Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Roekeloze ontsnapping in 1876

03 juni 2013 [412] Olivier Keun

Het plan dat ze bedachten was even roekeloos als onuitvoerbaar: een 19de-eeuwse overval gedetailleerd en absurd zoals het script van de film Ocean’s Eleven. Drijvende krachten waren een Ierse katholieke nationalist met een schuldcomplex die door de Britten veroordeeld was maar naar Amerika vluchtte, en een Amerikaanse walviskapitein, een protestant uit New Bedford Massachusetts die niks van doen had met de zaak van de Ier, maar domweg pal stond voor ‘elke goede zaak’.

Samen met een derde –een Ierse geheim agent die zich voordeed als een Amerikaanse miljonair- bedachten ze een plan om met een zwaarbewapende bemanning de halve wereld rond te varen naar Fremantle Australië om daar een half dozijn Ieren te bevrijden uit één van afgelegenste en onbereikbare forten ooit door mensenhanden gebouwd.
De uitvoering vergde maanden van voorbereiding, heel precieze timing en meer dan een beetje geluk. Ze waren ervan bewust dat de minste tegenslag in een catastrofe zou uitlopen. Tegen de tijd dat de ‘Fremantle Six’ de haven van New York binnenvoeren, in augustus 1876, was al een jaar voorbijgegaan nadat het plan in uitvoering was gegaan. De mythische ontsnapping was wereldnieuws en een enorme stimulans, decennia achtereen, voor de Irish Republican Brotherhood in zijn gevecht voor Ierse onafhankelijkheid.
Het verhaal begint met een brief die in 1874 werd gestuurd naar John Devoy, een voormalig aanvoerder van de Irish Republican Brotherhood, bekend als de Fenians. Devoy, in 1842 geboren in Kildare, had duizenden geboren Ierse soldaten uit Britse regimenten in Ierland gerekruteerd in de hoop dat het Britse leger zich tegen de eigen commandanten zou keren. In 1866, toen de Fenians over 80.000 geheime manschappen beschikten, werd het plan verraden en Devoy gearresteerd en veroordeeld tot vijftien jaar werkkamp. Na vijf jaar werd hij naar Amerika verbannen, werd daar journalist bij de New York Herald en raakte betrokken bij de clan na gael, het geheime genootschap van de Fenians in Amerika. Devoy was in New York toen hij in 1874 de brief kreeg van gevangene James Wilson. ‘Bedenk dat dit een stem uit het graf is’ schreef Wilson, Devoy er aan herinnerend dat zijn oude Ierse recruten nu al acht jaar in miserabele omstandigheden in gevangenissen wegkwijnden. Ze waren inmiddels beland in Fremantle, ‘in het aangezicht van de dood in een Britse kerker’.
Onder de honderden Ierse gevangenen in Australië hoorde Wilson tot de zeven vooraanstaande Fenians die waren veroordeeld voor hoogverraad tot de dood door de strop maar vanwege omzetting door de koningin nu hun leven sleten in hardvochtige werkkampen. Na te zijn gebrandmerkt met een ‘D’ voor ‘deserter’ (verrader) moesten de Ieren in de branden zon stenen hakken voor de aanleg van wegen. ‘We houden dit niet lang meer vol’ schreef Wilson.
Devoy kreeg ook te maken met een andere Fenian, John Boyle O’Reilly, die gelijk met Wilson in Fremantle was aangekomen om verder te worden getransporteerd naar Bunbury, een andere gevangenis in het westen van Australië. O’Reilly werd wanhopig, desperaat en suïcidaal en sneed zijn polsen door, maar een medegevangene redde zijn leven. Enkele maanden later wist O’Reilly met behulp van een plaatselijke katholieke priester te ontsnappen door de oceaan op te roeien en daar een Amerikaanse walvisvaarder te bewegen hem aan boord te nemen. Hij voer mee naar Amerika, werd daar nota bene dichter, journalist en redacteur bij de katholieke Boston Pilot. Hij kreeg wroeging over het achterlaten van zijn Fenian-kameraden en kreeg John Devoy zo ver om in actie te komen.
Dit zetje had Devoy nodig: het was dus tóch mogelijk om te ontsnappen! O’Reilly had het bewezen. En hij moest gehoor geven aan de brief van Wilson. Devoy had hen immers geronseld voor de Ierse zaak en vanwege het doorslaan van een enkeling was de hele groep ten dode opgeschreven. De verantwoordelijkheid van Devoy was kraakhelder. Op een clan na gael-bijeenkomst in New York las Devoy de brief van Wilson voor: ‘als we nu verzaken, zijn we op slag vriendenloos’. Groot was het enthousiasme om in actie te komen en spoedig waren duizenden dollars ingezameld voor een reddingspoging. Het plan was om eenvoudigweg zwaarbewapend naar de Australische kust te varen, de gevangenis op te blazen en de Ieren mee te nemen. Maar bij nader inzien kon dit slimmer. Hij overtuigde een protestantse zeeman met walviservaring, George Smith Anthony, van de goede zaak van vrijheid en onafhankelijkheid. Anthony stond al snel op het standpunt dat de Fenians geen criminelen waren en toen Devoy hem een flink deel van de eventuele walvisvangst onderweg toezegde, hapte Anthony toe. Om de hele samenzwering geheim te houden zou het gezelschap aanmonsteren op de walvisvaarder Catalpa; volgens Devoy was dit de enige manier om de Britten om de tuin te leiden. Het vangen van walvissen was trouwens sowieso noodzakelijk om alle kosten te kunnen betalen. Die haalden zeker de 20.000 dollar (uiteindelijk 30.000).
Devoy had hulp nodig op het vasteland van Australië en charterde daarvoor John James Breslin, een zwaarbebaarde Fenian geheim agent en deze zou ruim voor de Catalpa aankomen als James Collins, een Amerikaanse miljonair, om uit te vinden hoe het precies zat met de logistiek rond de gevangenis. Hij ontdekte al spoedig dat het fort er middeleeuws uitzag en was omgeven door een enorme woestenij, een onbarmhartig stuk oer-natuur. Naar het oosten woestijn en rotsgrond zover het oog kon zien, in het westen van haaien vergeven water. Maar wat hij ook ontdekte was de lakse bewaking, zonder twijfel veroorzaakt door de onwelkome omgeving. Met als smoes kansen voor investeringen, bracht Breslin verschillende bezoeken aan de gevangenis, vooral met vragen naar goedkope arbeid. Tijdens één van die bezoeken wist hij de gevangen Fenians duidelijk te maken dat een ontsnappingsplan in de maak was: blijf uit de problemen en voorkom solitaire opsluiting en daarmee het risico niet mee te kunnen bij een vlucht. Er zou maar één kans komen.
Het duurde negen maanden voordat de Catalpa bij Bunbury aankwam. Kapitein Anthony had het onderweg flink voor de kiezen gekregen: ondeugdelijke navigatie-apparatuur, slecht weer. Bunkerend op de Azoren hadden zes bemanningsleden de benen genomen en het kostte vanzelfsprekend tijd om die adequaat te vervangen. Het walvisvangen werd een drama: ze waren te laat. Maar goed, financiële tegenslag was wel de laatste zorg.
Toen Breslin en Anthony elkaar ontmoetten, ontstond een plan. De Fenians werd doorlopend op andere klussen gezet, maar om de ontsnapping tot een succes te maken, moesten ze op een bepaald tijdstip wel allemaal op dezelfde plek zijn, buiten de muren uiteraard. Wie op dat moment elders was, binnen bijvoorbeeld, was gedoemd, kon niet mee. Wat de boel compliceerde was dat plots twee Ieren in Fremantle opdoken. Breslin dacht meteen aan Britse spionnen, maar al snel bleek dat ze waren afgekomen op een noodoproep van de Fenians en ‘iets’ wilden doen. Dat kwam mooi uit en zij zouden op het beslissende moment de telegraaflijn naar Perth doorknippen.
Op zondag 15 april 1876 stuurde Breslin de Fenians een boodschap: ze zouden de volgende morgen naar de Catalpa gaan: ‘We hebben geld, wapens, en kleren’, schreef hij, ‘laat niemands moed hem verlaten’. Anthony verplaatste zijn schip tot juist buiten de territoriale wateren van Australië. Zo’n dertig kilometer verderop lag een roeiboot klaar, waar de Fenians heen moesten. Op de ochtend van de 16de sneden de Ieren zoals afgesproken de telegraafdraad tussen Fremantle en Perth door, Breslin had paarden, wagens en wapens klaar bij het rendez vous-punt maar met hoeveel de Fenians zouden komen, daar had hij geen enkele zekerheid over.
Bij de eerste beste keer dat het geluk nodig was, werd Breslin de afloop duidelijk:
–Thomas Darragh was buiten aardappelen aan het rooien, zonder toezicht
–Thomas Hassett en Robert Cranston praatten zich een weg naar buiten
–Martin Hogan was het huis van een toezichthouder aan het verven
–Michael Harrington en James Wilson hadden succes met het verhaal dat ze nodig waren bij het huis van de directeur.
Kort daarna zag Breslin de zes Fenians naderen. Het hadden er zeven moeten zijn, maar de anderen namen nu wraak voor een poging van verraad door James Jeffrey Roche, tien jaar geleden. In ruil voor een lichtere straf was hij toen bereid met de Britten samen te werken, zo legde Anthony later uit. De Britten weigerden uiteindelijk, maar voor Roche was het kwaad geschied. Eenmaal op de wagen werden de paarden afgepeigerd om zo snel als mogelijk de dertig kilometer langs de kust af te leggen om bij de roeiboot te komen.
Het duurde een uur voor de ontsnapping werd opgemerkt. De Ieren bereikten de roeiboot waar Anthony en zijn mannen ongeduldig wachtten. Ze moesten nog urenlang roeien om bij het moederchip te komen, maar ze waren amper van wal toen bereden politie langs de kust verscheen, samen met een stel verkenners. Niet veel later kwam een stoomboot aanzetten, gestuurd door de Royal Navy, om de roeiboot te onderscheppen. De race was begonnen. De mannen roeiden als bezetenen, op de huid gezeten door Britten met karabijnen. Om de mannen tot haast aan te zetten, las Breslin de brief voor die hij zojuist had gestuurd naar de Britse gouverneur van West-Australië:

This is to certify that I have this day released
from the clemency of Her Most Gracious Majesty
Victoria, Queen of Great Britain, etc., etc., six Irishmen,
condemned to imprisonment for life by the
enlightened and magnanimous government of Great
Britain for having been guilty of the atrocious and
unpardonable crimes known to the unenlightened
portion of mankind as ‘love of country’ and
‘hatred of tyranny;’ for this act of ‘Irish assur-
ance’ my birth and blood being my full and
sufficient warrant. Allow me to add that in taking
my leave now, I’ve only to say a few cells I’ve emptied;
I’ve the honor and pleasure to bid yon good-day,
from all future acquaintance, excuse me, I pray.
In the service of my country,
John J. Breslin.

Dat gaf de mannen moed, zeker toen de Catalpa in de verte opdoemde. Maar de stomer Georgette kwam akelig dichtbij, toen de wind aanwakkerde, teken dat een storm op til was. Het begon intussen aardig te schemeren en de steeds zwaardere golfslag beukte over de overbeladen roeiboot. Kapitein Anthony bleef onverschrokken en vol zelfvertrouwen.
Toen het de volgende ochtend licht werd, verscheen opnieuw de Georgette die meteen koers zette naar de Catalpa. De kapitein van de Georgette vroeg toestemming aan boord te komen, waarop Sam Smith van de Catalpa stevig ontkennend reageerde. De Georgette moest nu rechtsomkeerd maken, wilde het niet stuurloos prooi van de wilde zee worden wegens gebrek aan brandstof. Nu zag Anthony zijn kans en zette alles op alles om de walvisvaarder te bereiken voordat een kustwachter daar was. Dat lukte ternauwernood en de Catalpa maakte onmiddellijk vaart.
Nu leek toch alle geluk opgebruikt want het schip was amper met de steven afgewend van de kust, of de wind viel weg en de Catalpa viel stil. De volgende ochtend was daar opnieuw de Georgette, nu met een twaalfponds kanon. De Fenians grepen naar de wapens: liever vechtend de dood tegemoet dan terug naar het werkkamp. Na een korte woordenwisseling gaven de Britten Anthony een kwartier alvorens diens masten van het dek te schieten. Deze wees daarop op de ‘stars and stripes’ in het want, zei dat hij zich op hoogzee bevond, in internationale wateren en dat de Britten op een Amerikaanse vlag zouden schieten op neutraal terrein. Terwijl de Britten weifelden, stak de wind weer op en Anthony greep zijn kans, liet de zeilen hijsen en zette koers westwaarts, nog enkele uren achtervolgd door de Georgette. Tenslotte gaven de Britten op en waren de Fenians vrij.
Vier maanden later arriveerde de Catalpa in de New York, verwelkomd door duizenden in een Fenians-processie naar Broadway. John Devoy, John Breslin en George Anthony werden als helden binnengehaald en het nieuws van de spectaculaire ontsnapping uit Fremantle ging over de wereld. In de Britse pers werden de Verenigde Staten beschuldigd te heulen met terroristen.
De Fremantle Six waren dan wel vrij, ze bleven gebroken mensen. Devoy had hen als moedige soldaten gekend, en was niet voorbereid op wat tien jaar eenzame opsluiting, vernedering en lichamelijke uitputting door de Britten een mens kan aandoen. Maar de zaak van de Ieren had een grote opsteker gekregen en de ontsnapping inspireerde generaties achtereen:

So come you screw warders and jailers
Remember Perth regatta day
Take care of the rest of your Fenians
Or the Yankees will steal them away.

(Smithsonian/Siebrand Krul)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder