Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Massale volksopstand in de DDR

16 juni 2013 [412] Olivier Keun

Op 17 juni 1953 brak in de DDR een spontane volksopstand uit tegen de verlaging van de lonen, het verhogen van de prestatie-eisen en tegen de onmondigheid van de bevolking. In dit arbeidersparadijs gingen miljoenen arbeiders de straat op om te vechten voor hun rechten. Tot de Sovjet-tanks verschenen.

In 1946 werd de Sozialistischer Einheitspartei Deutschlands opgericht in het Sovjet-deel van Duitsland, het voormalige middendeel van het land, na de oprichting in 1949  DDR. Eerste secretaris (men wilde geen leiders meer en benoemde daarom geen voorzitter) werd Walter Ulbricht. In juli 1952 hield de partij een conferentie en besloot de opbouw van het socialisme in dit deel van Duitsland exact het Sovjet-voorbeeld te volgen.

Boeren met meer dan honderd hectare werden onteigend, de complete industrie en tenslotte de hele samenleving genationaliseerd en onder het bewind van de planeconomie gebracht. Wat mede aanleiding werd voor de opstand was de afgesproken ‘Verhoging van de productiviteit’ als belangrijkste voorwaarde voor het land om verder te komen. Zonder rekening te houden met de omstandigheden werden de normen met tien procent verhoogd, wat al begin 1953 leidde tot fricties met de arbeiders, stakingen, demonstraties en molestaties van functionarissen van de SED.

De dood van Stalin, op 5 maart 1953, leidde in de DDR tot forse hervormingen, onder meer de instelling van gedwongen collectivisering. Dat heette ‘Nieuwe Koers’. Om de crisis te overwinnen, kwamen de hervormingen te laat, maar de partijleiding zette des te harder door met de ‘Opbouw tot de socialistische staat’. De financiering daarvan moest, hoe dan ook, komen van de verhoging van de productiviteit. Aan zelfkritiek deed de regering niet.

Op 16 juni verscheen een artikel van Otto Lehman van de gelijkgeschakelde vakbond over de bezwaren tegen de productiviteitsverhoging: daaraan moest onverkort worden vastgehouden. Dit schoot de Oost-Berlijnse arbeiders in het verkeerde keelgat. Een paar honderd bouwvakkers in de wijk Friedrichshain ondernamen een spontane demonstratie waar almaar meer mensen aansloten, vooral in de Stalinallee. Dat was pijnlijk, want dit was een etalage-straat voor het bewind.

De demonstranten trokken op naar het bureau van de vakbond en, toen daar niemand bleek te zijn, naar de ambtswoning van minister-president Otto Grotewohl, het zogeheten Huis der Ministeries. Daar aangekomen, was de massa aangezwollen tot zo’n 10.000 mensen. Fritz Selbmann, minister voor Zware Industrie, probeerde een toespraak te houden, maar hij werd weggejoeld. Onder druk van de situatie vroeg de plaatselijke partijleiding aan het politbureau om de normverhoging ongedaan te maken. Dat lukte, de concessie werd meegedeeld waarop de demonstranten eisten dat zowel Grotewohl als Ulbricht zouden verschijnen. In afwachting daarvan hielden enkele demonstranten toespraken waarin werd geëist dat de prijzen zouden dalen, de regering zou aftreden en dat er vrije verkiezingen zouden worden gehouden. Met slogans als ‘Spitzbart, Bauch und Brille, sind nicht des Volkes Wille!’ (Ulbricht en president Wilhelm Pieck) groeide het aanvankelijk kleine protest uit tot een volksopstand.

Toen de demonstratie verliep namen de stakers een luidsprekerswagen van de SED in bezit, waarmee ze vervolgens door de straten reden, de bevolking tot een algemene staking oproepend voor de volgende dag, 17 juni 1953. Een radiostation (RIAS) in de Amerikaanse sector zond de aanvullende eisen van de arbeiders uit: uitbetaling van de lonen volgens vroegere normen, onmiddellijk prijsdalingen, vrije en geheime verkiezingen en geen vervolging van de stakers.

Blijkbaar maakte één en ander weinig indruk op de machthebbers. Grotewohl hield nog die 16de juni een toespraak en repte met geen woord over de gebeurtenissen.
Ondanks de stromende regen verzamelden zich in de vroege ochtend van 17 juni duizenden mensen op de Strausberger Platz. In de loop van de dag kwamen uit alle richtingen optochten naar het stadscentrum. Tegen negen uur stonden tienduizenden mensen in de regeringswijk. Anders de dag ervoor was nu de toon een stuk politieker. Her en der waren snel spandoeken voorzien van krasse eisen. De sfeer werd onvriendelijker, er ontstonden vechtpartijtjes met Volkspolizisten en her en der werden overheidsgebouwen aangevallen en branden gesticht. Zelfs het rode banier op de Brandenburger Tot werd in brand naar beneden gehaald en verscheurd, partijbonzen werd afgeranseld, partijkantoren bestormd. De SED leek de controle volledig kwijt te zijn en toen restte nog slechts één hulp: de Sovjetunie.

Om één uur ’s middags riep generaalmajoor Dibrowa, de militaire commandant van de Sovjet-sector in Berlijn, de noodtoestand uit. Elke samenscholing van drie of meer mensen werd verboden, na negen uur ’s avonds gold een straatverbod. Om de boodschap kracht bij te zetten stuurde de Sovjets maarschalk Wassili Sokolowski, stafchef van het Sovjet-leger, naar het crisisgebied. Dat moest de opstand de kop indrukken. Die hoop bleek ijdel. Weliswaar reden Sovjet-tanks door de straten en lieten Sovjet-troepen zich zien, een temperende werking op de opstand had dit geenszins. De eerste doden onder de demonstranten vielen, de tanks werden met primitieve wapens belaagd, er werd met stenen gegooid en van de tanks werden de antennes afgebroken.

Ondanks de enorme overmacht aan wapens duurde het verbazend lang voordat de Sovjet-pantsers en de Volkspolizei de situatie onder controle kregen. Om negen uur ’s avonds waren de kruispunten bezet door Sovjet-soldaten. De DDR-partijbonzen stonden intussen doodsangsten uit: om hun machtspositie, maar om hun persoonlijke hachje. Slechts een enkeling uitte zijn onvrede over de Sovjet-tanks in de straten van Berlijn. Ook elders in de DDR was de bevolking de straat opgegaan om te protesteren. Her en der ontspoorde dat in plunderingen en het doden van politiemensen. Ook werden gevangenissen bestormd en gevangenen bevrijd.

De DDR had het zonder massieve inzet van het Sovjet-leger zeker niet gered, daarvoor was de opstand te groot en te agressief, te vastbesloten. De eisen van de opstandelingen zouden pas 37 jaar later ingewilligd worden. Officiële DDR-tellingen spraken nadien van protesten in 272 van de 10.000 gemeenten en een aantal van 300.000 stakers (5,5% van de werkenden). Meer neutrale tellingen komen op 373 gemeenten en schatten het uitdijen over het boerenland ook hoger in. Gestaakt werd er door een half miljoen mensen, terwijl zo’n drie à vier miljoen de straat opgingen. Zowel in aantal als verspreiding kan men daarom met recht spreken van een volksopstand.

De staatsorganen van de DDR kwamen met de gebruikelijke diskwalificaties: ‘onbesuisde buitenlandse agenten’ hoorden tot de onruststokers, er was sprake van ‘misdadige West-Berlijnse provocaties’ en zeker was hier een ‘fascistische putsch’ aan de hand. Dat laatste was aantoonbaar onzin, want de opstand was spontaan, niet centraal gestuurd en brak op honderden plekken uit, zonder enige coördinatie of leiding. Dat was ook de reden dat de beweging weer snel uit elkaar viel.

Over het aantal doden zal wel nooit zekerheid zijn: de schattingen lopen uiteen van 25 tot 569, 125 zijn geteld, waarvan 48 standrechtelijk doodgeschoten. Onder hen achttien Russische soldaten die weigerden op de demonstranten te schieten. Maar de Sovjets gingen niet zo wreed tekeer als in het Westen werd voorgesteld. De opstand maakte enorme indruk in beide Duitsland en kerfde diep in het bewustzijn van het land. Duidelijk was geworden dat de dictatuur van de SED zich zonder de USSR niet kon handhaven. Het bewind sloeg hard toe: alle twijfelaars in eigen gelederen werden verwijderd, 1.400 politieke gevangenen opgesloten. Op 18 juni maakte de Sovjet-bevelhebber in Berlijn bekend dat Willi Göttling standrechtelijk was doodgeschoten vanwege zijn rol tijdens de opstand.

Tegenover de harde repressie werden wel de oude lonen hersteld en in oktober werden prijsverlagingen doorgevoerd van 10 tot 25 procent. Een jaar later verlaagde de USSR de kosten van haar bezetting. Ondanks een duidelijk herstel van het levenspeil vluchtten in 1953 331.000 mensen naar het westen, in 1954 184.000 en in 1955 nog altijd 252.000.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder