Stelling

Het Europees Parlement moet weg uit Straatsburg

Stem

Agenda

De onbevreesde leider
Het blijft een fascinerend verhaal: onder leiding van Genghis Khan (1162-1227) slaagden enkele vrij onbeduidende Mongoolse stammen erin om binnen no time vrijwel heel Eurazië te veroveren. De expositie 'Genghis Khan, wereldveroveraar te paard' in het Nationaal Militair Museum (NMM) te Soest toont de ongekende militaire slagkracht van de Mongolen en laat ons tegelijkertijd kennismaken met een verafgelegen en mysterieuze cultuur.
‘Geel van kleur, met scheve ogen’
Dat er ook Chinezen actief waren achter het westelijk front van de Eerste Wereldoorlog is min of meer vergeten. Honderd jaar na hun aankomst wordt hun verhaal in de Gasthuiskapel te Poperinge alsnog verteld. Wanneer China in 1917 bij de Eerste Wereldoorlog wordt betrokken, richten de Britten het Chinese Labour Corps (CLC) op om arbeidskrachten te werven.

Vlamingen naar Indië en China

05 maart 2017 skrul

Minder bekend dan de VOC is de Oostendse Compagnie, waaronder Vlaamse reders toegang zochten tot de Aziatische markt en er zelfs – met dank aan de Oostenrijkse keizer – heel even de boventoon voerden. Grote zeemogendheden als Engeland en vooral de Verenigde Provinciën duldden de Zuid-Nederlandse concurrentie niet. Ze dwongen de keizer een einde te maken aan een succesrijke onderneming.

Verleid door de lucratieve winsten van de Franse handel op Oost-Indië, hadden enkele ondernemende Gentse kooplui al in 1714/15 enkele schepen naar Azië uitgereed, wat meteen vijandigheid opwekte bij de Engelse en Hollandse zeevaarders. Tussen 1715 en 1723 zeilden meer dan dertig schepen uit Vlaanderen naar gebieden in de Indische Oceaan en de Zuid-Chinese Zee. Aanvankelijk misten de Oostendse reders ervaring in wereldreizen, voor hen was het een sprong in het onbekende. Ze waren enkel vertrouwd met de Noordzee, de Middellandse Zee en een deel van de Atlantische Oceaan. De grote moeilijkheid was de oriëntatie en het zo exact mogelijk bepalen van de positie op zee. Voor de eerste reizen naar het Oosten moest de leiding noodgedwongen worden toevertrouwd aan ervaren buitenlanders; vooral Engelse en Ierse kapiteins en matrozen waren welkom op de Vlaamse schepen. Maar in Engeland en de Noordelijke Nederlanden werd daar heftig tegen geageerd. Zo vaardigden de Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën een plakkaat uit dat aan Hollandse zeelui het verbod oplegde om in dienst te treden van elke vreemde vorst, compagnie of koopman die schepen uitreedde naar Oost-Indië. Engeland vaardigde een verbod uit voor rekrutering van Engelse zeelui en het investeren van Engels kapitaal in de Zuid-Nederlandse expedities.

 

Joannes Jacobus Moretus (1690-1757), telg uit het beroemde Antwerpse drukkersgeslacht, was een van de belangrijkste aandeelhouders van de GIC. Nog voor haar oprichting financierde hij reeds in de jaren 1719-1722 verscheidene Chinareizen vanuit Oostende. Na de stopzetting nam hij deel aan de Compagnie van Triëst en Fiume, en investeerde volop in de Deense en Zweedse Oost-Indische Compagnies. Portret door Jan van Helmont, 1717. (Museum Plantin-Moretus Antwerpen)

 

Oostends of Antwerps?

Onder druk van de bikkelharde concurrentie nam het succes van deze particuliere uitredingen naar het Oosten af. Meer samenwerking drong zich op. Spanje was steeds weigerachtig geweest om een Zuid-Nederlandse koloniale maatschappij op te richten, maar onder het bewind van de vlootloze Oostenrijkers werd dit wel mogelijk. Daarom vroegen enkele privéreders uit Antwerpen, Gent en Oostende aan Wenen om een nationale compagnie op aandelen te stichten. Het Weense hof had daar wel oren naar en reageerde positief. Op 19 december 1722 ondertekende keizer Karel VI het octrooi voor de oprichting van ‘La Compagnie Imperiale et Royale des Indes, établie dans les Pays-Bas Autrichiens’ of ‘Generale Keijserlijcke Indische Compagnie’, naar haar thuishaven bekend geraakt als de Oostendse Compagnie (toen de enige toegankelijke Vlaamse zeehaven). Ze kreeg een dertigjarig monopolie voor de handel op Oost-Indië, en mocht kolonies stichten, verdragen afsluiten en zelfs een eigen oorlogsvloot uitbouwen. Tevens moest ze moest ze Zuid-Nederlandse zeelieden en supercargo’s voorrang geven op die uit het buitenland. De hoofdzetel kwam in de Beurs te Antwerpen. Eerst had Brugge geprobeerd die te verwerven, maar zonder succes; wel werd ze samen met Oostende als verkoopplaats voor de koloniale waren aangeduid. Ter begunstiging van de vaart op het Oosten zou Brugge zich inspannen om haar verbinding met de zee te verbeteren; in februari 1724 werd het kanaal naar Oostende – tegelijk met dat naar Gent – op kosten van de Brugse Koophandelskamer uitgebaggerd.

 

Aandeel op naam van Ferdinand Anthoin baron de Veecquemans uit Antwerpen, 13 augustus 1723.

 

Wisselende vergaderplek

Op 23 januari 1723 benoemde het Weense hof, op advies van gevolmachtigd minister markies de (of: van) Prié, zeven directeuren: Jacques de Pret (eerste directeur), Pietro Proli en Louis François de Coninck uit Antwerpen, Paulo de Kimpe, Jacques Maelcamp en Jacobus Baut uit Gent en Thomas Ray uit Oostende (die eerst werd geweerd). Belangrijk was dat deze directeuren voldeden aan een aantal selectiecriteria, zoals afdoende kennis van het handels- en financiewezen en persoonlijke kredietwaardigheid. Proli was van Italiaanse afkomst en had handelservaring opgedaan bij zijn vader, waarna hij zich richtte op het bankwezen en zich ontpopte tot één van de voornaamste bankiers van Antwerpen. Daarenboven had hij een uitgebreid netwerk aan buitenlandse contacten. Jacobus Maelcamp was, samen met zijn broer Carlos, één van de pioniers van de Zuid-Nederlandse koloniale handel; zij reedden immers als eersten het schip ‘Charles Galleye’ uit naar de Malabarkust. Ook de Gentenaar Jean-Baptiste Van Goethem, van wie in Gent een prestigieuze herenwoning bewaard bleef, speelde als administrateur een belangrijke rol. De vergaderingen van de directeuren moesten de eerste drie jaar worden gehouden in Antwerpen, de volgende jaren in Brugge of in Gent.

 

De Chinavaarders Arent en Sint-Elisabeth, en de Bengalenvaarder Sint-Carolus, alle onder Oostenrijkse vlag, in de haven van het vaste bevoorradingspunt Porto Praia op het Kaapverdische eiland Sao Tiago. Tekening in het logboek van de Arent, 1724. (Felix Archief Antwerpen)

 

Vliegende start, enorme winsten

Het maatschappelijk startkapitaal werd vastgelegd op zes miljoen gulden, opgedeeld in zesduizend aandelen met een waarde van duizend gulden elk. Bij de introductie op de Antwerpse Beurs in augustus 1723 ontstond een ware volkstoeloop; in twee uur was er al voor drie miljoen gulden verhandeld. Na anderhalve dag waren de aandelen voor driekwart opgenomen door zakenlui, leden van de adel en regeringsambtenaren, met een bedrijfskapitaal van 4,5 miljoen gulden. De buitenlanders mochten zich pas een maand later aanmelden om de rest te kopen. Voor haast 53 procent opgericht met Antwerps kapitaal, met drie Antwerpenaars onder de zeven directeurs en met haar hoofdkantoor in die stad, was de GIC voornamelijk een Antwerpse aangelegenheid; alleen de sluiting van de Schelde had belet dat ze ook de thuishaven werd. Dank zij een uitstekende organisatie en een degelijk beleid was de compagnie erg succesvol en kon zij aanzienlijke dividenden aan haar aandeelhouders uitkeren. Hadden de directeuren bij de oprichting gehoopt op een winst van tien procent, het rendement overtrof die verwachtingen. Tijdens de jaren 1723-1735 konden de aandeelhouders rekenen op een jaarlijks rendement van dertien procent.

 

Westers schip op Chinees porselein.

 

Harde tegenwind van de VOC

De Compagnie bezat dertien schepen, waarvan slechts één – de Hertogh van Lorreinen – in Oostende was gebouwd. De andere waren tweedehands in Engeland of Holland aangekocht, maar werden op de Oostendse rede volledig hersteld en verbouwd. Ze handelde alleen met Indië (Bengalen en de Coromandelkust) voor katoenen stoffen, salpeter, roodhout en lak, en met het Chinese Kanton voor zijde, porselein en thee. Naar Bengalen vertrokken in totaal tien expedities, naar China elf. De handel met Kanton was het meest winstgevend. Tussen 1725 en 1728 zou de Compagnie zelfs de toenmalige continentale theemarkt beheersen, ten gevolge van een tijdelijke terugval van de Engelse invoer, en liet ze de Verenigde Oost-Indische Compagnie ver achter zich. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept. De aanvoer van thee te Oostende was dan ook zeer belangrijk: in de jaren 1725/28 werd te Oostende 58 procent van de aanvoer van thee in West-Europa geveild. De VOC haalde nooit meer dan een marktaandeel van dertien procent. De grote winsten van de GIC lokten hevig verzet uit van de Nederlandse regering en de VOC, maar ook van de Engelsen. In hun ogen ‘omzeilde’ de scheepvaart vanuit Oostende één van de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Münster (1648) en van het barrière-traktaat, namelijk het lamleggen van de Zuid-Nederlandse overzeese handel en zeevaart. Als gevolg van een verdrag voor bijstand en handel, afgesloten tussen Spanje en Oostenrijk (1725), voelden zowel Engeland als Pruisen en Frankrijk zich bedreigd en sloten deze staten het Verdrag van Hannover. Nederland trad pas in 1727 toe op voorwaarde dat de Alliantie zou helpen om de activiteiten van de Oostendse Compagnie te verbieden.

 

De markies de Prié met zwarte lakeien te Gent in 1717. (Detail uit schilderij in het Stadhuis)

 

Geseling en doodstraf

Pesterijen en gewelddadige incidenten tussen de concurrenten waren courant. Zo sneuvelde gouverneur Jacques André Cobbé bij de verdediging van zijn Bengaalse factorij in 1724. Teneinde het aanwerven van bemanningen in Nederland te beletten – de Vlamingen en Brabanders bleven immers voor hun vaart afhankelijk van de hulp van Hollandse en Engelse matrozen – vernieuwden de Staten-Generaal in 1717 het van ouds geldende verbod, dat geen onderdanen van de Republiek in vreemde dienst op Oost-Indië mochten varen. Overtreders kregen de doodstraf. Het verhandelen van goederen of het ontvangen van commissies op Oostendse goederen werd beboet met verbeurdverklaring, duizend gulden boete en gevangenisstraf. Toen vele Nederlanders desondanks bleven solliciteren bij de Oostendse Compagnie, voegden de Staten-Generaal daar in 1723 met een nieuw plakkaat openbare geseling aan toe. Wie in commissie schepen voor de GIC huurde, kocht of uitrustte, werd bestraft met verbeurdverklaring ten bate van de VOC en een boete van viermaal de waarde van het geconfisqueerde schip. Ook het bezitten van aandelen in de Oostendse Compagnie was voor Nederlanders een riskante zaak en gesanctioneerd met verbeurdverklaring en een boete ter grootte van het viervoud van de inleg.

Einde van de koloniale droom

De politieke ontwikkelingen in Europa zouden de doodssteek betekenen voor de GIC. De Oostenrijkse keizer Karel VI wilde zich laten opvolgen door zijn dochter Maria-Theresia, maar dat druiste in tegen de Salische wet. Om dat toch mogelijk te maken vaardigde Wenen in 1713 de Pragmatieke Sanctie uit. In ruil voor de ondertekening van een geamendeerde versie ervan eisten Engeland, de Nederlandse Republiek en Frankrijk de ontbinding van de GIC. Op 31 mei 1727 werd het octrooi door het Preliminair Verdrag van Parijs voor de duur van zeven jaar geschorst. Voorstellen werden gedaan om het kapitaal toch te laten renderen tijdens de schorsing. Zo stelde directeur Proli voor het te transfereren naar de Compagnie van Triëst of aan de Adriatische Zee een nieuwe handelsonderneming te starten. Beide plannen bleven zonder gevolg. De genadeslag kwam tenslotte op 16 maart 1731, toen de Oostendse Compagnie, ondanks hevige protesten in Vlaanderen, definitief verboden werd door het tweede Verdrag van Wenen. De koloniale droom van de Zuid-Nederlandse handelaars was na amper tien jaar al vervlogen. Tot aan het eind van het Ancien Regime werd aan de Zuidelijke Nederlanden formeel alle handel met de koloniale gebieden verboden. Er werden nog enkele smokkelexpedities ingericht, waaronder een naar China, maar na de definitieve opheffing van de Compagnie werden ook die illegale activiteiten stopgezet. Ten slotte vertrokken er in 1732 nog twee permissieschepen, waarvan een naar China, met uitdrukkelijke toestemming in het tweede Verdrag van Wenen, maar daarmee werd de handelsactiviteit van de Generale Keijserlijcke Indische Compagnie afgesloten. Op 16 februari 1734 werd ze op de algemene vergadering van de aandeelhouders ontbonden. De financiële afwikkeling van de maatschappij was pas in 1774 voltooid. De terugstorting van het kapitaal was reeds grotendeels in 1737 voltooid. De eindafrekening leverde 7.500.000 gulden zuivere winst op of 166 procent van het beginkapitaal. Toch betekende dit voor Vlaanderen niet echt het einde van de 18de-eeuwse handel met Azië. De vroegere aandeelhouders of reders investeerden nu in de Aziatische ondernemingen van Denemarken en Zweden en alsnog in de Compagnie van Triëst. Voor deze laatste zeilden in de jaren 1780 opnieuw verscheidene fregatten vanuit Oostende naar Kanton.
(André Capiteyn)

(Openingsbeeld: Aan de Parelrivier in Kanton stonden de factorijen van de Europese kooplui zij aan zij. Boven de hong van de Zuid-Nederlanders wappert de Oostenrijkse vlag met de dubbele adelaar. (Maritiem Museum Prins Hendrik Rotterdam)

 

Lees nog veel meer boeiende geschiedenis in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Glorious past geen garantie

De Brexit is sinds 29 maart 2017 officieel in gang gezet door de Britse premier Theresa May. Het belooft een spannende periode van twee jaar te worden waarbij Groot-Brittannië zijn eeuwenlange ‘perfide’ buitenlandpolitiek ten opzichte van het continent kan hernemen. Of gewoon verder zetten maar dan zonder de extra interne spanningen van het lidmaatschap van de Europese Unie. Tussen 1973 en 2016 werd dat ook wel als een ‘disfunctioneel huwelijk’ bestempeld.

Lees verder

Kroniek

Zwarte sneeuw

In de loop van 1767, 250 jaar geleden, worden de stijgende graanprijzen voelbaar. Economische sectoren die toch al niet sterk waren, krijgen het moeilijk. Zo is de douane-oorlog tussen Luik en de Oostenrijkse Nederlanden weer opgelaaid. De Luikse uitvoer van ijzerstaven en spijkers naar Limburg is verboden, Brussel heft invoertaksen op ijzer uit Luxemburg. In de Luikse spijkerindustrie is de nood zo hoog dat arbeiders de smederijen vernielen. Nu zijn her en der stakingen uitgebroken, die overslaan naar Brugge, waar nieuwe technieken de lonen van de textielarbeiders hebben verlaagd. Trammelant tussen lakenfabrikanten en wolkammers deden vijf patroons besluiten om opgeteld duizend arbeiders op straat te zetten. Het zijn barre tijden.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder