Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Het Rijksmuseum als nationaal symbool

24 maart 2013 [412] Olivier Keun

Op 13 april opent koningin Beatrix in Amsterdam het compleet verbouwde, gerenoveerde en gerestaureerde Rijksmuseum. Bij deze verbouwing, die in plaats van de geplande 4,5 jaar maar liefst tien jaar duurde, zijn de oorspronkelijke stijlelementen van architect Pierre Cuypers weer in ere hersteld. Maar voordat op de huidige locatie het Rijksmuseum op 13 juli 1885 officieel de deuren opende, was er sinds de oprichting ervan in 1798 al veel water door de Amstel gestroomd.

De officiële oprichting van de Nationale Kunstgalerij (zoals het Rijksmuseum in de beginjaren genoemd werd) op 19 november 1798 vond in een turbulente periode plaats. Een paar jaar daarvoor was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door Franse troepen onder de voet gelopen en stadhouder Willem V halsoverkop naar Engeland gevlucht. Met de oprichting van de Bataafse Republiek werd het signaal afgegeven dat nieuwe tijden waren aangebroken. Onder Franse druk werd de federalistische structuur afgezworen en gekozen voor een eenheidsstaat. In de grondwet die in mei 1798 in werking trad, stond zwart op wit te lezen dat de Bataafse Republiek één en ondeelbaar was.

Volksverlichting
Er werden tal van besluiten genomen en instellingen opgericht die tot doel hadden het gevoel van eenheid en onderlinge lotsverbondenheid te versterken: de opdracht om een officiële Nederlandse spelling te ontwerpen, de oprichting van de Nationale Bibliotheek, het Bureau voor den Waterstaat en een landelijk postsysteem zijn maar enkele voorbeelden uit een lange lijst. In een poging de bevolking een nieuw besef van saamhorigheid bij te brengen, koos het nieuwe bewind voor een minder polariserende benadering van het vaderlandse verleden. De bewoners van alle gewesten en aanhangers van alle gezindten moesten zich er thuis kunnen voelen. Het was de verdienste van de toen 32-jarige Isaac Gogel dat, in een poging een nieuw nationaal gevoel te smeden, besloten werd tot oprichting van de Nationale Kunstgalerij. Hij wilde een museum dat een nationale instelling moest zijn waarmee hij – helemaal in de geest van de tijd – ‘het volk kon verlichten’.
Gogel was in 1798 Agent van Financiën. Het was hem een doorn in het oog dat de Fransen op grote schaal kunstwerken uit de stadhouderlijke paleizen als ‘oorlogsbuit’ naar Frankrijk afvoerden. Hij was evenmin gelukkig met het feit dat andere in beslag genomen bezittingen van de gevluchte stadhouder in openbare veilingen voor een habbekrats van de hand werden gedaan. Gogel beëindigde deze verkopingen en bepaalde dat alle schilderijen en historische voorwerpen op één centrale plaats in Den Haag verzameld moesten worden. Op zijn voorstel werd Huis ten Bosch aangewezen als de vestigingsplaats van het nieuwe nationaal museum.
De nalatenschap van de Oranjes was echter te beperkt en te eenzijdig om een bijdrage te leveren aan de bevordering van het nieuwe eenheidsgevoel. Om tegenwicht aan de talrijke Oranjeportretten te bieden, werden in allerijl portretten van boegbeelden uit de hoogtijdagen van de Republiek (zoals van Johan van Oldenbarnevelt, Piet Heyn en Michiel de Ruyter) aangekocht. In het verwervingsbeleid draaide het niet alleen om portretten: een van de eerste aankopen was De zwaan (van Jan Asselijn). Dit werk werd beschouwd als een allegorie op de politiek van Johan de Witt, in zijn tijd zonder overdrijving de grootste tegenstrever van de Oranjes (en dus een patriottische held die het waard was geëerd te worden).

Naar Amsterdam
Ruimtegebrek door een langzaam groeiende collectie – tussen 1800 en 1806 werden 150 aankopen gedaan – was niet de belangrijkste oorzaak dat de Nationale Kunstgalerij in mei 1805 plotseling Huis ten Bosch moest verlaten. Rutger Jan Schimmelpenninck, die een maand eerder na een staatsgreep alle macht naar zich toe had getrokken, liet zijn oog op het paleis vallen als een geschikt representatief onderkomen. De museumcollectie verhuisde naar het, eveneens in Den Haag gelegen, Buitenhof.
Ook op deze locatie bleef het museum niet lang gevestigd. Lodewijk Napoleon, die in 1806 aan het hoofd kwam te staan van het Koninkrijk Holland, bepaalde dat het hele bureaucratische apparaat en alle staatsinstellingen binnen de wallen van Amsterdam gehuisvest moesten worden. Bovendien wilde hij alle belangrijke culturele instellingen in één nieuw gebouw onderbrengen. Er werden al ontwerpen voor een ‘Paleis van Kunsten en Wetenschappen’ getekend, uiteraard met een brede voorgevel met een classicistisch tempelfront. Vooruitlopend op de realisering van dit bouwplan werd een deel van de collectie alvast naar Amsterdam overgebracht. Het nieuwe museum werd tijdelijk ondergebracht op de tweede verdieping van het Paleis op de Dam.
Ondanks een grondige verbouwing, die bijna een half miljoen gulden kostte, voldeed het midden 17de-eeuwse gebouw op geen enkele manier aan de eisen die aan een museum gesteld mogen worden. Zo moesten de bezoekers eerst 86 treden beklimmen voordat ze de eerste expositiezaal konden betreden. Deze zaal was door zijn hoge wanden en grote vensters voor het tonen van schilderijen weinig praktisch. Een groter bezwaar was dat er in de winter slechts één ruimte verwarmd kon worden. Bovendien bleek dat bij hevige regenval het water vrije speelruimte had. Soms droop het vocht letterlijk van de schilderijen af. Een deel van de doeken rotte daardoor aan de achterkant weg. In de zomer scheen de zon onbarmhartig fel naar binnen en was de lucht veel te droog. De schilderijen krompen dan ‘dermate dat de verw barst en van het verteerde doek afspringt’.
Ook al was de regeerperiode van Lodewijk Napoleon maar een kort intermezzo, het was voor de opbouw van de collectie van het museum wel een belangrijke periode. De directeur-generaal voor Openbaar Onderwijs en Wetenschappen Johan Meerman, in 1807 en 1808 verantwoordelijk voor het museum, klopte zelden vergeefs bij de koning aan als er weer ergens een mooie collectie onder de veilinghamer kwam. Zo gaf hij een keer op één dag (op 6 juni 1808) twee keer zoveel uit als tijdens de Bataafse Republiek in totaal aan aankopen was besteed. Maar de relatie met Parijs verslechterde in 1810 dusdanig snel dat Lodewijk Napoleon het veld moest ruimen en het Koninkrijk Holland bij Frankrijk werd ingelijfd. Van de ambities van het museum bleef weinig over en het was een wonder dat slechts een deel van de collectie naar de hoofdstad van het Franse keizerrijk werd afgevoerd.

Trippenhuis
Na de val van Napoleon brak voor het museum wederom een periode van verwarring en onzekerheid aan. Omdat Den Haag weer het bestuurlijke centrum van Nederland werd, verhuisden veel overheidsinstellingen mee. Het museum was één van de weinige nationale instituten die in Amsterdam achterbleef.
(Cor van der Heijden)

Lees het hele artikel in G/Geschiedenis, nu overal te koop!

Uit Historici.nl:
Martine Gosselink, Hoofd van de afdeling Geschiedenis van het museum, sprak met Johan Kwantes van historici.nl. Ze legde uit hoe de collectie de Nederlandse geschiedenis moet ‘vertellen’ en reflecteert ook op de soms lastige verhouding tussen geschiedenis en kunstgeschiedenis.
Geschiedenis in het Rijksmuseum. Hoe is dat anders dan vroeger?
Het is een kolossaal gebouw en dan denkt iedereen natuurlijk meer ruimte dus meer objecten, maar dat is niet waar. We toonden zo’n 10.000 objecten voorafgaand aan de verbouwing en we gaan terug naar 8000. Maandenlang zijn we bezig geweest met de selectie van objecten , met veel wrijving en veel discussie tot gevolg. Maar dan houd je wel het beste van het beste over. Zo is overigens een gigantische ‘spijtlijst’ van objecten ontstaan. We gaan nu met het Openluchtmuseum werken aan de canonopstelling, dus hopelijk kan een aantal objecten daar naartoe.
Wat voor criteria speelden bij de selectie mee?
Daar hebben we flink over gediscussieerd. Discussie in het Rijksmuseum is altijd spannend, want historici en kunsthistorici kiezen objecten op verschillende gronden. Kunsthistorici gaan doorgaans voor het principe l’art pour l’art, terwijl historici meer aandacht willen vestigen op het verhaal achter het object, het laten zien van de context. Die twee visies staan lijnrecht op elkaar. Met als gevolg dat sommige objecten die voor historici wezenlijk belangrijk zijn en binnen de canon een evidente rol spelen, niet zijn opgesteld omdat ze niet kunnen concurreren met de esthetiek van de kunsthistorische objecten.
Ons credo was: besef van tijd,en gevoel voor schoonheid. Besef van tijd was in de vorige opstelling helemaal niet aanwezig. Nu is dit gelukkig terug. Door de historische context goed weer te geven begrijp je ook de kunsthistorische aspecten van een object, een stroming of een hele periode veel beter.
Voor historici hoeven objecten geen gouden omlijsting te hebben of te concurreren met Vermeer, ons gaat het om de ‘historische sensatie’ van het object zelf. Soms ervaar je die sensatie ook al weet je niet meteen wat iets precies voorstelt. Maar door het kader, de context van de zaal waarin het object zich bevindt openbaart deze zich aan de bezoeker. Andere keren is de betekenis onmiddellijk duidelijk, zoals bij beroemde stukken als de kist van Hugo de Groot of het zwaard van Oldebarnevelt. Maar wij, de historici die hebben meegewerkt aan de opstelling, hopen dat die historische sensatie hoe dan ook overkomt op de bezoeker.
Wat definieer je als ‘historische sensatie’?
De verwondering die je ervaart wanneer je oog in oog staat met een historisch object. Dat je, op het moment dat je ernaar kijkt, je beseft dat een bepaald historisch figuur op die stoel heeft gezeten, of dat die pruik door die persoon is gedragen. Kortom dat je oog in oog komt met het verleden. De persoonlijke link is vaak heel belangrijk. Het is echt. Het bestaat nog. De verwondering.
Is het jullie doel geweest om bij de selectie en opstelling historische sensatie uit te lokken?
Voor ons, de afdeling geschiedenis, wel ja. Wij hebben bijvoorbeeld een vliegtuig aangekocht, een Koolhoven gevechtsvliegtuig, het oudste authentieke Nederlandse vliegtuig. Het is een uniek historisch object, om heel veel redenen. Het is het enige overgebleven vliegtuig uit die periode, het heeft in de Eerste Wereldoorlog voor de geallieerden gevlogen, in plaats van de Fokkers die door de Centrale machten werden gebruikt. Op het moment dat je voelt dat dit apparaat echt heeft gevlogen, er zat echt een piloot in van vlees en bloed die kon schieten; dat willen we overbrengen.
Heeft de collectie jullie ook beperkt in het weergeven van de Nederlandse geschiedenis?
Ja. Doordat niet alle historische objecten kunnen wedijveren met kunsthistorische objecten vallen soms gaten in de tijd. En van bepaalde historische gebeurtenissen hebben we nou eenmaal geen objecten in huis. Dan ga je op zoek naar bruiklenen. Een voorbeeld van succesvolle historisch – kunsthistorische samenvoeging is de zeezaal. De schilderijen van schepen en zeegezichten zijn perfecte voorbeelden van de ontwikkeling in het genre. Die kunnen we prachtig aanvullen met historische objecten, zoals de beker van Chatham, de spiegelversiering van de Royal Charles en het scheepsmodel van de William Rex. Geschiedenis en kunstgeschiedenis sluiten in deze selectie perfect op elkaar aan.
Maar we hebben ook andere zalen, bijvoorbeeld de zaal voor de negentiende eeuw, waar we sterke portretten tonen van Napoleon en Koning Willem I, Koning Willem II, de afscheiding van België, dan zou je een portret van Thorbecke verwachten, maar ja, ons portret van Thorbecke kan niet wedijveren met de andere stukken en vervalt daarom in het niet.
Thorbecke moest daarom weg?
Ja, de discussie was als volgt: we hadden werkgroepen die de selecties voorbereidden. Deze werkgroepen bestreken steeds een eeuw: de werkgroep voor de negentiende eeuw meende dat een portret van Thorbecke niets zegt over democratische omwenteling. Dan zegt een andere werkgroep: ja, maar dit is de man die democratie heeft bewerkstelligd, iedereen kent hem, aan de hand van het portret zou je het verhaal kunnen vertellen. Daar bestond dus een meningsverschil over, los van het feit dat anderen in de werkgroep het portret niet goed genoeg vonden. In de discussie is het portret van Thorbecke dus gesneuveld. Dat vind ik wel een gemis, dat je in een zaal waar geschiedenis en kunstgeschiedenis samenhangt, zo’n concessie moet doen en 1848 helemaal niet meer aan bod komt.
Maar dat klinkt erg negatief: ik ben juist blij dat de samensmelting grotendeels juist wel is gelukt en iedereen grotendeels tevreden is. Dat is een grote prestatie.
Waar ben je het meest tevreden over?
De zogenaamde overzeezalen, elke zaal heeft een hoekzaal, met als thema: ‘meanwhile, what happened somewhere else in the world..?’ Je ziet dan de context van Nederland in de wereld. Daar kunnen wij een rijke gecombineerde collectie laten zien. Artikelen uit de Oost, bijvoorbeeld, die hier werden verhandeld, in combinatie met schilderijen van Batavia, plantages of plattegronden van handelsvestigingen zoals Decima en kolonies zoals Suriname. De samensmelting van kunstgeschiedenis en geschiedenis is in die hoekzalen goed gelukt, en deze geven ook nog een mooie context over wat je daarna gaat zien, namelijk hoe overzeese gebieden Nederland en de Nederlandse kunst beïnvloedden. Met andere woorden: deze zalen geven een totaalbeeld van een stukje historie. Precies wat we beoogden in de nieuwe opstelling.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder