Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Collectioneurs op strooptocht in 19de-eeuws Egypte

27 februari 2013 [412] Olivier Keun

Vanaf de oprichting in 1818 beheert en presenteert het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden onder andere het gedeelte van ’s Rijks Verzamelingen van Geschiedenis en Kunst dat betrekking heeft op de antieke beschavingen rondom de Middellandse Zee. De geschiedenis van dit museum geeft ook een beeld van het ontstaan en het verloop van verscheidene in ons land beoefende archeologische disciplines, waaronder de Egyptologie. Hoe werd het Rijksmuseum van Oudheden één van de toonaangevende instellingen op dit gebied?

Tijdens de Renaissance herleefde de belangstelling voor de monumenten en voorwerpen die ‘de oude wereld’ had nagelaten. In Italië kwam de belangstelling voor de Antieken het eerst tot een hoogtepunt. De Lage Landen behoorden tot de late volgers, waar pas in de 16de eeuw een begin werd gemaakt met het doelgericht zoeken naar en bewaren van Romeinse oudheden in eigen bodem. Hierbij draaide het niet alleen om de schoonheid of de waarde van de objecten, maar speelden ook ideologische criteria een rol: Romeinse vondsten konden worden aangewend om de beschaving der voorvaderen op te waarderen.
Bij de belangstelling voor Egyptische kunstschatten behoorden de Hollanders echter tot de kopgroep. Dit had te maken met hun spilfunctie in verschillende handelsnetwerken. Een vroeg voorbeeld daarvan is David le Leu de Wilhelm, een zwager van de dichter en diplomaat Constantijn Huygens. Deze woonde aan het begin van de 17de eeuw in Aleppo (een stad in het noordwesten van Syrië). Van hieruit maakte hij in 1619 een reis naar Egypte, waarbij hij – misschien zelfs als eerste Nederlander – de begraafplaats van de oude hoofdstad Memphis bezocht. Op dit terrein (vlak in de buurt van het huidige Sakkara) beperkte hij zich niet tot uitsluitend kijken, maar kocht hij op grote schaal antiquiteiten van de plaatselijke bevolking.
Otho van Heurn, professor in de anatomie en beheerder van het Theatrum Anatomicum in Leiden, moedigde Le Leu de Wilhelm aan om zich niet terughoudend op te stellen en niet al te kieskeurig te zijn. Uit de bewaard gebleven correspondentie blijkt zelfs dat Van Heurn hem verlanglijstjes toestuurde. ‘Daar immers hierna nooit meer zich de gelegenheid zal voordoen dat in Egypte een zo groot bevorderaar van de luister onzer Academie verblijft, … word ik gedwongen – en op het blanke papier treedt mijn blos van schaamte niet aan de dag – om verschillende geschenken der Oudheid en van Egyptische bodem te vragen.’
Bij welvarende particulieren werd het mode om verzamelingen rariteiten en/of antiquiteiten aan te leggen. Rond 1800 kwam Egypte een tijdlang in het centrum van de belangstelling te staan. De veldtocht van Napoleon naar dit land en de talrijke verhalen die daarover de ronde deden, zorgden voor een echte ‘hype’. De wetenschappers in het gevolg van Napoleons legermacht sleepten een grote hoeveelheid kunstschatten mee naar Parijs. Vermogende particulieren konden hierbij natuurlijk niet achterblijven.
Rond 1800 werden in alle West-Europese landen belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van privécollecties naar publieke musea. Tijdens de Franse Revolutie werden de collecties van kerken en vorsten voor het grote publiek opengesteld. Dit gebeurde niet alleen in Frankrijk, maar ook in de door de Franse legers onderworpen landen. Voortaan waren de kunstschatten niet louter voorbehouden aan kenners en kunstenaars, maar werden ze ook ‘ter leering ende vermaeck’ aan het geïnteresseerde publiek getoond. ‘De gigantische roof van kunstschatten door Napoleon uit de overwonnen landen’, zo schreven medewerkers van het Rijksmuseum van Oudheden in 1981 in hun catalogus, ‘niet in de laatste plaats uit Nederland, heeft, hoe kwalijk dit op zich ook was, katalyserend gewerkt op het ontstaan van een museumpolitiek.’
De expedities van de legers van Napoleon naar Egypte hadden als bijeffect dat de belangstelling voor de Egyptische antiquiteiten enorm toenam. Hierbij speelden niet alleen wetenschappelijke en culturele motieven een belangrijke rol, maar ook machtspolitieke factoren. Het verzamelen van Egyptische oudheden verliep in een competitieve sfeer, vooral tussen de Fransen en de Engelsen. Ook al was na de Vrede van Amiens (1802) het gezag over Egypte teruggegeven aan de pasja, zowel Engeland als Frankrijk behielden hun grote belangstelling voor deze regio. Terwijl de Britten dit vóór de veldtocht van Napoleon als een obscure, weinig bekende uithoek van de Mediterrane wereld beschouwden, erkenden ze nu het grote strategische en economische belang van Egypte. Om die reden werd in 1815 een Brits consulaat in Egypte gevestigd. Ook andere landen hielden bij de inrichting van de diplomatieke posten steeds meer rekening met Egypte.
In het begin van de 19de eeuw speelden de aan deze consulaten verbonden diplomaten een hoofdrol bij de verwerving van Egyptische antiquiteiten. Bij het aanleggen van verzamelingen in Egypte waren figuren nodig die zich makkelijk in de schemerzone tussen publiek en privaat bewogen. In Egypte klonterde een bont gezelschap van amateurs samen, met grote verschillen in kennis en sociale achtergrond, maar met één gedeeld verlangen: op goede voet komen met pasja Mohammed Ali. Slechts een enkeling was deze vriendschap gegund. Dit selecte gezelschap was dan in de gelegenheid om Egyptische kunstschatten aan te kopen. Want, in tegenstelling tot antiquiteiten uit de koloniën (deze werden als ‘gedeeld eigendom’ beschouwd), moest in Egypte voor de oudheden betaald worden.
Hoewel sommige diplomaten Egyptische antiquiteiten aankochten om er financieel beter van te worden of op deze manier hoger op de sociale ladder wilde klimmen, speelden ook culturele overwegingen een rol. In de moslimcultuur is het afbeelden van menselijke figuren niet toegestaan; de artefacten uit de Oudheid waren daarom voor de machthebbers louter middel om geld te verwerven. Door deze onverschilligheid dreigde er veel cultuurgoed uit de tijd van de farao’s verloren te gaan. Hoijtink citeert in haar proefschrift uit een brief van Jean-François Champollion – de wetenschapper die het hiëroglyfenschrift ontcijferde – waarin hij tegenover Britse critici het naar het Louvre overbrengen van de graftombe van Seti verdedigde. ‘Ik handel vanuit ware vriendschap voor de Oudheid, omdat ik deze monumenten meeneem om ze te bewaren, niet om ze te verkopen.’
In de ‘slipstream’ van deze Frans-Britse rivaliteit bereikte in het prille Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de verzamelwoede van Egyptische oudheden een hoogtepunt. De instelling van de leerstoel algemene archeologie aan de universiteit in Leiden is daarvan óók een uiting. Zowel bij het verzamelen als bij de wetenschappelijke ontsluiting van de aangelegde collecties speelde Caspar Jacob Christiaan Reuvens (1793-1835) een hoofdrol. Dankzij een verblijf in Parijs (waar zijn vader een tijdlang als jurist werkzaam was) en de colleges en het uitgebreide netwerk van zijn leermeester David Jacob van Lennep, was Reuvens uitstekend op de hoogte van wat er op het terrein van de egyptologie speelde. In Parijs was hij een van de vaste bezoekers van het Musée Napoléon, waar de topstukken uit de Oudheid tentoongesteld waren. Geen wonder dat hij de aangewezen persoon was om in 1818 in Leiden de eerste hoogleraar in de algemene archeologie in Nederland te worden. Daarnaast nam hij als conservator de leiding op zich van een op te richten museum, dat zowel voor de wetenschap als voor de educatie van het grote publiek bestemd was: het eveneens in 1818 opgerichte Rijksmuseum van Oudheden.
In de beginperiode was er volop geld beschikbaar om een collectie op te bouwen. Reuvens klopte zelden tevergeefs aan bij koning Willem I of diens minister van het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën, Anton Reinhard Falck, als er weer eens ergens een collectie oudheden te koop werd aangeboden. Hiertoe ging Reuvens niet zelf op pad, maar schakelde hij tussenpersonen in diplomatieke dienst in. Het was aan de welwillende steun van koning Willem I te danken dat er in die jaren een speciale agent in Italië werd geposteerd. Kolonel Jean-Émile Humbert kreeg de opdracht om in Liverno en Florence – in die tijd de centra van de internationale kunsthandel – de markt in Egyptische en andere klassieke oudheden goed in de gaten te houden. Door zijn oplettendheid en doortastend optreden wist hij tweemaal een grote collectie Egyptische kunstschatten te verwerven, waardoor het Rijksmuseum van Oudheden al vroeg een grote internationale bekendheid werd. Door deze aankopen staat ook vandaag de dag de Leidse verzameling hoog genoteerd op de wereldranglijst van musea met Egyptische kunstschatten.
In Liverno werden in de jaren twintig van de 19de eeuw Egyptische kunstschatten met scheepsladingen tegelijk aangevoerd. Humbert raakte in 1826 sterk geïnteresseerd in de verzameling van Maria Cimba, een persoon uit de entourage van Henry Salt, de Britse consul-generaal die in korte tijd een verzameling van meer dan 5.000 objecten bij elkaar liet kopen en stelen. Humbert wist dat de verkoper de collectie van 335 objecten als één geheel van de hand wilde doen. En hij wist óók dat het budget van zijn grootste concurrent nagenoeg op was (Champollion had zojuist de collectie van Henry Salt voor het Louvre aangekocht). Hoewel de aanvankelijke vraagprijs 14.664 gulden was en voor Reuvens 8.000 gulden het absolute maximum was, kocht Humbert de collectie van Cimba voor 11.000 Toscaanse Leeuwen, omgerekend 5.000 gulden. Aan het eind van 1827 kwamen deze oudheden – samen met nog enkele afzonderlijk aangekochte objecten (waaronder de kapitale reliëfs uit het graf van Horemheb) – in Leiden aan. Dit transport omvatte 49 kratten en kisten.
(Cor van der Heijden)
Lees het volledige artikel, met prachtige illustraties in G/Geschiedenis. Nu te koop in de tijdschriftenwinkel.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder