Stelling

Trump en de Brexit helpen de Europese Unie er weer bovenop

Stem

Agenda

Madyol opgehangen
Sinds juni 1815 heeft het slagveld van Waterloo talloze artiesten aangetrokken. Boerderijen, paden, gehuchten en soldaten zijn al eindeloze keren getekend en geschilderd geweest en vertellen reeds tweehonderd jaar lang het bloedige avontuur. In opdracht van graaf Cavens realiseerde kunstenaar Jacques Madyol (1871-1950) een reeks schilderijen die de verschillende plekken en de hoofdrolspelers van de beroemde slag illustreren. Voor het eerst sinds een halve eeuw zijn ze te zien.
Historisch paardenspektakel
Volgend weekeinde (19/20 augustus) organiseert het Nationaal Militair Museum (NMM) in Soesterberg een groot paardenevenement. Naast een show met onder andere Romeinse ruiters, ridders en het Korps Mariniers is er ook aandacht voor verschillende paardenrassen en zijn er diverse activiteiten voor kinderen. Tijdens ‘Te Paard!’ ontdekken bezoekers de rol van het paard binnen de krijgsmachten. Naast een show in de arena zijn er demonstraties waaronder een obstakelproef, bereden wapenvaardigheid ‘tentpegging’ en polo.

Romantische alleskunner

18 mei 2017 skrul

Franz Wilhelm Junghuhn, in 1809 geboren in Mansfeld (Pruisen) en overleden in 1864 te Lembang in het huidige Indonesië, is de geestelijk vader van de Nederlandse vrijdenkerij. Zijn vader was chirurgijn en barbier en dwong zijn zoon naar een medische opleiding. Franz studeerde af als arts, maar wijdde zijn leven aan onderzoek, beschrijven en tekenen van de natuur, met name in Nederlands-Indië. Hij was een uitermate energieke wetenschapper, een markante ontdekkingsreiziger.

Junghuhn was een stugge Pruis, moeilijk in de omgang, eigenzinnig, met buien van depressiviteit, maar ook heel slim en uitzonderlijk gedreven. Zijn studie brak hij wegens geldgebrek af. Hij raakte gewond door een kogel in zijn linkerdij tijdens een destijds verboden duel. Na korte tijd als verpleger in het leger gediend te hebben, werd hij vanwege dat duel alsnog gevangen gezet. Hij schrijft: ‘Zo vaak ik er maar aan kon komen, slikte ik opium om tenminste een paar uur te genieten van een weldadige vergetelheid.’ Hij wist te ontvluchten door krankzinnigheid te simuleren. Na omzwervingen door België en Frankrijk, zich ’s nachts in bossen schuilhoudend, nam hij dienst in het Vreemdelingenlegioen in Algiers. Hij reisde, na vertrek uit het Vreemdelingenlegioen, naar Parijs waar hij de Nederlandse mycoloog Ch. H. Persoon ontmoette. Vanwege hun gezamenlijke hartstocht voor de natuur adviseerde Persoon hem naar Nederlands-Indië te gaan. Na een aanvullend medisch examen in Utrecht arriveerde hij in 1835 als ‘officier van gezondheid’ in Batavia, het begin van een dertienjarig verblijf in Indië. Zijn taak als legerarts in Batavia, Djokjakarta en Semarang verwaarloosde hij, omdat hij met zijn chef Ernst Albert Fritze, eveneens natuurbewonderaar, twee reizen maakte waarbij ze vijftien vulkanen onderzochten.

 

Junghuhn, met vorsende blik de wereld inkijkend…(Zelfopname, gemaakt in Lembang, 1860)

Ontzaglijk grote kikkers

Vanaf 1840 kan hij dit in opdracht van de Raad van Indië doen, omdat zijn meerderen inzien dat Junghuhn goed is in het in kaart brengen van vulkanen, meren, rivieren, dorpjes en het rapporteren over lokale bevolkingsgroepen. Hij trekt met tientallen koelies in karavanen de jungle in, door diepe kloven, langs hoge bergkammen, geconfronteerd met overstromingen en vulkaanuitbarstingen met gigantische rookkolommen, rondvliegende stenen, lavastromen en lawaai: ‘Men zou dit met het geblaas van 1000 stoomketels kunnen vergelijken.’ Onderweg is overnachten soms geen pretje: ‘De kamer waarin we zouden slapen konden wij pas betrekken nadat wij een kolonie ontzaglijk grote kikkers hadden verjaagd die echter telkens terugkeerden om ons het bezit ervan opnieuw te betwisten.’ Junghuhn brengt de Merapi-vulkaan in kaart, onder andere met een zelfgemaakte barometer van bamboe en glas, die onderweg voortdurend rechtop gehouden moet worden. Hij kruipt soms op handen en voeten naar boven. Om in de krater te kijken gaat hij op zijn buik liggen, maar krijgt de schrik van zijn leven als hij een lavablok de afgrond induwt en de bodem onder zich voelt schuiven….

Alexander von Humboldt beschouwt hij als zijn grote voorbeeld; hij correspondeert met hem in een tijd waarin de natuurwetenschap steeds meer opgesplitst wordt in deelgebieden. Junghuhn behoort tot de laatste ‘homo universales’. Hij ontdekt een nieuwe plantensoort, die hij Primula imperialis noemt en er worden later twee andere planten naar hem vernoemd, waaronder de Nepenthes junghuhnii, een bewijs voor zijn status als natuurvorser. Hij verblijft anderhalf jaar op Sumatra, ontpopt zich als indoloog, geograaf, landmeter, geoloog, botanicus en publiceert zijn omvangrijke antropologische studie van de batak: Die Battaländer auf Sumatra.
Tijdens een expeditie verdwaalt zijn assistent Hermann von Rosenberg. Eenmaal teruggevonden is hij volkomen uitgeput door koortsaanvallen en reist met een aantal dragers terug. Junghuhn zet alleen door in een gebied met veelal argwanende inlanders, die eerder door Maleiers zijn aangevallen. Maar ook hem gaat het niet altijd gemakkelijk af: ‘In een dag moet men soms dertig tot veertig beken doorwaden, waarvan sommige (in de dalen) zeer warm zijn en andere kort daarop (onderaan berghellingen) ijskoud zijn en, wanneer men tot de oksels in het water staat, de instrumenten boven het hoofd moet dragen.’ Hij verkeert meerdere keren in levensgevaar. Zo staat hij op een gegeven moment ongewapend tegenover drie tijgers.

 

 

De Goenoeng Gedé, tussen Buitenzorg en Tjiandoer (Junghuhn).

 

Stil, bedaard en nooit driftig

Vanwege zijn eigenzinnigheid krijgt Junghuhn veel gedaan, maar het brengt hem ook in problemen. Zoals wanneer hij een kritisch artikel schrijft in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië over Rampok, een ceremonieel volksfeest waarbij tijgers, gevlekte en zwarte panters, begeleidt door gamelanmuziek, in het nauw gedreven, aan de spiesen worden geregen van een afsluitende haag omstanders. Junghuhn wordt berispt en riskeert verbanning uit de kolonie bij herhaling vanwege ondermijning van het gezag. Zo ver komt het niet. In 1845 wordt hij zelfs benoemd tot lid van de Natuurkundige Commissie in Leiden, gevolgd door eervol ontslag als legerarts. Hij krijgt als nieuwe opdracht de aanwezigheid van steenkool op Java te traceren. Hij heeft overigens geen hoge dunk van de overige commissieleden en uit dit regelmatig spottend. Tevens laat hij zich kritisch uit over schreeuwerige en weinig verfijnde Europeanen, terwijl de Javaan ‘stil, bedaard en nooit driftig is’.
Junghuhn reist twee jaar door Java en beschrijft hoe hartverscheurend een zeeschildpad, die ’s avonds eieren op het strand legt, aangevallen wordt door wilde honden, waarvan drie op hun beurt tussen kaken van een ‘als een pijl uit de boog’ aanschietende krokodil worden verbrijzeld en als zij de schildpad opnieuw te lijf gaan, uiteenvliegen omdat twee tijgers de prooi opeisen. Hij is er bij als een tijger iemand heeft verslonden: ‘Toean, toean! Lekas, lekas, matjan, matjan!’ (Mijnheer, mijnheer! Vlug, vlug, een tijger, een tijger!) komt een jongen op hem af. De mannen gaan in een klopjacht achter het dier aan met puntige bamboestokken, hakmessen, lansen ‘en alles wat zij in hun eerste schrik konden vinden.’ Waarna de dorpelingen wraak nemen, de weduwe voorop, zich baadt in het tijgerbloed, hem op de ogen slaat en het geronnen bloed oplikt. Zelfs de kinderen rennen toe om hem te schoppen, slaan en uiteen te rukken. Romanticus Junghuhn idealiseert hun leven: ‘Zij leven in hun huiselijke kring gelukkig omringd door alles wat het leven aangenaam maakt’ en stelt daartegenover: ‘Maar ik? Zonder huis, zonder hof zonder een enkel wezen op dit eiland dat naar mij verlangt trek ik voortdurend verder, alleen steeds zwervend.’

 

Een van Junghuhns publicaties met eigen afbeeldingen.

 

Bekleeding en inwendige structuur

Hij schrijft onderweg regelmatig over koorts, buikloop en verblijft tien maanden ziek (door ontstekingen vanwege bloedzuigers en dysenterie) zonder medische hulp in een onderkomen op een kraterwand. De tropische hitte heeft hem uitgeput: ‘Ik was ziek en had koude nodig (…) en vroeg bij de hoge regering te Batavia verlof aan.’
In 1848 terug in Nederland wordt hij aangesteld bij de universiteit van Leiden en werkt zijn aantekeningen over Java uit, met als resultaat zijn levenswerk Java deszelfs gedaante, bekleeding en inwendige structuur. Tevens voltooit hij na drie jaar een kaart van Java (circa drie meter lang, tachtig centimeter hoog). Volgens historicus Ger Harmsen in het ‘Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland’ is Junghuhn bovendien geen onverdienstelijke landschapschilder. Zijn litho’s doen, zoals werk van naïeve schilders, enigszins vervreemdend, onwerkelijk aan en hebben juist daardoor hun eigen charme. Niet alleen landschappen met sawa’s, bergmeren en al of niet vuurspuwende vulkanen, waarbij hij zichzelf op een kraterwand afbeeldt, turend door een verrekijker, maar ook tempels, zoals op de Dieng-hoogvlakte. Ze worden opgenomen in de hierboven vermelde, vierdelige publicatie (ruim drieduizend bladzijden), met kaarten en indrukwekkende natuurbeschrijvingen, wat hem de bijnaam ‘De Humboldt van Java’ oplevert.
Ook in Europa kan hij niet zonder de natuur. Zo verblijft hij in de Alpen, Kaukasus, de Pyreneeën en Zweden. In Nederland verzamelt hij korstmossen en in 1850 trouwt hij met de twintig jaar jongere Louise Koch, officiersdochter uit Leiden. Ondanks zijn solitaire leefstijl is dit huwelijk volgens ingewijden gelukkig en in 1853 laat Franz zich neutraliseren tot Nederlander.

 

De Primula imperialis, die Junghuhn op een kraterwand ontdekte.

 

Aan de kraterrand zie je God in de ogen

Romanticus als hij is, ziet hij de natuur als enige waarachtige, niet huichelachtige kennisbron. Hij hanteert een ‘omgekeerde’ natuurlijk hiërarchie: planten zijn beter dan dieren, de ongeslachtelijke paddenstoelen beter dan planten, stenen staan daar weer boven en vulkanen met hun oerkrachten komen het dichtst bij de ultieme waarheid. Staande aan de kraterwand kijk je God in de ogen: ‘Al het andere is leugen en bedrog’.
Op wetenschappelijk gebied is hij zijn tijd ver vooruit: hij waarschuwt namelijk al voor desastreuze gevolgen van grootschalige houtkap en propageert aanplant van cultuurbossen. Op originele wijze verwoordt hij zijn ideeën over vrijdenkerij, humanisme en socialisme in het boek Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java, waarmee Junghuhn geldt als de grondlegger van het vrijdenken in Nederland. Hij personifieert Dag, Morgenrood, Avondrood en Nacht in een onderling gesprek, waarbij de eerste drie het wetenschappelijke denken vertegenwoordigen en dit met maatschappelijke en culturele argumenten staven, terwijl de nacht (oh symboliek!) het christendom vertegenwoordigt. Het is niet verwonderlijk dat hij zich fel kant tegen de missie en zending in Nederlands-Indië, die de band tussen mens en natuur, en mensen onderling, verstoren, bovendien in strijd is met de menselijk behoefte aan lustbeleving. Hij schrijft: ‘Ik behoor tot de hooggeleerde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid’ en publiceert het boek onder pseudoniem. Zijn uitgever, Jacobus Hazenberg, van allerlei kanten aangevallen, weigert in 1854 vervolgpublicaties. In Oostenrijk en delen van Duitsland worden vertalingen zelfs verboden verklaard. Een andere uitgever laat zich niet afschrikken en Junghuhn besluit zijn ideeën in de vorm van het tijdschrift De Dageraad verder te verbreiden, onder het motto ‘Magna Est vertas et praevalebit’ ofwel: ‘De waarheid is groot en zal zegevieren’.

 

Eerste blad van Junghuhns (geologische) kaart van Java.

 

Mijn geliefde bergen vaarwel

In 1855, teruggekeerd op Java, geeft hij als hooggeplaatst ambtenaar leiding op kinaplantages. Kina was destijds zeer belangrijk als geneesmiddel tegen malaria. In opdracht van de regering waren kinazaden vanuit Zuid-Amerika binnengesmokkeld, maar een voorganger van Junghuhn oogstte er weinig succes mee. Ook Junghuhn maakt aanvankelijk fouten, maar dankzij zijn gedegen kennis van de plaatselijke natuuromstandigheden weet hij vruchtbare, hoger gelegen en koelere plekken te vinden voor de kinateelt, waardoor Java wereldwijd toonaangevend wordt op dit gebied, wat de Nederlandse staat grote winsten oplevert en Junghuhn internationale faam als natuurvorser.
In deze periode maakt voor hem het schilderen plaats voor fotografie en hij legt zelfs al stereoscopische beelden vast. Tijdens een reis in de binnenlanden loopt hij dysenterie op, waarvan hij niet goed geneest, terwijl in 1857 zoontje Frans geboren wordt. Op een foto uit 1860 kijkt vader Junghuhn, kalend met baard, snor en vorsende blik de wereld in. Hij neemt in 1861 de Duitse geoloog Ferdinand van Richthofen nog mee op veldonderzoek. Maar de tropen eisen hun tol; hij moet in 1864 opnieuw verlof aanvragen. Nog voor hij kan terugkeren naar Nederland doet een leverabces hem op 54-jarige leeftijd de das om. Op zijn sterfbed vraagt hij zijn arts de ramen te openen, met uitzicht op de vulkaan Tangkuban Prahu: ‘Ik wil mijn geliefde bergen vaarwel zeggen, ik wil voor het laatst het oerwoud zien, ik wil de reine lucht nog eenmaal inademen.’

In totaal heeft Junghuhn zo’n dertig publicaties nagelaten. Ook lang na zijn dood hebben geologen en paleontologen zijn stenen- en fossielenverzamelingen en botanici zijn herbaria als onderzoeksmateriaal benut. Bij de universiteit van Leiden bevindt zich een collectie foto’s die hij maakte, waaronder stereoscopische opnamen.
(Lex Veldhoen)

 

(Openingsbeeld: Een impressie van het ceremoniële volksfeest Rampok.)

 

Lees het volledige artikel, plus nog veel meer interessante historie, in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Verslag van een helletocht

Waarom hebben zij het niet overleefd en ik wèl? Die ene vraag heeft overlevenden van de nazi-kampen de rest van hun leven bezig gehouden. Zo ook Tobias Schiff (1925-2000), een Joodse tiener uit Antwerpen die in augustus 1942 op transport werd gezet. Acht van de duizend gedeporteerden overleefden de nazi-gruwel. God kon Schiff alvast geen antwoord (meer) geven, na alles wat hij gezien had.

Lees verder

Kroniek

Ovaal biljart

Het geïllustreerde tijdschrift Het Leven maakte in augustus 1907, 110 jaar geleden, melding van een bijzondere vondst op biljartgebied, namelijk het ovale biljart. Grote voordelen: geen vermoeiende en verwrongen houdingen meer, en er zijn meer effecten en carambolen mogelijk. Het spel wordt een stuk afwisselender, zo verwacht men. Op de foto de fameuze Engelse kampioen Weiss die het nieuwe biljart probeert.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder