Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Berlijn 1936: de Spelen en het hakenkruis

20 juni 2012 [412] Olivier Keun

De Spelen van Berlijn 1936. Van de elfde Olympische Zomerspelen in Berlijn van 1936 zijn de sportieve en organisatorische prestaties ondergesneeuwd onder de schaduw van de Nazi-terreur. Deels ten onrechte.

De Spelen van Berlijn 1936

Van de elfde Olympische Zomerspelen in Berlijn van 1936 zijn de sportieve prestaties grotendeels ondergesneeuwd onder de talrijke historische beschouwingen en publicaties. Toch mogen we bij de discussie over de ‘Spelen onder het hakenkruis’ de sportieve en organisatorische kant niet vergeten. De voorbereidingen begonnen lang voor Hitlers greep naar de macht.

‘De 8ste juni 1913 was een grote, onvergetelijke dag, de dag dat het stadion in het bosrijke kwartier Grunewald werd ingewijd. Een prachtige Duitse jeugddroom ging in vervulling. Mooier dan verwacht, trotser en imposanter dan gehoopt, presenteerde zich het Olympisch Stadion… Onder fanfareklanken betrad het keizerlijke paar met groot gevolg het stadion. De Hohenfriedberger mars gaf het sein waarop zich de vaandels in beweging zetten. Boven de ereloge wapperde het keizerlijke banier. Zijne excellentie von Podbielski, gekleed in het uniform van de Rathenower Zieten-huzaren, beklom het spreekgestoelte….’

Voor 60.000 toeschouwers hield de grijze president van het ‘Duits Rijkscomité voor Olympische Spelen’ zijn wervende openingsrede voor het nieuwe stadion in Berlijn waar in 1916 de Spelen zouden plaatsvinden. Door de Eerste Wereldoorlog moest het evenement worden afgeblazen, en de relaties waren ook na de Vrede van Versailles nog lang grondig bedorven: zowel op de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen als op die van 1924 in Parijs was het Duitse Rijk niet meer welkom – een politieke beslissing die, hoe begrijpelijk ook, in strijd was met de Olympische gedachte. Pas in 1931 waren de gemoederen dusdanig bekoeld dat op het congres van het Internationale Olympisch Comité in Barcelona de spelen van 1936 aan Duitsland werden toegewezen.

Sinds 1913 was de tijd niet stil blijven staan: de Olympische gedachte had de grote massa bereikt. Het stadion in Los Angeles waar de Spelen in 1932 hadden plaatsgevonden was berekend op 100.000 bezoekers en was diverse keren uitverkocht. Daarom werd het stadion in Berlijn als te klein beschouwd en Werner March, de zoon van de architect die het stadion in Grunewald had gebouwd, kreeg de opdracht een nieuw sportcomplex te ontwerpen dat aan alle moderne eisen voldeed. Zo ontstond op 120 hectare het grote ‘rijkssportveld’, waarop – zeilen en roeien uitgezonderd – de wedstrijden van alle sportdisciplines konden worden gehouden. Een grote vooruitgang na Los Angeles, waar sommige locaties wel honderd kilometer van elkaar verwijderd waren.

De kern van alles was het Olympia-stadion dat plaats bood aan 100.000 toeschouwers, die van elke plek vrij zicht op het sportieve gebeuren hadden. De indeling van de binnenruimte was gemaakt in overleg met de internationale atletiekbond. Ten noorden daarvan werd voor 20.000 toeschouwers het zwemstadion gebouwd dat eveneens volgens de internationale regels was ontworpen. Ook dit stadion was technisch van de nieuwste snufjes voorzien: de Berlijnse Waterleiding zorgde voor permanente toevoer van vers water, een verwarmingsinstallatie hield het bad op temperatuur, iets was bij eerdere Spelen vaak een storend probleem was geweest.

Gewichtheffers, boksers en worstelaars konden in de ‘Deutschlandhalle’ terecht. De wielrenners kregen hun stadion bij de zendmast, ook dat gloednieuw. Bij de honderd-kilometer wielrennen op de weg werd de ‘Avus’, de brede autobaan door Grunewald, in het parcours geïntegreerd. In Los Angeles moesten de 36 wielrenners nog elk met een tussenpauze van twee minuten vertrekken; in Berlijn startten ze allen tegelijk, wat voor de toeschouwers veel spannender was. Het turnen vond plaats in het Dietrich-Eckart-openluchttheater, de kano- en roeiwedstrijden op de regattabaan Grünau, het zeilen op de Kieler Fjord.

Als symbool voor de Spelen, die van 1 tot 16 augustus 1936 duurden, werd de Olympische klok gegoten. Het gevaarte was 4,30 meter hoog, woog zo’n tien ton en droeg het opschrift: ‘Ik roep ’s werelds jeugd’. De klok stond ook afgebeeld op de achterkant van de penning die elk van de 4.066 deelnemers als herinnering mee naar huis kreeg.

Hoe ver de communicatietechniek inmiddels was voortgeschreden wordt duidelijk als men bedenkt dat in 1913 het bericht van de opening van het stadion in Grunewald nog door tienduizend postduiven naar alle delen van Duitsland was verspreid, In 1936 waren er twintig geluidswagens en een eigen Olympia-radiozender, die de wedstrijden in meer dan 400 uitzendingen over de hele wereld verslag uitbracht. Als wereldwijde primeur deed het televisieverslag zijn intrede: de reportagewagen en de camera, die eruitzag als een reusachtig kanon, trokken scharen toeschouwers; de beelden werden op grote projectieschermen in het Berlijnse stadgebied uitgezonden.

Andere innovaties waren: een startpistool met elektrisch contact, fotofinish, elektrische trefferaanduiding bij het degenschermen – ontwikkelingen die een nauwkeurigere en daarmee eerlijkere aanwijzing van de overwinnaar mogelijk maakten.

Een bijzondere attractie was de op deze Spelen geïntroduceerde fakkelloop waarmee het Olympisch vuur van Olympia naar Berlijn werd gebracht – naar een idee van de Joodse archeoloog Alfred Schiff. De vlam werd door middel van een door Zeiss ontwikkeld brandglas in het Olympisch woud door de Griekse zon ontstoken. Op 21 juli 1936 begon om klokslag middernacht uur de estafetteloop waaraan 3.000 lopers meewerkten, die totaal zo’n 3.000 kilometer overbrugden. Het traject verliep door Griekenland, Bulgarije, Joegoslavië, Hongarije, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, via Dresden naar Berlijn en deed daarbij de bijbehorende hoofdsteden aan. Er werden speciale fakkels voor ontworpen die ook bij stromende regen of storm bleven branden. De hele fakkelloop duurde twaalf dagen; precies op 1 augustus arriveerde het vuur in Berlijn.

Op die ochtend had het IOC, met de Belgische president graaf Baillet-Latour aan het hoofd, een kerkelijke viering in de Domkerk bezocht, vervolgens bij het monument voor de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog een krans gelegd om daarna de openingsceremonie bij te wonen. De laatste loper van de fakkelloop – de gespierde Berlijner Fritz Schilgen, door Leni Riefenstahl uitverkoren als ideale belichaming van de ‘edelgermaan’ – ontstak het Olympisch vuur. Na de toespraken door de Olympische hoogwaardigheidsbekleders verklaarde Adolf Hitler als staatshoofd en beschermheer de elfde Olympische Spelen voor geopend. Dit beschermheerschap werpt tot op de huidige dag zijn zwarte schaduw op de zestien dagen van Berlijn. Desondanks blijft het indrukwekkend hoe deze grootse sportmanifestatie van A tot Z gepland en georganiseerd was, hoeveel fantasievolle ideeën het ook in cultureel opzicht hoogstaande bijprogramma kleurden en hoe gesmeerd en professioneel alles werd afgewikkeld. Zo ervoeren het ook door de sporters, de toeschouwers en het IOC. Graaf Baillet-Latour dankte in zijn slotwoord de organisatoren, de stad Berlijn, het Duitse volk en – wat de zaak voor de hedendaagse historici zo problematisch maakt – Adolf Hitler. In deze afsluitende rede nodigde hij de jeugd van de hele wereld uit elkaar in 1940 in Tokio op de twaalfde Olympische Spelen te ontmoeten…

*Siegfried Augustin


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder