Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De kinderen die in rook opgingen

02 februari 2013 [412] Olivier Keun

Zo'n vier decennia geleden kon iedereen die langs route 16 vanaf Fayetteville (West-Virginia, VS) reed, een enorm billboard zien met daarop de portretten van vijf vermiste kinderen: Maurice, 14; Martha 12; Louis, 9; Jennie, 8; Betty, 5. Daaronder een tekst over hun mogelijke lot. Het mysterie van de spoorloze kinderen.

Fayetteville is een klein plaatsje met een korte hoofdstraat. Hier spelen geruchten een grotere rol dan bewijs omtrent het lot van de kinderen. Sterker nog: menigeen weigert te geloven dat de kinderen dood zijn. Wat staat dan wel vast? Op Kerstavond 1945 gingen George and Jennie Sodder en negen van hun tien kinderen naar bed. Eén zoon zat in het leger. Omstreeks één uur ’s nachts brak brand uit. George en Jennie ontkwamen aan de vuurzee, samen met vier van hun kinderen. De andere vijf konden niet ontsnappen. Niet zozeer verbrand; ze waren domweg verdwenen, spoorloos. Het begin van een angstaanjagend mysterie.
George sloeg een raam in om het huis binnen te gaan teneinde zijn overige kinderen te redden. Hij verwondde zichzelf lelijk aan het kapotte glas en zag geen hand voor ogen door de dichte rook. Hij wist wie waren gered (de tweejarige Sylvia, de 17-jarige Marion en twee jongens, John van 23 en George junior van zestien) en waar dus de anderen zich moesten bevinden. George kwam niet verder naar binnen, het vlammenzee was te intens. Hij rende achterom, hopend daar Maurice, Martha, Louis, Jennie en Betty te kunnen zien door de ramen van hun slaapkamers. Gek genoeg was de ladder die hij daar altijd in de tuin had liggen, verdwenen. Toen bedacht hij om één van zijn beide kolen-vrachtauto’s tegen de gevel te zetten om zo bij de slaapkamerramen te komen. Opnieuw pech: geen van beide auto’s wilde starten. Water uit regentonnen naar binnen gooien was geen optie: alles was bevroren.
Dochter Marion rende naar de buren om de Fayetteville-brandweer te bellen, maar kreeg geen gehoor. Een andere buurman probeerde een café verderop te bellen om hulp, maar ook die kreeg geen verbinding. Hij sprong daarop in zijn auto en reed naar brandweercommandant F.J. Morris, die alarm sloeg. Ondanks het systeem van een ’telefoonboom’ duurde het tot acht uur ’s ochtends voordat de brandweer bij het huis van de Sodders aankwam. Daar was natuurlijk intussen niks meer van over. In een mengeling van wanhoop en berusting gingen George en Jennie er op Kerstdag van uit dat hun vijf kinderen de dood hadden gevonden, maar vreemd genoeg was van hun helemaal niets in de geblakerde puinhoop te vinden. Morris merkte op dat de intense hitte wellicht elk spoor had gewist. Een politierechercheur stelde vast dat de brand was ontstaan door slechte electriciteitsbekabeling. George Sodder wilde de plek conserveren als herdenkingsplaats. Kort voor de jaarwisseling gaf de lijkschouwer vijf certificaten van dood uit, zonder enig stoffelijk overschot, op grond van ‘verstikking’.

George Sodder, geboren als Giorgio Soddu in Tula, Sardinië, in 1895, emigreerde in 1908 naar de Verenigde Staten. Hij was toen dertien. Hij reisde met een oudere broer, maar die keerde al bij Ellis Island rechtsom, terug naar Italië. George was nu alleen in het grote Amerika. Hij vond werk bij de spoorwegen van Pennsylvanië, als sjouwer, en verhuisde enkele jaren later naar Smithers, in West-Virginia. Hij was slim en hield van aanpakken; geen wonder dat hij een eigen transportbedrijf begon, eerst voor bouwafval, later voor kolen en ander losgoed. Op een dag ontmoette hij in de plaatselijke winkel de dochter van die zaak, Jennie Cipriani. Zij was op haar derde uit Italië geëmigreerd. Hun huwelijk was vruchtbaar: tussen 1923 en 1943 kregen ze tien kinderen en vestigden zich in Fayetteville, West-Virginia. Daar woonden meer Italianen en de Sodders vormden er een gerespecteerd middleclass-gezin. George mengde zich in allerlei actuele discussies maar niemand kwam iets over zijn jeugd te weten. Het waarom van zijn emigratie bleef duister.

De Sodders plantten bloemen op de plek waar hun huis had gestaan en begonnen de tijd voorafgaand aan de fatale brand te reconstrueren. Enkele maanden geleden was een vreemdeling aan de deur geweest die werk zocht. Hij was om het huis heen gelopen en had aan de achterzijde gewezen naar de meterkast, opmerkend dat daar wel eens brand van kon komen. ‘Vreemd’, meer had George daar niet van gedacht, temeer daar de stroommaatschappij de installatie nog kort ervoor had geïnspecteerd en in orde bevonden. Rond dezelfde tijd in de voorafgaande herfst had een colporteur hun geprobeerd een levensverzekering aan te praten en was geërgerd geraakt toen George dat afwees. ‘Dat verdomde huis van jullie zal in rook opgaan’, had de verkoper dreigend gezegd, ‘en jullie kinderen worden vernietigd. Je krijgt betaald voor je beledigingen van Mussolini’. George had inderdaad een hekel aan de Italiaanse dictator, wat niet bij iedereen in de plaatselijke Italiaanse gemeenschap goed was gevallen. Maar George maakte zich er niet druk om. Oudere zonen van George was ook wat raars opgevallen: kort voor Kerst had een man zijn auto aan highway 21 geparkeerd, kennelijk om te kijken naar kinderen die van school kwamen.

In de nacht voor Kerstmis, om half één, ging de telefoon. Iedereen lag al op bed. Jennie stond op en nam de telefoon aan. Een onbekende vroeg naar een vreemde naam. Op de achtergrond was gelach en glasgerinkel te horen. Jennie hing op en sloop terug naar bed. Onderweg zag ze dat beneden alle lampen nog aan waren en de gordijnen open. De voordeur was niet op slot. Ze ging erheen, daar lag Marion op de bank te slapen, her en der lagen uitgepakte kerstcadeautjes. Ze deed de voordeur op slot, sloot de gordijnen, draaide de lampen uit en ging weer naar bed. Ze soezelde nog toen ze een harde klap op het dak hoorde, gevolgd door een rollend geluid. Een uur later stond het huis in lichterlaaie.

Het was voor Jennie niet te bevatten dat van vijf kinderslachtoffers helemaal niets was overgebleven. Als proef op de som haalde ze bij een slager botten op van verschillende dieren en stak ze in brand. Verder had ze in de kelder allerlei spullen gevonden die duidelijk herkenbaar waren. Iemand van een crematorium vertelde haar dat een lijk na twee uur vuur op tweeduizend graden nog altijd botten achterlaat. Het huis van de Sodders was in drie kwartier uitgebrand. De raadsels stapelden zich op. Een werknemer van de telefoonmaatschappij zei hun dat hun telefoondraden niet waren verbrand, maar doorgeknipt. Officieel was vastgesteld dat de brand was veroorzaakt door kortsluiting, maar hoe kon het dan dat kort voor de brand beneden alle lampen brandden? Een getuige meldde dat hij kort tevoren iemand op het erf had zien rondscharrelen met gereedschap. Was dat de saboteur van de vrachtwagens? Later, toen de Sodders weer eens op de plaats des onheils waren, vonden ze een raar stuk rubber. Navraag leerde dat dit onderdeel was van een zogenoemde ananasbom. Was dit het object dat Jennie op het dak had horen vallen? En toen kwamen allerlei verhalen op gang waar vooral Amerikanen sterk in zijn en die veelal oncontroleerbaar zijn. Zo zei een vrouw dat ze kinderen in een auto had zien stappen, tijdens de nacht van de brand. Iemand van een VVV-kantoor, vijftig mijl verderop, bij Charleston, had de kinderen in haar cafetaria gehad; ze had ze ontbijt geserveerd, zo beweerde ze. Op de parkeerplaats stond een auto met Florida-kentekenplaten. Een andere vrouw, werkend in een hotel in Charleston, had de foto’s van de kinderen in een krant gezien en vier van de vijf herkend, een week na de brand. De kinderen waren in gezelschap van twee mannen en twee vrouwen, ‘duidelijk van Italiaanse komaf’. Precies wist ze het allemaal niet meer, maar de hele groep had één grote kamer geboekt, omstreeks middernacht, ook een malle tijd om met zulke jonge kinderen op stap te zijn. Ze had een praatje met de kinderen willen aanknopen, maar die reageerden niet en de ouderen deden er wat vijandig over. Eén van beide mannen had in rap Italiaans iets tegen de anderen gezegd en meteen viel het hele gezelschap stil. De volgende ochtend vroeg vertrokken ze.

In 1947 stuurden George en Jennie een smeekbede naar de FBI. Ze kregen een schrijven van de baas zelf, J. Edgar Hoover, terug: ‘Hoewel ik graag zou helpen, lijkt dit een zaak van lokale proporties zodat het buiten de wettelijke mogelijkheden van de FBI ligt, hier een rol te spelen.’ FBI-mensen hadden wel gezegd dat ze konden helpen als de lokale autoriteiten daarom vroegen, maar dat deden dezen niet; de Lafayette-politie niet, de brandweer niet. C.C. Tinsley, de privé-detective die de Sodders inschakelden, ontdekte dat de colporteur die zo opdringerig aan hun deur had gerammeld, bleek lid te zijn van de commissie van onderzoek naar de brand. Verder hoorde hij van de dominee een raar verhaal over F.J. Morris, de brandweercommandant. Morris had officieel verklaard dat er geen stoffelijke overschotten waren aangetroffen, maar liet zich in kleine kring ontvallen dat “een hart” was gevonden. Hij had het in een dynamietkist gedaan en op de plek des onheils begraven. Tinsley kreeg hem zover om die plek te laten zien en met z’n tweeën togen ze aan het graven. Zonder de kist te openen brachten ze deze naar de lijkschouwer. Die onderzocht de inhoud en stelde vast dat dit een runderlever was, zonder een spoor van brand. Een poos nadien hoorden de Sodders het gerucht dat de brandweercommandant de lever in de verbrande resten had geworpen in de hoop dat de Sodders zouden ophouden met hun gezoek nu ‘iets van leven’ was gevonden.

De jaren die kwamen brachten voortdurend nieuwe tips en aanwijzingen. George kreeg een krant onder ogen met foto’s van schoolkinderen uit New York. Hij wist zeker dat eentje zijn dochter Betty was, reed naar Manhattan om het kind te zien, maar diens ouders weigerden hem binnen te laten. In augustus 1949 besloten de Sodders tot een nieuw onderzoek op de plaats delict en ze schakelden een patholoog uit Washington in, Oscar B. Hunter. Nu werd alles grondig nageplozen en er kwam van alles tevoorschijn: munten, een half verbrand woordenboek en ogenschijnlijke botresten. Die werden naar het Smithsonian Institutein Washington gestuurd voor nader onderzoek. Daar bleek dat de menselijk botresten toehoorden aan iemand van zestien of zeventien jaar. Van verbranding was geen spoor. Verder vond het Smithsonian het ongeloofwaardig dat tussen de zo zorgvuldig doorzochte resten geen menselijke restanten waren gevonden. Slotconclusie: de onderzochte botten zaten in een lading vuil waarmee George de kelder had volgestort, ver na de brand.
Het rapport van het Smithsonian leidde tot twee openbare hoorzittingen in Charleston, waarna gouverneur Okey L. Patterson (Amerikanen zijn verzot op een initiaal tussen voor- en achternaam) en politiecommissaris W.E. Burchett de zaak voor gesloten verklaarden. George en Jennie plaatsten vervolgens het grote billboard en deelden flyers uit, plus een beloning van vijfduizend dollar, spoedig verhoogd tot tienduizend. Daarop volgde een brief van een vrouw uit Saint Louis die beweerde dat de oudste dochter, Martha, daar in de buurt in een klooster woonde. Een andere tip kwam uit Texas, waar een kroegbaas een gesprek opving over een jaren oude brand in West-Virginia, in de Kerstnacht. Uit Florida kwam het bericht dat de kinderen bij een verre verwant van Jennie woonden. George ging alle tips na, reisde van de ene uithoek van het land naar de andere, maar kwam steeds met lege handen thuis.

Meer dan twintig jaar later, in 1968, vond Jennie een enveloppe in de bus met haar naam er op .De poststempel gaf Kentucky aan, maar een afzender stond er niet op. Er zat een foto in van een man van een jaar of 25. Op de achterkant was met de hand geschreven “Louis Sodder. I love brother Frankie. Ilil Boys. A90132 or 35.” De man leek inderdaad wel op hun Louis, die negen was ten tijde van de brand. Hetzelfde donkere, krullerige haar, donkerbruine ogen, dezelfde lange, rechte neus en die typisch hogere linker wenkbrauw. Ze schakelden een privé-detective in, maar dat spoor liep dood. Ze wilden het niet in de media uit angst dat hun ‘zoon’ iets zou overkomen. Wel pasten ze het billboard aan en plaatsen de opgestuurde foto, vergroot, op een bord op de plaats waar hun huis had gestaan. George beklemtoonde nog maar eens dat het hun vooral ging om een einde te maken aan die verstikkende onzekerheid over het lot van de kinderen. Dat ze hen nooit weer zouden zien, daar hadden ze zich wel zo’n beetje bij neergelegd, maar niet weten wat hun lot was, dat was onverdraaglijk.
Een jaar later, in 1968, stierf George. Jennie liet een hek om het erf plaatsen en bouwde steeds meer kamers rond haar huis, een soort van schil makend tussen haar en de boze buitenwereld. Ze bleef tot haar laatste dag, in 1989, altijd in het zwart gekleed. Uiteindelijk werd het billboard weggehaald. De kinderen Sodder en de kleinkinderen zochten wel door en kwamen met nieuwe theorieën: de maffia zat erachter. Die had George willen ronselen en later afpersen. Hij had zich teweer gesteld en daarop volgde de straf: de brandstichting. Ze waren door de niet afgesloten voordeur binnengekomen, hadden de kinderen “gered” en waren vertrokken, gekidnapt.
Er leeft nog één van de kinderen. Silvia is zeventig en gelooft niet dat haar broers en zusters in het vuur zijn verdwenen. Ze zit veel op internet te zoeken naar nieuwe aanwijzingen. Ze was twee ten tijde van de brand en van die nacht dateert haar eerste herinnering, meer specifiek van de beangstigend bloedende arm van haar vader.

(Siebrand Krul)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder