘een Europeesche christen jonge dogter’, Antonia Ginderdros uit Den Haag. Na de eerste zwarte student van Leiden, en de eerste zwarte predikant, werd hij nu ook de eerste zwarte die een blanke vrouw zou huwen.

(André Capiteyn)

Het hele artikel lezen, en de mooie afbeeldingen bekijken: koop nu G-Geschiedenis!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder