Stelling

Een museum zonder goede website verdient geen bezoek

Stem

Agenda

Astérix en de Belgen
België is het land van de strip. Het is ook het land waar René Goscinny en Albert Uderzo, de twee genieën van de 'negende kunst', elkaar hebben ontmoet. Daarom is het initiatief genomen om Asterix en zijn scheppers in het zonnetje te zetten! Terwijl Manneken-Pis zich hult in de kleren van Asterix, brengt het Belgisch Stripcentrum in Brussel een eerbetoon aan de twee auteurs van de avonturen van onze beroemde Galliërs met een ludieke tentoonstelling gewijd aan Asterix en de Belgen, het laatste album van dit geniale duo.
Ontdek bunkers
Op zaterdag 10 juni is het Bunkerdag. Langs de hele Nederlandse kust worden de bunkers van de Atlantikwall voor één dag opengesteld voor publiek. De betonnen kolossen zijn nog van Zeeland tot de Waddeneilanden te vinden, maar zijn beperkt toegankelijk. Soms verzonken in het zand of overgenomen door de natuur, vertellen zij nog altijd het verhaal van de Duitse bezetting. De oorlog, de angst voor een aanval vanuit zee, het dagelijks leven van de Duitse soldaat en de evacuaties van de kustbewoners. De Bunkerdag brengt deze verhalen opnieuw tot leven.

Ziekenzorg in een middeleeuwse stad

18 mei 2017 skrul

Middeleeuwse ziekenzorg was vooral een taak voor kloosters. Maar met de opkomst en groei van de steden trok de opkomende burgerij het initiatief voor de liefdadigheidsinstellingen naar zich toe. In de Nederlanden ontstond een netwerk hospitalen, gasthuizen, passantenhuizen, godshuizen en armentafels. Een onderscheid tussen de wereldlijke en geestelijke invloed is niet altijd duidelijk, maar het waren toch grotendeels burgerlijke initiatieven

In de Middeleeuwen werden de termen armen en zieken anders gebruikt dan wij gewend zijn. Onder armen of pauperes werden niet alleen sociaal-economische armen bedoeld, maar iedereen die op de een of andere manier hulp nodig had. Dus ook bejaarden, weduwen en zieken. De geneeskunst was destijds nog niet zo ontwikkeld en dus hield ziekenzorg vooral de verzorging in. In de hospitalen en gasthuizen kreeg men een bed en goede voeding in de hoop dat men er op die manier bovenop kwam.

 

Bezoeken van de zieken, Pieter Nagel, naar Gerard van Groeningen, in of voor 1571. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Karolingers stroomlijnen de zorg

Het beeld van het klooster als middelpunt van de ziekenzorg klopt als het gaat om de Vroege en Hoge Middeleeuwen. Met de opkomst van het kloosterwezen ontstonden tevens locaties om zieken te verzorgen. Elk klooster beschikte over een infirmerie. Dit was de ziekenzaal, die echter vooral voor de kloostergemeenschap bedoeld was. Daar werden ook wel zieken van buiten opgenomen. Daarnaast beschikten kloosters soms over een hospitium, dit was het gastenverblijf. Hier konden reizigers, meestal pelgrims, opgenomen worden. Maar ook arme zieken uit de directe omgeving werden er verzorgd.
De Karolingische koningen gingen de ziekenzorg in kloosters meer en meer stimuleren. Tijdens de synode van Aken in 816 werd besloten dat elk klooster en kapittel over een gastenverblijf moest beschikken voor de verzorging van zieken. Tevens moest een tiende van de inkomsten ingezet worden voor zieken- en armenzorg.
Met name de benedictijnen begonnen zich op deze manier steeds meer te profileren in de ziekenzorg. De benedictijner abdij van Cluny speelde hierin een cruciale rol. Abt Odo (879-942) bepaalde dat elke benedictijner abdij inderdaad een gastenruimte zou inrichten, zoals in Aken besloten was, om armen, zieken en reizigers op te vangen. Samen met de later opkomende cisterciënzers (zie blz. 28-31) verspreidden de abdijen de ziekenzorg over West-Europa.

 

Tegenspoed leert goed te leven. Gaspar Bouttats, 1679. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Opkomst van de steden

Met de opkomst van de steden, vanaf de 12de eeuw, ontstond er een nieuwe behoefte aan voorzieningen voor de opvang van armen en zieken. De mensen die naar de stad waren getrokken verbraken de banden met de zorg ten plattelande, waardoor al snel het alleenrecht van de kloosters op de zorg voor armen en zieken vervaagde. Zoals de stedelijke burgers zichzelf ook op andere terreinen gingen organiseren, zo gebeurde dat ook met de liefdadigheidsinstellingen.
Naast de hospitalen ontstonden er gasthuizen, passantenhuizen, godshuizen en armentafels. Een onderscheid tussen de wereldlijke en geestelijke invloed op deze instellingen is niet altijd duidelijk, maar het waren toch grotendeels burgerlijke initiatieven. Bij oprichting werden stedelijke hospitalen vaak door leken gerund, die dan na verloop van tijd een (meestal augustijnse) kloosterregel aannamen. De stichting gebeurde soms door een graaf, die zo toch een lepel in de stedelijke pap kon houden. Maar vaak namen ook gilden of broederschappen het initiatief.
Er waren allerlei benamingen voor instellingen die aan ziekenzorg deden, waarbij het onderscheid niet altijd helder is. Gasthuizen of passantenhuizen vingen in beginsel vooral reizigers op. Ze bevonden zich dan ook net buiten of bij een stadspoort. Maar zieken konden zich er vaak ook laten verzorgen en die taak werd na verloop van tijd groter. Hospitalen bevonden zich doorgaans in de stad zelf en werden gesticht met het specifieke doel om zieken te verzorgen. Godshuizen waren aanvankelijk vaak bedoeld voor een gilde of broederschap en hier konden ouderen, die langdurig of permanent onderdak zochten, opgevangen worden.

 

Brugge, Gezicht op de ingang van St. Janshospitaal. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Brugse weldoeners

Brugge vormt een goed voorbeeld van de diverse manier waarop de stedelijke ziekenzorg in de laat-middeleeuwse steden tot stand kwam. In deze periode was Brugge een grote en belangrijke handelsstad en er ontstonden dan ook veel instellingen, die grotendeels door de burgerij werden gesticht en in stand gehouden.
Het Sint-Janshospitaal is één van de oudsten in zijn soort en werd omstreeks 1150 gesticht. Andere hospitalen uit die vroege periode zijn bijvoorbeeld de Sint-Jan in Brussel en de Notre-Dame à la Rose in het Waalse Lessines. Het laatste hospitaal is tegenwoordig een museum waar de ziekenzorg vanaf de Middeleeuwen zichtbaar is gemaakt.
Het Sint-Janshospitaal werd waarschijnlijk gesticht door een aantal leken, samen met kanunniken van de naastliggende kapittelkerk. Een ander hospitaal was het Sint-Joospassantenhuis. Dit werd gesticht door een gilde waar vermogende poorters, bakkers, mutsenmakers en leertouwers lid van waren. In beginsel waren het ook leden van de gilde die als broeder dienst deden. Zoals de meeste passantenhuizen in de buurt van een stadspoort gelegen waren, bevond het Sint-Joos zich net binnen de stadspoort.
Een andere stichting door de burgerij was het Sint-Niklaashospitaal. Een vermogend echtpaar liet hiervoor een grote som geld na om het hospitaal te stichten. Ze behoorden tot de rijkste burgers van Brugge en staken geld in diverse liefdadigheidsinstellingen met de bijbehorende rijke jaargetijden. (zie blz. 27)
Hoewel veel stichtingen burgerlijke initiatieven waren, werden er na verloop van tijd zusters of broeders geïnstalleerd om de verzorging op zich te nemen. Of de lekenzusters die al actief waren namen een kloosterregel aan. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij het Sint-Janshospitaal, maar in het Sint-Juliaanhospitaal gebeurde dat pas in de 16e eeuw.
Ook het stadsbestuur liet zich niet onbetuigd. Het kocht een huis naast een stadspoort om geesteszieken in onder te brengen, het zogenoemde dulhuis. Ook de leprozerie werd volledig door de stadskas gefinancierd. In de Middeleeuwen was de stedelijke overheid meestal terughoudend op het gebied van liefdadigheid. Ze grepen vooral in als op de één of andere manier de rust of veiligheid in de stad in het geding was. Naast de opvang van ‘dullen’ en leprozen was dat bijvoorbeeld tijdens een pestuitbraak. Of in tijden van misoogst kochten ze wel eens grote partijen graan aan, om die te verdelen om zo de hongersnood te bestrijden. Grote steden namen soms een chirurgijn in dienst, die bij de verschillende instellingen in de stad zijn diensten kon aanbieden, aangezien veel hospitalen zelf geen medici in huis hadden.

 

Het verzorgen van de zieken. Werken van Barmhartigheid (serietitel). Pieter Cornelisz. genaamd Kunst, 1524. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Dubbele rol van de proveniers

In principe kwam iedereen in aanmerking om verzorgd te worden. De zorg voor de armen en zieken was een religieuze plicht volgens de middeleeuwer. Wie geen geld had hoefde dan ook niet te betalen voor de verzorging. Als je wel geld had moest je een klein bedrag per dag betalen.
Daarnaast waren er in de meeste gasthuizen en hospitalen zogeheten proveniers. Dit waren oudere vermogende burgers die zich hadden ingekocht. In feite gebruikten ze het hospitaal als een oudedagsvoorziening. Hoewel er met name in de 16de eeuw nogal wat kritiek ontstond omdat de proveniers de plaatsen bezetten van de zieken, waren ze toch cruciaal voor het voortbestaan van de hospitalen. Ze brachten immers geld in het laatje en niet iedereen die zich inkocht zou ook daadwerkelijk zo oud worden dat het nodig was.
De verzorging was tamelijk eenvoudig. Men kreeg een bed om te kunnen rusten en men werd goed verzorgd. Wonden werden schoongemaakt als het nodig was, maar echte medische handelingen werden nauwelijks gedaan. In veel gevallen was het voldoende om een tijdje aan te sterken, maar dat was natuurlijk niet altijd zo. In die gevallen werd men verzorgd tot het einde.
De voeding was redelijk goed. De meeste hospitalen hadden een eigen kruidentuin. Het basisvoedsel was brood en dat was tarwe- of roggebrood, afhankelijk van het soort graan dat in de omgeving verbouwd werd. Groenten die het meest gegeten werden waren erwten, wortelen en pastinaak. Verder was er fruit, had men kaas, haring, en af en toe vlees. Men kreeg soms (gekookt) water, maar het water was vaak te vervuild om te drinken. Dus lag de nadruk op alcoholische dranken, omdat die langer goed bleven. Bier of wijn en hier en daar ook mede, een alcoholische drank op basis van honing.

 

De zesde van de Zeven werken van Barmhartigheid: Wilt ziecken ende crancken vysenteren // u loon zal ewelick vermeren. Detail uit De meester van Alkmaar. (Rijksmuseum)

 

Tafel van de Heilige Geest

Een andere belangrijke instelling in de middeleeuwse stad was de armendis, ook wel tafel van den Heilige Geest genoemd. Binnen elke parochie werd regelmatig brood en ook kleding en brandhout uitgedeeld aan de armen. Hoewel men binnen de parochie opereerde stond de instelling los van de kerk. Naast de vaste uitdelingen werd ook geld gegeven aan armen die door ziekte tijdelijk zonder inkomen zaten. Zwangere vrouwen die arm waren werden ook geholpen met geld en boter en vlees om aan te sterken.
Ook werd er voor oude weduwen gezorgd. De grotere armendissen hadden vaak een rijk patrimonium en bezaten meestal een aantal huisjes waar weduwen, die zichzelf niet konden redden, mochten wonen en een dagelijkse maaltijd kregen.

 

De ziekenzaal van L’hôpital Notre-Dame à la Rose in Lessines.

 

Tot op zeker hoogte is 1531 een keerpunt in de armen- en ziekenzorg. In oktober van dat jaar besliste Karel V in een edict dat de steden in de Nederlanden zouden moeten komen tot een centrale organisatie van de armen- en ziekenzorg. Alle instellingen in een stad zouden hun middelen moeten samenvoegen tot een gemene beurs om zo efficiënter te werken. Ook zou er beter gekeken moeten worden dat de middelen alleen voor de echte hulpbehoevenden zouden worden ingezet. De meeste steden gaven niet direct gehoor aan de oproep van Karel V, maar het edict duidt wel op een mentaliteitsverandering. In de eerste plaats probeerde Karel V, zoals de meeste 16de-eeuwse vorsten, zijn macht te centraliseren en de sterke invloed van de steden terug te brengen. Op het gebied van de armen- en ziekenzorg was het veel makkelijker controle uit te oefenen als het landschap van instellingen niet versnipperd was, maar er in de stad een centraal aanspreekpunt was.
Daarnaast kwam het tegemoet aan een roep om efficiënter te werken. In de Middeleeuwen was hulp geven een goddelijke plicht en men leek zich minder druk te maken over hoe het terecht kwam. Dat vonden humanisten zoals Juan Luis Vives tenminste. In zijn tractaat De Subventione Pauperum pleitte hij er ook voor om een duidelijkere scheiding te maken tussen de echte hulpbehoevenden en querulanten. 1531 markeert het begin van een professionalisering in de armen- en ziekenzorg die in de loop van de vroegmoderne tijd zou vorm krijgen.
(Luther Zevenbergen)

 

(Openingsbeeld: Detail uit De zeven werken van barmhartigheid. Een Hollandse stad vormt het decor voor een beeldverhaal dat laat zien hoe een goed christen hulpbehoevenden moet helpen. Christus staat in bijna elk tafereel tussen de toeschouwers. De scènes geven een indruk van de stedelijke samenleving omstreeks 1500. Meester van Alkmaar, 1504. (Rijksmuseum Amsterdam))

 

Bezoektip

Het Hospitaal Notre-Dame à la Rose in Lessines (in de buurt van Geraardsbergen) is een museum waar de hospitaalgeschiedenis in alle aspekten te zien is:

NDALR

In de middeleeuwse ziekenzaal van het Sintjanshospitaal in Brugge is een museum gevestigd: https://www.visitbruges.be/nl/sint-janshospitaal

Lees het hele artikel en nog veel meer over geneeskunst in de Middeleeuwen in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Schimmige knulligheid

Cees Wiebes' boek over de samenwerking met de CIA is aanvankelijk net zo schimmig als de geheime operaties die het beschrijft, waarbij spionnen gedropt werden in Oostbloklanden tijdens de Koude Oorlog. De lezer raakt verstrikt in namen van diensten, contactpersonen, verraders, acties en details. Niet alleen het merendeel van de CIA-operaties in het Oostblok liep op totale mislukkingen uit, ook de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en Buitenlandse Inlichtingendienst (BID) namen deel aan veel geheime operaties met diezelfde CIA, die op vrijwel niets uitliepen.

Lees verder

Kroniek

Veenbrand

Op 21 mei 1917, honderd jaar geleden, brak bij het Drentse Valthermond een grote veenbrand uit toen vonken uit een baggermachine de gortdroge bodem raakten. Het vuur woedde dagen achtereen, en was lastig te bestrijden doordat het ondergronds doorbrandde. Zestien mensen verloren het leven, vijftig woningen en tal van turfschepen vielen aan de vlammen ten prooi. Turfschipper Brands en zijn vrouw werden, nota bene op hun trouwdag, op hun turfschip levend verbrand. In 2015 werd een monument ter nagedachtenis onthuld.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder