Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

‘De mens wordt vrij geboren’: Jean-Jacques Rousseau

27 februari 2013 [412] Olivier Keun

Als filosoof geloofde hij in het goede in de mens en oefende hij met zijn geschriften grote invloed uit op de politiek en de pedagogiek. Zo onconventioneel en omstreden als zijn opvattingen waren, zo rusteloos verliep ook zijn leven. Napoleon verwenste de dag waarop hij geboren was. Zijn tijdgenoot en tegenstrever Voltaire noemde hem de 'meest boosaardige gek die ooit geleefd heeft'. In werkelijkheid heeft Jean-Jacques Rousseau geen mens kwaad gedaan.

Toegegeven, zijn leven, zijn filosofische en literaire carrière wijzen op een getourmenteerd, door heftige gevoelens beheerst karakter, dat niet het minste begrip voor maatschappelijke conventies op kon brengen. Toch belette dat Rousseau niet om midden in het tijdperk van de Verlichting de vinger op wonden te leggen die tot op de dag van vandaag niet geheeld zijn – wonden die in een geglobaliseerde en vercommercialiseerde wereld misschien nog meer dan ooit schrijnen.
Jean-Jacques Rousseau, geboren op 28 juni 1712 in Genève, was, zoals hij zelf schreef, ‘lang kind’ – in omstandigheden die een ander snel volwassen gemaakt zouden hebben: zijn moeder stierf kort na zijn geboorte, waarna zijn vader en diens jongere zuster de kleine Jean-Jacques opvoedden en inwijdden in de genoegens van het lezen. Toen Rousseau tien jaar oud was, raakte zijn vader verwikkeld in een handgemeen en ontvluchtte uit angst voor een proces de stad. De jongen kreeg eerst een strenge priester tot voogd, later zijn oom. Hij ging als griffier bij de rechtbank in de leer, later als graveur bij een drukker. Maar al snel ervoer hij zijn opleiding als een vorm van slavernij – als dertienjarige had hij al een scherp gevoel voor de wisselwerking van onderwerping en overheersing, die in zijn latere filosofie een centrale plaats in zou nemen.
In 1728 houdt Rousseau het niet langer uit in Genève. Hij trekt door de bergen van de Haute-Savoie en belandt op het landgoed van de dertien jaar oudere Madame de Warens in Annecy, die vele jaren als een tweede moeder voor hem is en later zijn geliefde wordt. Maar Rousseau slaat geen wortels, hij bezoekt Turijn en Paris en onderneemt zwerftochten door Zwitserland en Frankrijk. Nu eens is hij landloper en overnacht onder de blote hemel, dan weer voorziet hij in zijn onderhoud als bediende of huisonderwijzer. Telkens keert hij daarna terug naar zijn adellijke ‘maman’, die in 1735 verhuisd was naar Chambéry. Daar beleeft hij gelukkige jaren in vrijheid; hij musiceert, componeert, leest en schrijft.
Als Madame de Warens op een dag een tweede liaison aangaat, komt er een einde aan hun verhouding. In 1742 begeeft Rousseau zich naar Parijs en werkt in de ‘Académie des sciences’ aan een nieuw muziekschrift waarbij getallen de plaats van noten in moeten nemen – uiteindelijk zonder succes. Rousseau zet zich aan het schrijven van een opera, beproeft zijn geluk aan het toneel – een artistieke doorbraak blijft uit.
Dan leest hij in de herfst van 1749 over een essayprijsvraag van de academie van Dijon met als thema: ‘Heeft het herstel van wetenschappen en kunsten tot een verbetering van de zeden bijgedragen?’ Een vraag die Rousseau niet meer loslaat. Hij gaat er eens goed voor zitten – en wint de prijs. Het maakt de 37-jarige op slag beroemd. En dat terwijl zijn antwoord een slag in gezicht was van al diegenen die in de opkomst van de wetenschappen in de 18de eeuw de aankondiging van een rechtvaardigere maatschappij zagen. ‘Wetenschap, literatuur en kunst spreiden bloemenguirlandes over de ijzeren ketens’ die de mensen terneerdrukken, houdt Rousseau hun voor.
De Verlichting had vrijheid en gelijkheid geëist, maar waar waren de mensen gelijk, waar waren ze vrij? Tot de politiek was de Verlichting nog lang niet doorgedrongen, zo maakte Rousseaus prijswinnende opstel pijnlijk duidelijk.
En daar liet hij het niet bij. Vijf jaar na zijn ‘Discours sur les sciences et les arts’ gaat Rousseau in op een volgende prijsvraag uit Dijon, die dit keer de oorsprong van de ongelijkheid onder de mensen betrof. Het was de introductie van het privé-eigendom, zo stelt Rousseau, die de mens wegrukte uit een gelukkige en eenvoudige natuurlijke staat, waarin moraal, taal en egoïsme niet bestonden: ‘De eerste die een stuk land omheinde … was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Hoeveel misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel nood en ellende , hoeveel verschrikkingen had iemand het mensdom kunnen besparen die de palen uit de grond gerukt … had?’ In de ogen van Rousseau was het dus het privébezit dat de mensen in rijken en armen scheidde. De rijken schiepen staat en wet. Ze gaven de armen werk en dwongen hen daarmee in een afhankelijkheid van waaruit geen weg meer terug naar de gelijkheid van allen zou kunnen voeren.
Wat later de grondleggers van het socialisme zou inspireren, wekte onder Rousseaus intellectuele tijdgenoten vooral verontwaardiging. Voltaire schreef: ‘Nooit is er met zoveel geesteskracht naar gestreefd ons als dieren voor te doen; men voelt de lust om op handen en voeten te gaan lopen als men uw werk leest.’ Dat Rousseaus leuze ’terug naar de natuur’ tot op de huidige dag verkeerd begrepen wordt, is ook aan zijn filosofische tegenstanders te wijten. Rousseau zelf heeft nooit een terugkeer van mens naar wilde gepropageerd. Hij flirtte weliswaar met het geïdealiseerde beeld van oermensen die ‘in generlei morele betrekking stonden, geen plichten kenden ‘ en ‘goed noch slecht ‘ waren, zonder serieuze poging dit beeld historisch te funderen. Maar een wilde was Rousseaus natuurmens niet, omdat hij zijn moraal in zich droeg. Mis ging het pas toen de maatschappij dacht die moraal van buiten af op te kunnen leggen.
In zijn taaie gevecht tegen de philosophes van zijn tijd, ondersteund door vermogende, adellijke vrienden, haalt Rousseau in 1762 uit voor zijn grote slag en schrijft een van zijn beroemdste werken: ‘Het maatschappelijk verdrag of Beginselen der staatsinrichting ‘. Waar hij de rijken en mensen met bezit in 1755 nog verweet dat zij de armen onder het mom van bescherming en gemeenschap nieuwe boeien aanlegden, daar komt hij nu met een oplossing: het maatschappelijk verdrag. Als allen van begin af aan eensgezind en uit vrije wil kiezen voor een gemeenschappelijk, soeverein staatslichaam en iedereen zijn eigendom afstaat, dan zijn gelijke verhoudingen geschapen. Dan kunnen allen in vrijheid leven, door eerlijke arbeid bezit verwerven en aan het nut van het algemeen bijdragen.
Hierdoor vervalt in Rousseaus contrat social de noodzaak van adel en koningschap en het mag dan ook niet verbazen dat het boek al kort na publicatie verboden werd. De ineenstorting van het Ancien Régime wist men daarmee natuurlijk niet af te wenden. Weliswaar waren het 27 jaar na verschijning van het ‘Maatschappelijk verdrag’ hoge staatsschulden, stijgende levensmiddelprijzen en hongersnood die de Franse Revolutie tot uitbarsting brachten, maar dat neemt niet weg dat Rousseau tot haar geestelijke wegbereiders behoorde, door net als Voltaire, Diderot en Montesquieu de grondslagen voor een rechtvaardiger maatschappij te schetsen. Op die grondslagen beriep ook Robespierre zich, toen hij in 1794 duizenden doodsvonnissen tegen de ‘vijanden van de revolutie’ liet voltrekken. Voor Robespierre klonk Rousseaus volonté générale, de ‘algemene wil’, als een vrijbrief om zijn tegenstanders uit de weg te ruimen: had Rousseau niet geschreven dat de staat ook dwang mocht gebruiken tegen hen die de algemene wil niet eerbiedigen? Maar Rousseau had ook geschreven dat de algemene wil ‘steeds op het publieke welzijn bedacht is’ en elke burger ‘goed geïnformeerd’ over dat welzijn dient te besluiten.
Desondanks had Rousseau zijn bedenkingen tegen de democratie. Doordat hij alleen een directe democratie – in tegenstelling tot onze (Christian Rauch)

Lees het complete artikel in de nieuwste G/Geschiedenis! Nu te koop in de tijdschriftenwinkel.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder